De Buitenstaander – Even alleen zijn

Om kwart over twee draagt De Buitenstaander een plastic stoel naar de achterkant van de woonst, zet hem onder de tamarindeboom en neemt een boek mee. Geen telefoon. Geen koffie. Geen gereedschapskoffer waaruit vanzelf klusjes lijken te kruipen. Alleen een boek en de stille hoop dat niemand hem het komende uur nodig heeft.
De hitte ligt zwaar over het erf. Ginds boven de rijstvelden trilt de lucht, een hond slaapt onder een aanhangwagen en ergens tikt een hak tegen droge aarde. Achter het huis is het zowaar rustig. De Buitenstaander gaat zitten, slaat zijn boek open en leest drie bladzijden zonder gestoord te worden. Dat is hier ongeveer een persoonlijk record.
Op bladzijde vier verschijnt Tante Noi. Ze komt langs het zijpad met een plastic zak mango’s in haar hand, ziet hem alleen zitten en vertraagt. Eerst vraagt ze waar Mali is. Daarna of hij kwaad is. De Buitenstaander antwoordt neen, houdt zijn boek omhoog en legt uit dat hij gewoon wil lezen. Tante Noi knikt alsof ze hem begrijpt, trekt een tweede stoel onder het afdak vandaan en gaat naast hem zitten. Ze zegt verder niets. Dat is nog het vreemde. Ze is niet gekomen om te praten, maar om ervoor te zorgen dat hij niet alleen hoeft te zijn. Na enkele minuten pelt ze een mango, snijdt er een stuk af met haar mes en legt dat zonder te vragen op zijn boek.
Tien minuten later komt oom Prasert voorbij op zijn bromfiets. Hij ziet Tante Noi zitten, ziet De Buitenstaander met een boek op schoot en concludeert blijkbaar dat hier iets aan de hand is. De bromfiets wordt tegen een boom gezet. Prasert neemt plaats, informeert kort of alles goed is en krijgt van Tante Noi een samenvatting waarin het woord boos minstens tweemaal voorkomt. De Buitenstaander ontkent opnieuw. Hij wil niet boos zijn. Hij wil niet verdrietig zijn. Hij wil niet verzorgd, afgeleid of bewaakt worden. Hij wil gewoon een halfuur waarin niemand iets van hem verlangt. Wanneer hij dat probeert uit te leggen, kijken Tante Noi en Prasert hem aan alsof hij een tamelijk ingewikkelde medische aandoening beschrijft. Prasert stelt voor te blijven. Veel soelaas brengt dat niet.
De Buitenstaander probeert verder te lezen, maar merkt dat hij dezelfde alinea voor de vijfde keer bekijkt. Er zit nu mango op bladzijde drieënveertig. Prasert heeft intussen zijn pet afgenomen en zit zwijgend naar het rijstveld te kijken. Tante Noi jaagt met haar slipper een kip weg. Niemand doet iets verkeerd. Juist daarom wordt zijn ergernis ambetanter. Hij heeft geen geldige reden om boos te worden op mensen die alleen maar aardig proberen te zijn.
Mali verschijnt in de achterdeur. Mijn lief overziet het tafereel: haar man met een gesloten boek, twee familieleden ernaast en een bord mango tussen hen in.
‘Ik wilde alleen zijn,’ zegt De Buitenstaander.
Dat klinkt scherper dan hij bedoelt.
Tante Noi kijkt meteen naar Mali. Prasert staat op. Binnen een halve minuut zijn ze weg. Geen discussie, geen beledigde gezichten. Gewoon slippers over beton, een bromfiets die aanslaat en twee lege stoelen onder de boom.
Precies wat hij wilde.
Het voelt ineens niet bijzonder aangenaam.
De Buitenstaander blijft nog tien minuten zitten. Hij leest geen woord. Binnen hoort hij Mali met pannen schuiven. Daarna haar moeder roepen. Mali antwoordt, loopt naar voren, komt terug, zet water op en wordt vrijwel meteen opnieuw geroepen. Een nicht staat bij de poort met een plastic zak. Mali neemt iets aan, zoekt geld in een lade en loopt terug naar de keuken. Nog voor ze haar mes heeft gepakt, roept haar moeder opnieuw, omdat een klant wisselgeld nodig heeft.
De Buitenstaander kijkt vanuit zijn stille plek toe.
Mijn lief krijgt in zeven minuten drie mensen over zich heen.
Niemand vraagt of zij misschien alleen wil zijn.
Wanneer hij naar binnen gaat, staat Mali groene papaja te snijden. Haar bewegingen zijn snel en proper. De vijzel staat klaar met knoflook, chili en limoen. Ze vraagt niet of hij nu voldoende alleen is geweest. Dat maakt hem voorzichtiger dan wanneer ze wel iets had gezegd.
‘Ik was niet boos.’
‘Goed.’
‘Ik wilde gewoon rust.’
Mali knikt en snijdt verder.
De Buitenstaander legt uit dat behoefte aan afzondering niet betekent dat er iets mis is. Sommige mensen lezen graag alleen. Wandelen alleen. Drinken koffie alleen. In Europa betalen mensen zelfs geld om een weekend ergens te zitten waar niemand hen kent.
Mali kijkt op.
‘Waarom betalen?’
‘Dat is niet het belangrijkste.’
Mijn lief pakt de stamper.
‘Altijd zeg jij dat.’
Daar heeft ze een punt.
Hij probeert het anders. Soms wil hij gewoon even zijn hoofd leegmaken. Niet praten. Niet luisteren. Niet beschikbaar zijn.
‘Mooi,’ zegt Mali.
‘Wat?’
‘Jij kan.’
De Buitenstaander begrijpt eerst niet wat ze bedoelt.
‘Jij pakt stoel. Boek. Jij gaat.’
Ze stampt de knoflook fijn.
‘Ik kan niet.’
Hij wil zeggen dat zij natuurlijk ook een stoel kan pakken en ergens gaan zitten. Dan roept haar moeder vanuit de winkel. Mali legt de stamper neer, loopt naar voren en komt terug met een krat frisdrank dat op een andere plaats moet staan. Ze zet het neer, pakt de stamper opnieuw en wordt een halve minuut later door een buurvrouw geroepen die iets wil weten over een ziekenhuisafspraak.
De Buitenstaander houdt zijn mond.
De uitleg komt vanzelf.
Mijn lief hoeft niets meer te zeggen.
Hij helpt met de som tam. Niet omdat Mali dat nodig heeft, maar omdat blijven staan en zijn vrijheid verdedigen ineens wat potsierlijk voelt. Hij pelt knoflook. Zij snijdt tomaten. Af en toe raken hun armen elkaar. De scherpe geur van chili prikt in zijn neus. Mali laat hem proeven en hij hoest meteen.
‘Te scherp.’
‘Beetje.’
‘Jullie misbruiken dat woord.’
Mijn lief glimlacht.
De vrede is nog niet volledig terug. Maar er wordt alweer gegeten.
Later die middag merkt De Buitenstaander dat Mali verdwenen is. Niet in de keuken. Niet bij haar moeder. Niet in de winkel. Haar slippers zijn weg, de bromfiets staat er nog. Hij vraagt niemand waar ze is. Dat zou nogal hypocriet zijn na zijn redevoering over afzondering. Hij gaat zitten, pakt zijn boek en probeert verder te lezen. Na vijf minuten kijkt hij naar de poort. Na tien minuten naar het pad achter het huis. Na een kwartier besluit hij dat het bijna donker wordt.
Niet dat hij haar controleert.
Hij wil alleen weten waar ze is.
Denkt hij.
Achter de bananenbomen loopt een smal pad naar een oude rijstopslag die al jaren niet meer wordt gebruikt. Het houten gebouw staat op palen en helt licht naar links. Eén wand is grijs van de zon, een andere bestaat vooral uit hoop en kromgetrokken planken. Onder het afdak ligt een versleten rieten mat.
Daar zit Mali.
Alleen.
Geen telefoon. Geen mand met groente. Geen werk. Alleen een fles water naast haar en haar rug tegen een houten paal. Voor haar ligt een droog rijstveld, bleek en vlak tot aan de bomen in de verte.
De Buitenstaander blijft op enkele meters staan.
‘Sorry.’
Mali kijkt op.
‘Waarom?’
‘Omdat ik je gevonden heb.’
Een klein glimlachje.
‘Nu niet meer alleen.’
Hij draait zich om.
‘Ik ga wel.’
‘Wacht.’
Ze schuift een stukje op de mat. De Buitenstaander gaat naast haar zitten. Het hout boven hen kraakt zacht in de warmte. Ginds loopt een buffel langs een dijk. Uit het dorp komt het vage geluid van een radio.
‘Kom je hier vaker?’
‘Soms.’
‘Waarom wist ik dat niet?’
Mali kijkt naar het veld.
‘Omdat ik hier kom als ik alleen wil.’
Dat antwoord verdient hij.
Hij knikt.
Dan voegt ze eraan toe:
‘Soms ook als jij te veel bent.’
Dat is minder gezellig.
De Buitenstaander kijkt naar haar.
‘Ik?’
‘Ja.’
Geen uitleg. Geen verzachting.
Daar zit hij dan.
Hij denkt aan zichzelf aan tafel met zijn laptop, zijn vragen, zijn uitleg, zijn behoefte om dingen uit te praten tot iedereen precies begrijpt wat hij bedoelt. Aan hoe hij soms achter Mali aanloopt met een kwestie die zij al heeft losgelaten. Aan hoe hij stilte graag verdedigt zolang het zijn eigen stilte is.
‘Wat doe ik dan?’
Mali trekt één knie op.
‘Praten.’
Hij wacht.
Meer komt er niet.
Dat is voldoende.
‘Ik praat niet zó veel.’
Mijn lief kijkt hem aan.
De Buitenstaander zucht.
‘Goed. Soms.’
Mali glimlacht.
Ze vertelt dat haar vader vroeger ook naar deze plek kwam. Hij rookte één sigaret, keek over het veld en ging daarna terug. Niemand volgde hem. Mali rookt niet. Zij neemt water mee. Soms zit ze hier tien minuten, soms twintig. Lang genoeg om even van niemand dochter, vrouw, nicht, buurvrouw of winkelhulp te hoeven zijn.
De Buitenstaander zegt niets. Deze keer bewust.
Na een tijdje legt Mali haar hoofd tegen zijn schouder.
‘Jij mag ook alleen zijn,’ zegt ze.
‘Dank u.’
‘Maar zeg eerst.’
‘Tegen het hele dorp?’
‘Nee. Tegen mij.’
Dat is redelijk.
Bijna verdacht redelijk.
Ze blijven nog even zitten. Wanneer de zon lager zakt, pakt Mali zijn hand. Geen groot gebaar. Haar vingers zoeken de zijne alsof dat al lang zo hoort.
Op de terugweg komt tante Noi hen tegemoet. Ze kijkt eerst naar Mali, daarna naar De Buitenstaander en begint meteen iets te vragen. Mali antwoordt kort. Tante Noi knikt ernstig en loopt door.
‘Wat zei je?’
‘Dat jij niet boos bent.’
‘Mooi.’
‘Alleen moeilijk.’
De Buitenstaander blijft staan.
Mali loopt verder.
‘Mali?’
Mijn lief kijkt niet om.
De volgende ochtend probeert hij het opnieuw. Hij zet de plastic stoel onder de tamarindeboom, pakt zijn boek en zegt vooraf tegen Mali dat hij een halfuur wil lezen. Alleen. Niet boos. Niet verdrietig. Geen probleem.
Mijn lief knikt.
‘Goed.’
Hij vertrouwt het niet helemaal, maar gaat toch zitten. Vijf minuten later hoort hij voetstappen. Tante Noi verschijnt met een stuk karton in haar hand. Ze zegt niets, bindt het met touw aan de boom en verdwijnt weer.
De Buitenstaander leest wat Mali erop heeft geschreven.
Onder de Thaise tekst staat in blauwe stift:
NOT ANGRY. WANTS QUIET.
Hij kijkt naar de woonst.
Mali staat in de deuropening en steekt haar duim op.
De Buitenstaander opent zijn boek. Aan de overkant stopt Prasert op zijn bromfiets, leest het bord en rijdt zonder af te stappen verder.
Het werkt.
Tien minuten lang is het werkelijk stil.
Dan gaat de stoel naast hem kraken.
Mali komt zitten. Ze heeft geen boek bij zich. Alleen een glas water. De Buitenstaander kijkt naar het bord en vervolgens naar haar.
‘Kun je niet lezen?’
‘Ik ben niet mensen.’
Daar had hij niet van terug.
Mijn lief legt haar hoofd tegen zijn schouder en sluit haar ogen. De Buitenstaander probeert verder te lezen. Na één bladzijde zakt haar hoofd langzaam tegen zijn borst.
Hij kijkt naar zijn boek.
Dan naar Mali.
Daarna slaat hij de bladzijde om zonder iets gelezen te hebben.
Ginds roept Tante Noi vanaf de weg iets naar hem.
De Buitenstaander kijkt naar het bord.
Tante Noi wijst ernaar en roept nogmaals.
Mali opent één oog.
‘Ze vraagt of stil zijn ook geldt als zij mango brengt.’
De Buitenstaander sluit zijn boek.
‘Hoeveel mango?’
Mali begint te lachen.
Wordt vervolgd.
Over deze blogger
- De Buitenstaander, geboren in 1961 in Kortrijk (BE), schrijft over zijn observaties en het leven in een dorpje op het Thaise platteland, waar hij woont met zijn lief Mali.
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur14 oktober 2026De Buitenstaander – Even alleen zijn
Cultuur29 september 2026De Buitenstaander – Jaloezie bij de dorpswinkel
Cultuur19 september 2026De Buitenstaander en wie beheert het huishoudgeld?
Cultuur7 september 2026De Buitenstaander: de eerste keer alleen thuis

