Hij stond daar al een hele lange tijd…. zo lang dat eigenlijk niemand wist hoe lang. Ook de stokoude dorpelingen en zij die al lang waren gestorven zeiden ooit dat het er al stond zolang zij zich konden herinneren.  De boom spreidde nu zijn takken en zijn wortels uit over een grote oppervlakte. Over wel een kwart van de dorpsgrond waren er wortels bij het graven. Zijn knoestige wortels en verwarde takken wezen er op dat deze banyan boom het oudste levende ding was in het dorp.

 

Zo veel verhalen en wonderbaarlijke legendes waren mondeling doorgegeven van grootouders naar kleinkinderen over vele generaties. Naarmate de tijd verstreek werden de verhalen vreemder. Dat was wat bijdroeg aan de mythe rond de grote banyan boom en wat mensen angst aanjoeg of juist ontzag inboezemde. Op het geestenhuisje voor de boom lagen bloemslingers en offerandes en de boom was omcirkeld met oude en nieuwe zijden sjerpen die het moest beschermen tegen bezoedeling en gebrek aan respect. Niemand vroeg zich ooit af waarom er deze versierselen rond de grote boom er waren. Het waren gewoon de lessen waarin je moest geloven en die je moest volgen.

De wortels van de banyan boom

Hij stond er al een lange tijd en zou daar nog een lange tijd hebben gestaan ware het niet dat de krachtig groeiende wortels de nabijgelegen inwijdingshal hadden aangetast. Dat miljoen baht dure gebouw was de trots en vreugde van de tempel maar dreigde nu overwoekerd te worden door de takken en stengels van de grote banyan alsof die boom geen concurrent in grootsheid wilde toestaan. Maar dat was niet zo erg als de invasie van wortels in het fundament wat de vloer van de hal een veelheid van scheuren opleverde. De gaten werden van dag tot dag erger en men vreesde dat de hal binnenkort zou kunnen instorten.

Dit was een ernstig probleem. Het was een uitdaging voor iedereen die verantwoordelijk was voor de hal.  En het was de abt die de zwaarste last moest dragen.

“Wat zou u kiezen, de inwijdingshal of de banyan boom?”  De abt stelde die vraag in de tempelraad in de hoop op een antwoord.

“Kunt u niet iets anders bedenken?” vroeg Pluang, een lid van de raad bedachtzaam.

“Is er een andere oplossing? U herinnert zich dat we niet zo lang geleden een greppel hebben gegraven tussen de boom en de hal. Het resultaat was duidelijk te zien. De vloer brak nog meer open dan tevoren.” De geleerde monnik slaakte een diepe zucht. Het was een ogenblik stil in de vergadering.

De oranje gloed van een grote kaars voor het Boeddhabeeld lichtte de gezichten op van de aanwezigen en liet de sombere frons op hun gezichten zien.

“Moeten we de boom dan omhakken?” vroeg Pluang bezorgd.

“Ik denk dat we geen betere keuze hebben…We moeten de hal behouden na al die problemen bij het bouwen…En wat die banyan aangaat…”  De geleerde monnik begon te mompelen.

“Die banyan …ik weet dat iedere dorpeling de boom hoogacht. Maar alles overziend moet hij toch worden geveld. We hebben geen keuze. Ik ben verantwoordelijk voor wat er daarna gebeurt.”

Geroezemoes ging de vergadering door. Het was niet iets wat snel of gemakkelijk besloten kon worden. Niemand had ooit oneerbiedig over de boom gesproken. Maar nu kwamen deze woorden uit de mond van een monnik die de dorpelingen vereerden. Sommigen begonnen te aarzelen.

‘Wat denkt u? Ik bedoel iedereen. Zeg wat u denkt!” drong de monnik aan die zag hoe terughoudend de ledenwaren.

“Het is uw keuze als u denkt dat het juist is. Wij zien ook geen andere weg. Als er iets akeligs gebeurt dan zullen wij niet alleen de schuld bij u leggen.  Alle dorpelingen zullen de verantwoordelijkheid delen”. Zo sprak Wan, het oudste lid van de tempelraad. De anderen stemden in.

“Laten we dan beginnen. Laten we doen wat we juist achten. We kunnen de zaak niet langer uitstellen.”zei de abt en sloot de vergadering.

De dorpelingen en de geestendokter

Het verslag van wat er op de vergadering die avond was besproken ging rond als een bosbrand in het droge seizoen. Het was het gesprek van de dag. Dit was geen gewone roddel. Het was heel verontrustend nieuws die de dorpelingen tot diep in hun ziel schokte.

“Iedereen is gedoemd, let maar op…” snauwde de geestendokter Plang boos tegen de verzamelde menigte. “Zij zullen helemaal ten onder gaan…iedereen die slechte gedachten koestert tegen de heilige banyan boom zal de nare gevolgen moeten ondergaan. Welke duivel heeft de abt misleidt?” riep de oude men uit met beangstigend gloeiende ogen.

“Het was een goed idee, ouwe man. De abt heeft gelijk. Vergeet niet dat die inwijdingshal miljoenen waard is. Wie anders dan de abt kan het bouwen? Je kunt er beter nog eens over nadenken”. Pluang kon niet anders dan er tegenin gaan. Hij was het tenminste met de abt eens.

“Pluang! Je bent nog maar een jochie. Probeer je een een heilige kluizenaar een mantra te leren? Zie je niet dat die hal gewoon verkocht en gekocht kan worden? Als je geld hebt kun je er een paleis van maken. Maar de eerbiedwaardige banyan…. Kan je die ergens kopen? Jullie zijn een stel sukkels, allemaal.” De oude man bracht zichzelf in een staat van opwinding. Hij ging niet stoppen.

“Jullie weten niet beter. Jullie weten niet welke dingen belangrijk zijn en welke niet. Jullie moeten weten dat de eerbiedwaardige banyan al heel veel jaren een woonplaats is van geesten en engelen. In elk gat en holte van de boom liggen de botten van onze voorouders.  Van onze grootouders en hun grootouders. Iedereen die de heilige banyan wil beschadigen daagt de geesten en de engelen uit.  Zij zullen een verschrikkelijke dood sterven. …een verschrikkelijke dood…. onthoud mijn woorden, onthoud! Ha, ha, ha!”

De oude geestendokter barstte in woede uit. Zijn woorden maakten de toehoorders doodsbang. Alle ogen richtten zich met haat en wantrouwen op de leden van de tempelraad. Maar de meesten bleven bij hun eerste opvatting. Met name de oudere Wan was niet gevoelig voor kritiek of profetieën.

“We zijn als iemand op de rug van een tijger. We kunnen er niet van afspringen en ons noodlot zegt dat we of leven of sterven.  Houd de moed erin. De abt staat aan onze kant.” Wan probeerde zijn vrienden op te vrolijken.

De kritiek over het lot van de gigantische banyan boom nam toe. Zij die tegen het kappen waren vertelden uitvoerige verhalen over oude legendes die spraken van wonderbaarlijke en ontzagwekkende heldendaden die de toehoorders angst aanjaagden. Anderen voegden daaraan toe wat zij hadden gehoord met nog sterkere verhalen.  Elke legende over de geesten en de engelen werd herbeleefd alsof het hele dorp erdoor werd overheerst.

De twee houthakkers

“Ga je het echt doen, Fua?”vroeg Fen met twijfel in zijn stem.

“Zou ik grappen maken over zoiets?”, antwoordde Fua vinnig terwijl hij nog een slok whisky nam. En hij vervolgde “Doe je mee? We delen de opbrengst. Je hebt dan genoeg drinkgeld voor zeker een maand. Zeker weten.” Fua keek zijn vriend strak aan wachtend op een antwoord.

“Ben je nou helemaal gek geworden, Fua? Niemand kan die boom aanraken. Jij en ik zijn stervelingen. Hebben we echt kans van slagen? Ik ben doodsbang”.

“Onzin! Jonge mensen zoals jij en ik horen niet bang te zijn voor geesten. Ben jij dan niet slecht bij kas? Het is maar liefst drieduizend baht! We krijger ieder vijftienhonderd. Jij kan dat geld gebruiken om de hand van de vriendin Lamduan te vragen. Dringt je schoonvader daar niet op aan? Denk na, wil je Lamduan of niet?”

Fen wist dat hij gelijk had. Hij maakte Lamduan al jaren het hof en wilde haar dolgraag trouwen. Maar hij miste het geld daarvoor. Lamduan’s vader bracht het steeds ter sprake. De jonge politieman met zijn prachtige brommer bezocht haar vaak. Hij kon het huwelijk niet langer uitstellen. Maar de woorden van de geestesdokter Plang raakte hij niet kwijt. Hij wist niet wat te doen.

“Ik ben nog steeds bang”, zei Fen vrijblijvend. “Ik hoorde dat ze gisternacht verschenen in een droom van de ouwe Plang. Ik bedoel de banyan geesten, van de heel jonge tot de heel oude. Ze smeekten huilend om hun woning niet te vernietigen. Mensen zeiden dat ze de hele nacht hadden liggen schreeuwen. Hun leider zei dat als een ongelovige probeerde de boom te beschadigen hij zijn nek zou breken.  Zo’n droom stelde Plang altijd in het gelijk.  Dat ik waarom ik zo bang ben”. Fen gebruikte dit laatste nieuws als een voorwendsel.

“Flauwekul! Ouwe Plang en zijn geesten. Wat er ook gebeurt, hij dreigt altijd met geesten. Ik ben ziek en moe van al die verhalen over de banyan geestenbusiness.  Die verhalen over geesten in grote bomen zijn allemaal leugens.  Als ze waar zijn waarom zijn er dan geen grote bomen meer in het bos? Ze zijn allemaal omgehakt en er gebeurde niets met de houthakkers. Ze zijn nu zelfs erg welvarend. Kom op, doe je mee of niet? Ik wil het nu weten”. Fua voerde de druk op.

“Oké”, fluisterde Fen terwijl hij alleen het gezicht van zijn geliefde Lamduan voor zich zag.

Het omhakken van de banyan boom

Hij stond er al een heel lange tijd. Elk deel van de boomstam was reusachtig. De omtrek van de stevige stam was groter dan zeven mensen die het samen omarmden. Het stond stevig en hoog als een berg. Zijn hangende wortels waren ineengevlochten als de baard van een vreemde kluizenaar. Elke tak was dik en krachtig. Elke windvlaag gierde door de takken als een kwaadaardige geest. Elk deel van de grote banyan boom was doordrenkt met geweldige macht die iemand tot op het bot bedreigde.

Fen trilde op zijn benen.  Zijn hart bonsde terwijl koude en hete gevoelens zijn lichaam teisterden. Toen hij de schaduw van de boom inging leek het alsof zijn lichaam verpletterd werd tot een zandkorrel. Hij staarde omhoog naar de boom. Zijn hand die de bijl vasthield voelde koud en tegelijk zweterig aan. Hij proefde een muffe geur die uitging van de natte hoeken boven op de takken. Hij keek naar zijn vriend die ongestoord en deuntje neuriede.

“Hak alle takken er af. Bind de takken boven in de boom eerst samen. Kijk uit voor je handen en voeten. Als alle takken er af zijn gieten we er een stofje over die de stomp zal doden. Ik weet zeker dat de boom in een paar maanden zal vergaan tot losse grond. “Een lid van de tempelraad legde alles nog eens uit wat te doen maar voor Fen leek het meer op een van ver komend gefluister.

“Hoe gaat het?” riep Fua goedgehumeurd tuit terwijl hij met zijn hakmes de wortels te lijf ging. “We moeten eerst deze hangende wortels kwijt zien te raken voordat we de takken daarboven snoeien. Over tien dagen rest alleen nog een stomp. Als tenminste onze nekken dan niet zijn gebroken, zoals je eerder zei”. Fua maakte een grapje maar zijn woorden deden Fen’s hart huiveren.

Twee kleine mensen daagden de heilige banyan uit. De een had de roekeloze moed van een jongen en deinsde voor niets terug. Alles wat geld opbracht voor meer drank was prima. De ander was gevoeliger en minder zelfverzekerd dan zijn vriend ook al was hij net zo oud. Maar zijn smachtend verlangen verzachtte zijn angstige voorgevoelens.

Er gingen drie dagen voorbij. De oude kruin van de banyan werd langzaam gesloopt door de twee vrienden te midden van de angst en weifeling van wel de helft van alle dorpelingen. Ondanks de vloeken en de profetieën van doem ging het werk in die dagen gewoon door. Niets kon de messen van Fen en Fua stoppen. De leden van de tempelraad keken glimlachend toe zonder een spoor van hun vroegere vrees.

Steeds meer takken verdwenen en de zon brandde nu op hun bezwete ruggen. Toen Fua wat ineenstrengelende takken kapte sloeg zijn mes opeens op iets hards dat net lag onder een kleine verhoging naast een wortel.  Het harde geluid deed Fen omdraaien met de vraag “Wat is er, Fua?”

“Ik weet het niet. Het voelde aan als een stuk steen of ijzer” antwoordde Fua. Met zijn blote handen groef hij dieper in de grond. Hij stuitte op iets kouds en hards. Met kloppend hart haalde hij het met Fen’s hulp tevoorschijn.  Ze waren verbijsterd.

“Het is een urn…. om botten in te bewaren” riep Fua opgewonden.

“Het is een gouden urn… echt goud, Fua” brabbelde Fen. Ondanks de roest en modder zagen ze een heldere schittering.

Ze keken elkaar aan met een veelbetekenende blik. Hun ogen konden een opkomend gevoel van vreugde niet verbergen. Fua was al helemaal buiten zichzelf.

“Verberg het, Fua. Begraaf het opnieuw. De mensen daar kijken naar ons” Fen was de eerste die zijn kalmte herwon.

“We komen hiervoor vannacht terug”, fluisterde Fuan met een bevende stem. Ze begrepen elkaar. Fua begroef de urn op de oorspronkelijke plek terwijl Fen naar de mensen riep dat het hakmes een stuk rots had getroffen.

De twee mannen hervatten hun werk. Hun gedachten gingen wild alle kanten op. Ze droomden over de gelukkige vondst die hun leven zou veranderen.

“Laten we vannacht om 12 uur hier terugkomen”, fluisterde Fua met een vastbesloten stem voordat ze in de schemering naar huis terugkeerden.

De profetie komt uit

De menigte rond de banyan boom zwol snel aan. Toen de zon opkwam was het hele dorp verzameld onder de boom tussen de verwelkte takken en twijgen.

Het lichaam lag op zijn rug en de toeschouwers zagen dat hij al een vijf of zes uren geleden zijn laatste adem had uitgeblazen. Zijn toestand liet zien dat een felle strijd voorafgegaan was aan zijn dood. Zijn ogen puilden uit en er was een klein stukje blauwe tong te zien. Sporen van gestold bloed lekten uit zijn mond. Zijn nek was omringd met blauwe plekken alsof iemand daar had geknepen of krachtig gewurgd.  Iemand draaide zijn hoofd helemaal om met een tak. Met het meest verbazingwekkende was dat het lichaam volledig was omgeven met stukjes rottend bot.

“Fua! Arme Fua! Dit had jou niet moeten overkomen”, zei iemand bedroefd.

“Wel, heb ik het niet gezegd? Had ik niet gelijk toen ik dit zag aankomen? Iedereen die hier staat, kijk toch eens goed. Wat ik voorspelde is uitgekomen, nietwaar? Ik heb jullie gewaarschuwd maar niemand geloofde me. Jullie verklaarden met voor een dwaze geestendokter. Kijk, Fua’s nek is gebroken. Wie brak zijn nek? Waarom kwam hij hier om te sterven? Was het niet vanwege de heilige banyan boom? Dit is wat er gebeurt met mensen die heilige zaken krenken. Onthoud deze les! Is er nog iemand die mij niet gelooft? Ha, ha, ha!”

Pang de geestendokter riep deze woorden zelfvoldaan tegen de abt, de leden van de tempelraad en alle dorpelingen. De vaststelling van de oude man leek een passend slot te zijn en een einde te maken aan alle speculatie.  De dood was de uitkomst.

De abt keek op van het lichaam voor hem. Zijn gezicht was uitdrukkingsloos toen hij de kring rondkeek. Hij sprak met een rustige stem op gezaghebbende toon:

“Luister, iedereen.  Laat me uitpraten. Of Fua dood is omdat een geest zijn nek brak, zoals de oude Plang beweert, of door een andere oorzaak, dat moeten we nog vaststellen. Neem het volgende ter harte. Dood is onvermijdelijk. Iedereen zal het overkomen. Fua is dood en betaalde voor zijn karma. Ik zal zorgen voor zijn lichaam, maakt u zich daarover geen zorgen, ik en de leden van de tempelraad zullen alles doen wat nodig is. Maar ik smeek u allen goed na te denken voordat u in iets gelooft. Wat Fen betreft….”, De abt aarzelde een moment voordat hij zich wendde tot Fen. Zijn doordringende en koude blik deed de doodsbleke Fen bijna een andere kant uitkijken.

“Fen moet het werk afmaken nu er nog maar een paar takken over zijn. Wat gaat komen, komt. Je moet je werk gewoon afmaken, snap je?” De monnik beëindigde zijn toespraak en vroeg met een handgebaar een weg uit de menigte.

Fen slaakte een diepe zucht voordat de menigte opnieuw in gemompel uitbarstte.

Noot

De schrijver Phaithun Thanya (in Thais ไพฑูรย์ ธัญญา, schrijversnaam van Thanya Sangkapanthanon) werd geboren in Patthalung, een stad in Zuid-Thailand. Hij is leraar maar zegt dat schrijven altijd zijn droom en ambitie was. Hij kreeg de literaire prijs S.E.A. Write Award in 1987 voor zijn bundel korte verhalen Ko Kong Sai, ‘Bouwen van Zandhopen’.


» Laat een reactie achter


No votes yet.
Please wait...

1 reactie op “De Profetie – Een kort verhaal van Phaithun Thanya”

  1. rno zegt op

    Mooi verhaal, dank.


Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website