De Stille Vennoot – Een Jaar Later (deel 10 slot)

Door Hans Vredevoort
Geplaatst in Cultuur, Korte verhalen
19 oktober 2026

De droge tijd in Loei begint niet met regen die ophoudt, maar met een verandering in de wind. Rond november draait de stroom vanuit de bergen van Laos naar het zuiden, en op een ochtend word je wakker en is het hout in het huis gekrompen. De deuren die vier maanden hebben geklemd, gaan ineens open zonder dat je eraan trekt. Niemand die hier woont, kijkt daar nog van op.

Wim zat op de houten bank achter het huisje. Voor hem, op een koperen schaaltje dat Einar op de markt had gekocht en dat verder nergens voor diende, lag zijn paspoort, open op de pagina met het nieuwe stempel. Geen verklaringen over een echtgenote. Geen foto’s van een slaapkamer. Alleen de verlenging op grond van retirement, afgegeven een week nadat hij vijftig was geworden en zijn rekening lang genoeg aan de voorwaarden had voldaan. De ambtenaar in Loei had de papieren bekeken, het saldo, de brief van de bank, en had gestempeld met de verveelde nauwkeurigheid van iemand die dit dertig keer per dag doet. Wim had hem willen bedanken en had het niet gedaan. Je bedankt een ambtenaar niet voor wat je toekomt. Dat had hij in negen jaar ook geleerd, alleen te laat.

In de schaduw van de teakboom stond een kleine werkbank die ze in januari van steigerhout hadden gemaakt. Mork, inmiddels vijftien en een kop groter dan een jaar geleden, stond erover gebogen en schuurde een houten kozijn, met lange, gelijkmatige halen, zoals je iemand iets ziet doen die het al vaker heeft gedaan. Hij droeg een jas. Ze hadden hem in december gekocht, in de stad, en hij had hem sindsdien niet meer uitgetrokken, ook niet in maart, toen het veertig graden was.

Wim stond nog altijd om zes uur op. Er was geen filter meer om schoon te maken, maar het lichaam wist dat niet, en dus liep hij elke ochtend de rij papajabomen langs, keek naar de vallei waar de mist optrok, en ging dan terug om koffie te zetten voor drie. Einar noemde het zijn inspectieronde. Wim had er geen naam voor. Het was het uur waarop hij nergens rekenschap over hoefde af te leggen, en hij had geleerd dat je zo’n uur niet moet benoemen, omdat het dan een bezit wordt, en bezit had in dit land de neiging van eigenaar te wisselen.

Een oude pick-up draaide het erf op. Einar, terug van de markt, met twee zakken cementzand in de laadbak en een krat papaja’s op de bijrijdersstoel, vastgezet met de gordel.

“Alles geregeld bij Immigration?” riep hij, nog voor hij het portier dicht had.

“Klaar,” zei Wim. “Geen huwelijk. Geen bedrijf. Alleen mijn eigen papieren.”

“Dat is het beste soort.” Einar leunde tegen de motorkap en veegde zijn handen af aan zijn broek. “Ik kreeg vanmorgen een bericht van de makelaar in Udon. Die van de rechtbank. Hij houdt me op de hoogte, God mag weten waarom. Over de plek in Ban Dung.”

“En?”

“De investeerder uit Khon Kaen heeft het na acht maanden weer verkocht. Aan een coöperatie. De nieuwe eigenaar heeft het zwembad met zand gevuld. Er staan nu twee loodsen voor kunstmest en cassave. De bungalows zijn weg. Het hoofdhuis is kantoor.”

Wim knikte. Hij had verwacht dat het pijn zou doen, en het deed pijn, maar niet op de plek waar hij het had verwacht. Niet bij de bungalows. Bij het zwembad, om zes uur in de ochtend, met het schepnet in zijn hand. Dat was het enige uur van de dag geweest waarop het erf van hem was, en hij had het nooit zo genoemd.

“Heb je er spijt van?” vroeg Einar, terwijl hij een papaja uit de krat pakte en tussen zijn handen woog, alsof hij het antwoord ook kon wegen. “Dat je het gebouwd hebt, en het uiteindelijk kwijt bent geraakt?”

Wim dacht lang na. Hij was in een jaar niet minder stil geworden, alleen anders stil: hij zweeg niet meer omdat hij niets mocht laten zien, maar omdat hij wilde weten wat hij ging zeggen.

“Ik weet het niet,” zei hij. “Ik heb er negen jaar van mijn leven in gestoken. Maar ik heb er ook negen jaar van geleefd. Misschien is dat niet hetzelfde als spijt. Misschien is spijt iets voor mensen die de rekening niet zelf hebben betaald.”

“En zij?”

“Daao is bij haar moeder. Ze verkoopt kleefrijst bij de tempel, op zondag. Mork belt haar. Ik niet.” Hij zweeg even. “Ze heeft in de rechtszaal één ding gezegd dat ik niet had verwacht. Dat ze hem kon laten gaan. Dat was waar. Dat is meer dan de meeste mensen kunnen.”

Einar knikte en vroeg niet verder. Dat was een van de dingen waarom het hier werkte.

Mork blies de houtstof van het kozijn en hield het schuin tegen het licht. “Het past,” zei hij, in het Engels, en toen nog een keer in het Thais, voor zichzelf.

Wim stond op en liep naar de werkbank. De hoek was haaks. Het hout sloot naadloos aan, met de kleine speling die je nodig hebt voor het seizoen waarin alles weer uitzet. Hij legde zijn winkelhaak erlangs, uit gewoonte, en de winkelhaak had niets toe te voegen.

“Waar heb je dat geleerd?”

Mork haalde zijn schouders op, de manier waarop hij alles beantwoordde wat hem te dichtbij kwam. “Jij hebt het me laten zien. Bij de zwembadpomp. Toen die kapot was, drie jaar geleden, en jij de behuizing opnieuw moest maken. Je zei: meet twee keer, zaag één keer. Je zei het drie keer, want je dacht dat ik niet luisterde.”

Wim had zich niet gerealiseerd dat de jongen erbij had gestaan. Hij herinnerde zich de pomp. Hij herinnerde zich de hitte en het vloeken en Daao die vanuit de receptie had geroepen dat hij een monteur moest bellen. Hij herinnerde zich geen jongen. Van alles wat hij in negen jaar op dat erf had achtergelaten, was niets blijven bestaan: geen bungalow, geen zwembad, geen naam op een achterkant. Maar een zin over meten en zagen, drie keer gezegd op een willekeurige middag tegen iemand die niet leek te luisteren, had een tiener meegenomen naar een andere provincie en een ander leven. Grond onthoudt wiens naam erop staat. Mensen onthouden iets anders, en je weet nooit wat.

“Goed werk,” zei Wim. “Hang het er maar in.”

Ze tilden het kozijn samen naar de achterdeur van het huisje. Mork zette de scharnieren, Wim hield het waterpas, Einar keek toe met de papaja in zijn hand en zei dat ze het verkeerd deden, wat niet zo was. Toen de laatste schroef erin zat, deed Mork een stap terug en liet de deur los.

Hij viel met een korte, doffe klap in het slot. Geen geklem. Geen centimeter open.

Niemand zei er iets over. Mork keek er iets te lang naar, en Wim keek naar Mork, en dat was genoeg.

Einar kwam terug met drie flesjes uit de koelkast, twee bier en een Fanta, en gaf de Fanta aan Mork. Mork keek naar het flesje, keek naar de twee biertjes, en trok een gezicht.

“Volgend jaar,” zei Einar. “Als je zestien bent. En als het kozijn dan nog recht hangt.”

Mork lachte. Niet het gortdroge lachje van zijn moeder, maar een echte, iets te harde lach van een jongen van vijftien die net iets heeft gemaakt dat werkt. Het was de eerste keer in een jaar dat Wim hem zo onbevangen zag, en hij besefte dat hij het niet had verwacht, en dat hij er stiekem op had gewacht.

Ze bleven zo zitten, de drie van hen, terwijl het laatste licht wegzakte achter de bergen aan de overkant van de rivier. Beneden, langs de oever van de Mekong, gingen de eerste lichtjes van de vissersbootjes aan, aan de Thaise kant en aan de Laotiaanse kant, en van hierboven was niet te zien waar de grens liep.

Wim hoefde niet meer op de kalender te kijken om te weten hoeveel dagen zijn stempel nog geldig was. Hij wist het toch. Driehonderdvierenvijftig. Sommige dingen leer je niet meer af.

Maar toen hij naar het huisje keek, naar de nieuwe deur die dicht bleef, naar Mork die met zijn Fanta op de veranda zat, naar Einar die zei dat er altijd een kamer vrij was, geen huur, geen aandelen, geen Chanote, drong iets tot hem door dat hij liever niet had opgemerkt. Hij was hier een jaar geleden aangekomen als een man zonder bezit, en hij was nu, zonder het te willen, opnieuw bezig een leven op te bouwen op grond die niet van hem was, in een huis dat een ander had gebouwd, naast een man die hij twee jaar geleden niet had gekend. Hij had een deur recht gehangen in een kozijn dat niet van hem was. Hij had er niets voor getekend.

Misschien was dat geen thuis. Misschien was dat gewoon wat een buitenlander in dit deel van de wereld altijd zou blijven doen: bouwen op geleende grond, en hopen dat de eigenaar niet van gedachten veranderde voordat de wind weer draaide.

Hij sloot het paspoort, stak het in zijn borstzak en liet het koperen schaaltje leeg op de bank staan. Achter hem ging de deur van het huisje open en dicht, open en dicht, omdat Mork het niet kon laten.

*** Slot ***

Vorige delen en verhalen kun je vinden op https://www.thailandblog.nl/author/hans/

Over deze blogger

Hans Vredevoort
Hans Vredevoort
Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.

1 reactie op “De Stille Vennoot – Een Jaar Later (deel 10 slot)”

  1. Phundee zegt op

    ik wil je bedanken voor dit prachtige verhaal. Jij hebt een talent als verhalenverteller en schrijver.

    4

Laat een reactie achter