De Buitenstaander – Jaloezie bij de dorpswinkel

Door De buitenstaander
Geplaatst in Cultuur, Korte verhalen, Leven in Thailand
Tags:
29 september 2026

Om twintig over vier stuurt Mali hem voor batterijen naar de dorpswinkel. Twee kleine, zegt ze. Voor de afstandsbediening van de nieuwe ventilator. Meer niet.

De Buitenstaander vindt die laatste toevoeging overbodig. Hij koopt nooit zomaar spullen. Hooguit dingen waarvan later blijkt dat ze niet strikt noodzakelijk waren. Dat is iets anders. De winkel ligt driehonderd meter verderop, voorbij de bocht waar het asfalt in een verzameling kuilen uiteenvalt en iedere bromfiets vanzelf vertraagt. Onder het golfplaten afdak staan kratten bier, gasflessen, bezems en een oude vrieskist die bij iedere aanslag van de compressor klinkt alsof iemand er binnenin met een hamer tegen slaat. Aan draadjes boven de toonbank hangen zakjes shampoo, oploskoffie en chips. Vandaag zit niet de oude eigenaresse achter de toonbank, maar haar dochter Pin, een vrouw van begin veertig met zwart haar tot op haar schouders, rode lippen en een manier van lachen waarbij haar hele gezicht meedoet. De Buitenstaander kent haar van gezicht. Pin kent hem blijkbaar van reputatie.

‘Farang,’ zegt ze vrolijk zodra hij binnenkomt.

‘Dat klopt nog altijd.’

Pin lacht. Misschien om zijn antwoord. Misschien gewoon omdat hij Thais probeert te spreken. Hij vraagt om twee kleine batterijen en gebruikt daarbij zorgvuldig de zin die hij onderweg driemaal heeft gerepeteerd. Pin kijkt hem een paar seconden aan, bijt op haar lip en begint dan zo hard te lachen dat haar moeder vanuit het achterhuis komt kijken. Pin herhaalt zijn zin. De moeder lacht mee. De Buitenstaander staat tussen een rek vissaus en een piramide toiletpapier te wachten tot zijn bijdrage aan het dorpsvermaak voorbij is. Blijkbaar heeft hij één toon verkeerd uitgesproken. Het woord voor batterij is nog herkenbaar, maar zijn toevoeging over het formaat betekent volgens Pin iets waar hij liever geen nadere uitleg over krijgt. Zij zegt het nogmaals voor, langzaam. Hij probeert haar na te doen. Verkeerd. Opnieuw. Bij de vierde poging klapt Pin in haar handen alsof een kind zojuist zelfstandig zijn veters heeft gestrikt.

‘Very good.’

‘Nu echt?’

Ze steekt haar duim op. De Buitenstaander merkt dat hij rechter staat dan toen hij binnenkwam. Hij merkt ook dat hij langer blijft praten dan nodig is. Pin spreekt wat Engels, vertelt dat ze enkele jaren in een hotel in Khon Kaen heeft gewerkt en corrigeert ondertussen zijn uitspraak. Ze lacht gemakkelijk, raakt tijdens het aanwijzen even zijn onderarm aan en laat hem een nieuw Thais woord herhalen. De Buitenstaander vindt het plezant. Meer niet. Een mens mag toch genieten van een vriendelijk gesprek met iemand die niet onmiddellijk vraagt hoeveel pensioen hij krijgt, hoeveel zijn huis kost of waarom zijn voeten zo zacht zijn.

Dan ziet hij Mali aan de overkant van de weg.

Mijn lief staat bij een kraam met gegrilde kip, een plastic zak met groente aan haar pols. Ze zegt niets. Eén hand rust op haar heup. Ze kijkt naar de winkel, naar Pin en vervolgens naar hem. De Buitenstaander steekt zijn hand op. Mali niet. Pin ziet haar eveneens, roept iets in het Isaan en lacht opnieuw. Mali antwoordt kort. Pin trekt speels haar wenkbrauwen op en zegt iets wat De Buitenstaander niet begrijpt.

Dat helpt niet.

Hij herinnert zich plotseling waarom hij hier is.

‘Batterijen.’

Pin legt twee verschillende soorten op de toonbank. De Buitenstaander kiest het duurste merk, omdat hij dat kent. Pin vraagt nog iets, maar hij verstaat slechts de helft en knikt daarom met het zelfvertrouwen van een man die de andere helft zelf aanvult. Ze rekent af. Terwijl ze hem het wisselgeld geeft, lacht ze opnieuw om iets wat hij zegt.

Aan de overkant is Mali verdwenen.

Thuis legt De Buitenstaander de batterijen naast de afstandsbediening. Mali staat in de keuken de gegrilde kip in stukken te hakken. Niet harder dan anders. Juist dat maakt hem nerveus. Hij vervangt de batterijen, drukt op de knop en de ventilator begint onmiddellijk te draaien. Technisch gezien is de missie dus geslaagd.

‘Werkt,’ zegt hij.

‘Mooi.’

Meer komt er niet.

De Buitenstaander gaat aan tafel zitten. Mali schuift de stukken kip in een schaal, wast het mes en hangt de doek over een stoel. Ze vraagt niets over Pin. Dat begint hem na enkele minuten meer te storen dan wanneer ze het wel zou doen. Hij besluit de stilte behulpzaam in te vullen en vertelt dat Pin alleen zijn Thais corrigeerde. Dat zij toevallig wat Engels spreekt. Dat de hele winkel lachte, omdat hij een woord verkeerd uitsprak. Mali knikt af en toe.

‘Waarom vertel je zoveel?’ vraagt ze uiteindelijk.

De Buitenstaander zwijgt.

Daar had hij niet van terug.

‘Gewoon.’

Mijn lief zet de schaal op tafel.

‘Ik vroeg niets.’

Dat is waar. En juist daarom heeft hij inmiddels een volledig pleidooi gehouden voor een misdrijf waarvan niemand hem heeft beschuldigd.

Later eten ze onder het afdak. De lucht is zwaar en warm. Een hond ligt met zijn kop tussen zijn poten onder de tafel, kippen scharrelen bij de waterkruik en verderop klinkt het droge ploffen van een bromfiets die dringend een nieuwe uitlaat nodig heeft. Mali legt zonder iets te zeggen een kippenpoot op zijn bord. De Buitenstaander beschouwt dat als een gunstig teken. Dan verschijnt Tante Noi. Ze neemt plaats, krijgt rijst en heeft binnen enkele minuten blijkbaar kennisgenomen van wat er bij de dorpswinkel is gebeurd. Niemand vertelt het haar waar De Buitenstaander bij zit. Informatie in het dorp heeft geen zichtbaar transportmiddel nodig.

Tante Noi kijkt hem aan en grijnst.

‘Pin beautiful.’

De Buitenstaander kijkt naar zijn rijst.

‘Ik ga daar niet op antwoorden.’

Tante Noi lacht en begint iets in het Isaan te vertellen. De Buitenstaander verstaat Pin, farang en een woord dat volgens hem zoiets als lachen betekent. Mali eet door. Tante Noi wordt enthousiaster, totdat mijn lief één keer haar naam zegt.

‘Tante Noi.’

Niet luid. Niet boos.

Het verhaal stopt midden in een zin.

De Buitenstaander wacht tot Tante Noi vertrokken is. Daarna helpt hij Mali met de afwas. Binnen bromt de nieuwe ventilator. Buiten krast een kip tussen het droge zand. Hij probeert niet opnieuw over Pin te beginnen. Dat houdt hij bijna drie minuten vol.

‘Wat wilde Tante Noi zeggen?’

‘Zever.’

‘Dat leek mij veel zever.’

Mali spoelt een bord af en zet het op het rek.

‘Pin lacht graag met farang.’

‘Daar kan ik weinig aan doen.’

Mijn lief kijkt hem nu wel aan.

‘Ik zeg toch niet dat jij iets moet doen.’

De Buitenstaander voelt dat hij opnieuw een verdediging heeft opgebouwd tegen een aanval die nog niet heeft plaatsgevonden. Hij droogt een bord af dat al bijna droog is.

‘Ben je jaloers?’

Zodra de woorden eruit zijn, weet hij dat ze verkeerd zijn.

Mali zet de kraan dicht.

‘Waarom vraag je dat?’

‘Omdat je daar zo stond te kijken.’

‘Hoe keek ik?’

Hij demonstreert haar houding met één hand op zijn heup en een ernstige blik. Mijn lief kijkt ernaar en begint zowaar te glimlachen.

‘Zo?’

‘Ongeveer.’

‘Ik keek naar jou.’

‘Precies.’

‘Niet naar Pin.’

Dat verschil ontgaat hem eerst.

Ze loopt naar buiten en gaat op het lage houten bankje zitten. De Buitenstaander volgt haar. Hun schouders raken elkaar. Een tijdje kijkt Mali naar de weg voordat ze verder spreekt.

‘Als een vrouw om jou lacht, doe jij anders.’

‘Anders hoe?’

Ze maakt zich langer. Borst vooruit. Schouders naar achteren. Kin iets omhoog. Daarna doet ze alsof ze met veel te grote bewegingen Thais spreekt.

De Buitenstaander herkent zichzelf onmiddellijk.

Dat is onaangenaam.

‘Ik stond gewoon normaal.’

Mali kijkt hem aan.

‘Goed. Misschien iets rechter.’

Mijn lief knikt tevreden.

Het blijkt haar niet te storen dat Pin vriendelijk was. Ze ergert zich eraan dat haar man in enkele seconden veranderde in een man die plots beter Thais wilde spreken, harder lachte en zijn buik zowaar inhield. De Buitenstaander wil uitleggen dat iedereen zich een beetje anders gedraagt wanneer iemand hem aardig vindt. Dan beseft hij dat dit ongeveer hetzelfde is als bekennen.

‘Dus je bent niet jaloers op Pin.’

‘Nee.’

‘Helemaal niet?’

‘Beetje.’

Vooruitgang.

De Buitenstaander glimlacht.

‘Dat vind ik eigenlijk wel lief.’

Mali draait haar hoofd naar hem.

‘Waarom?’

‘Omdat het betekent dat je om mij geeft.’

Ze blijft hem aankijken.

‘Jij vindt mijn jaloezie leuk?’

Nu hoort hij zelf hoe dat klinkt.

‘Zo bedoel ik het niet.’

‘Hoe dan?’

Hij zoekt naar een antwoord en vindt alleen slechtere antwoorden. Mijn lief wacht. De Buitenstaander ontdekt dat stilte soms geen uitnodiging is om meer te praten.

‘Niet proper van mij,’ zegt hij uiteindelijk.

Mali’s gezicht wordt zachter.

‘Wat?’

‘Ik noem jou jaloers en dan maak ik er iets romantisch van, omdat mij dat goed uitkomt.’

Ze denkt daar even over na.

‘Ja.’

‘Veel?’

Mali houdt duim en wijsvinger een klein stukje uit elkaar.

‘Beetje veel.’

De Buitenstaander legt zijn hand op haar knie. Ze laat hem liggen. Ginds bij de winkel klinkt iemand lachen. Hij kijkt niet om. Niet uit discipline. Vooral omdat hij inmiddels weet dat Mali naast hem zit.

Een kwartier later rijdt er een bromfiets het erf op.

Pin.

Dat kan er nog bij.

Ze heeft een plastic zak aan het stuur. De Buitenstaander voelt hoe zijn rug zich automatisch rechter maakt en laat zijn schouders onmiddellijk weer zakken. Mali merkt het. Natuurlijk.

Pin stapt af, groet Mali en begint snel in het Isaan te praten. Geen gegiechel nu. Gewoon een vrouw die iets komt regelen. Ze haalt een pakje batterijen uit haar tas en legt het op tafel. Daarna nog een briefje van honderd baht.

De Buitenstaander kijkt naar de afstandsbediening.

Dan naar het pakje dat hij heeft gekocht.

‘Wat is er?’

Mali luistert naar Pin en kijkt vervolgens naar hem.

‘Jij kocht verkeerd.’

‘Ze werken.’

‘Ja. Maar veel te duur.’

Pin zegt iets en wijst naar de verpakking. De batterijen die hij heeft meegenomen zijn bedoeld voor apparaten die meer stroom vragen. Voor de afstandsbediening waren de goedkope exemplaren voldoende geweest. Bovendien had Pin hem gevraagd of hij één paar of twee pakjes wilde. Hij had enthousiast geknikt.

De Buitenstaander kijkt naar de verpakking.

Twee pakjes.

Acht batterijen.

‘Ik dacht dat ze vroeg welk merk ik wilde.’

Mali trekt één wenkbrauw op.

Pin zegt nog iets. Ditmaal moet Mali hard lachen.

‘Wat?’

Mijn lief probeert zich te herstellen.

‘Pin zegt dat jij zo druk was met mooi Thais praten dat jij niet luisterde.’

Pin knikt.

De Buitenstaander kijkt naar haar. Voor het eerst valt hem op dat zij helemaal niet flirt. Ze praat met Mali net zo levendig als met hem. Misschien nog levendiger. Het lachen hoort gewoon bij haar, zoals Tante Noi overal bij gaat zitten en oom Prasert gereedschap meeneemt zonder te vragen.

De verlangde farang blijkt vooral een klant die acht batterijen koopt wanneer hij er twee nodig heeft.

Dat is minder flatterend.

Wel goedkoper dan een affaire.

Pin duwt het honderdbahtbiljet naar hem terug. De Buitenstaander schudt zijn hoofd.

‘Voor de moeite.’

Pin weigert.

Mali zegt iets tegen haar. Pin antwoordt en stopt het geld uiteindelijk in haar zak. Daarna vertelt ze in langzaam Engels dat Mali haar enkele weken geleden al had gevraagd De Buitenstaanders Thais te corrigeren wanneer hij in de winkel kwam.

Nu kijkt hij naar mijn lief.

‘Pardon?’

Mali kijkt opvallend geïnteresseerd naar de batterijen.

‘Jij zegt altijd niemand corrigeert jou.’

‘Dus jij hebt Pin gevraagd?’

‘Alleen helpen.’

Pin steekt haar duim op.

‘Thai teacher.’

Daar is de verrassende wending dan.

De Buitenstaander heeft een kwartier lang gedacht dat een aantrekkelijke verkoopster bijzonder gecharmeerd was van zijn taalpogingen. In werkelijkheid stond hij midden in een gratis privéles die zijn eigen vrouw achter zijn rug had geregeld.

‘En daarom lachte ze zo?’

Mali vertaalt de vraag.

Pin antwoordt onmiddellijk.

Mijn lief krijgt moeite haar gezicht in bedwang te houden.

‘Wat zegt ze?’

‘Zij zegt nee.’

‘Wat nee?’

Mali kijkt naar hem.

‘Zij lacht omdat jouw Thai echt grappig is.’

Pin knikt met grote overtuiging.

De Buitenstaander kijkt naar beide vrouwen.

Niemand heeft medelijden.

Pin vertrekt even later. Voor ze wegrijdt, zegt ze nog één Thaise zin tegen hem. Langzaam. De Buitenstaander herhaalt haar. Ditmaal goed.

Geen applaus.

Dat beschouwt hij als vooruitgang.

Wanneer de bromfiets verdwenen is, pakt Mali twee blikjes bier uit de frigo. Ze zet er één voor hem neer en gaat naast hem zitten.

‘Nog jaloers?’ vraagt De Buitenstaander.

Mijn lief opent haar blikje.

‘Beetje.’

‘Op Pin?’

‘Nee.’

‘Waarop dan?’

Mali neemt een slok.

‘Omdat jij voor haar vier keer Thai oefent en voor mij na één keer zegt: ik begrijp.’

Die komt binnen.

De Buitenstaander kijkt naar zijn bier.

‘Dat is gemeen.’

‘Waar.’

‘Dat is iets anders.’

Mijn lief wacht.

Hij denkt erover na.

‘Goed. Niet heel anders.’

Mali schuift dichter tegen hem aan en legt haar hoofd op zijn schouder.

‘Mijn haan.’

‘Dat gaat toch geen vaste naam worden?’

Ze kijkt naar de twee ongeopende pakjes batterijen op tafel.

‘Misschien.’

Een paar minuten zitten ze zwijgend onder het afdak. Vanuit de dorpswinkel klinkt Pins lach opnieuw. De Buitenstaander voelt heel even de neiging om te kijken.

Hij doet het niet.

Mali wel.

Daarna kijkt ze naar hem.

En begint te lachen.

Wordt vervolgd.

Over deze blogger

De buitenstaander
De Buitenstaander, geboren in 1961 in Kortrijk (BE), schrijft over zijn observaties en het leven in een dorpje op het Thaise platteland, waar hij woont met zijn lief Mali.

Laat een reactie achter