()

De mortier hield even op. Dat was wat hem deed stilstaan, niet de geur, niet de hitte die om acht uur al in zijn nek kroop, maar het wegvallen van dat geluid. De hele ochtend had hij het pok, pok, pok gehoord zonder het op te merken, zoals je een klok pas hoort als hij stopt. Hij draaide zich om. Achter het kraampje stond een vrouw met de stamper nog in haar hand, ze keek naar hem zoals je naar iets kijkt wat op de verkeerde plek staat.

Wim wist dat hij op de verkeerde plek stond. Hij stond al drie weken overal op de verkeerde plek.

“Som tam?” vroeg ze. Ze wees met de stamper naar de groene reepjes papaja in de vijzel, naar de limoen, de pinda’s, de pepers die hem later de tranen in de ogen zouden jagen. Hij begreep niet wat ze zei, maar hij begreep de vraag, en hij knikte, omdat knikken makkelijker was dan iets anders.

Ze maakte de salade af. Pok, pok, pok. Ze ging weer door alsof hij er niet stond, en daar was hij dankbaar voor. In de drie weken dat hij in Udon Thani was, had iedereen hem aangekeken: de mannen in de bar bij zijn hotel die meteen wisten hoe laat het was, de jonge vrouwen die hem glimlachjes toewierpen waar hij niets mee kon. Deze vrouw keek alleen even op om te zien of hij nog leefde, en boog zich dan weer over haar werk. Veertig baht. Hij gaf haar een briefje van honderd en kreeg het wisselgeld in een hand die ruw was van het schillen en pellen, jaren van schillen en pellen.

Die eerste keer brandden de pepers zo hevig dat hij op een bankje moest gaan zitten met tranende ogen, en hij dacht: Riek had dit prachtig gevonden. Ze had hem uitgelachen. Daar zit je dan, ouwe, met je rooie kop in de tropen. Hij hoorde haar stem zo helder dat hij even rondkeek of ze er was.

Ze was er niet. Ze was er al veertien maanden niet meer.

Hij was naar Thailand gegaan, omdat het huis in Deventer te stil was geworden. Niet leeg, dat was het probleem juist niet. Het huis stond nog vol met haar: haar leesbril op de vensterbank, haar handschrift op de briefjes in de keukenla, de geur van haar in de kast die hij niet open durfde te doen. Zijn dochter had gezegd dat hij eropuit moest, dat papa niet weg kon kwijnen tussen de spullen van mama. Thailand was Rieks droom geweest, niet de zijne. Ze hadden de reis vier keer geboekt en vier keer uitgesteld, eerst voor het werk, toen voor de kleinkinderen, toen voor de ziekte die geen uitstel duldde.

Dus nu deed hij de reis alleen, een beetje uit koppigheid, een beetje als boetedoening.

De tweede ochtend ging hij terug naar de markt. Hij zei tegen zichzelf dat het om de koffie ging, dat er een tentje was waar ze hem sterk en zoet zetten zoals hij het lekker vond. Maar zijn voeten brachten hem naar de mortier, de vrouw keek op, deze keer was er iets in haar gezicht wat de dag ervoor er niet was geweest. Geen glimlach. Eerdere herkenning.

“Mai phet,” zei ze langzaam, en ze wees naar de pepers en schudde haar hoofd. Niet scherp. Ze had onthouden dat hij gehuild had.

Zo begon het. Niet met een blik over een vol terras, niet met muziek of wijn. Het begon met een vrouw die de pepers wegliet voor een man die het niet kon hebben.

Ze heette Pensri, maar iedereen noemde haar Noi, het duurde weken voor hij dat begreep, want hij had geen idee dat Thaise namen zo werkten. Ze was tweeënvijftig, al gokte hij eerst jonger. Haar man was acht jaar geleden gestorven aan iets met zijn lever, waar ze met haar handen een gebaar bij maakte dat genoeg zei. Ze had een dochter die in Bangkok in een fabriek werkte en een kleinzoon van zes die bij Noi woonde, omdat dat hier zo ging: de jongen sliep bij oma, terwijl de moeder geld verdiende dat ze elke maand opstuurde.

Dit alles kwam er stukje bij beetje uit, met handen, met een vertaalapp op zijn telefoon die de gekste dingen maakte, met tekeningen op een servet. Ze lachten veel om de app. Toen hij intikte dat hij weduwnaar was, vertaalde het ding iets onbegrijpelijks. Ze keek naar het schermpje en toen naar hem. Ze legde heel even haar hand op zijn pols. Koel, droog, een fractie van een seconde. Toen pakte ze de stamper weer op.

Hij at elke ochtend bij haar. Hij leerde de namen van de gerechten, hij leerde dat khao niao kleefrijst was die je met je vingers tot balletjes rolde, hij leerde dat de hond onder haar kraampje Daeng heette en altijd honger had. Hij hielp op een dag de zware bak met ijs aan de kant te schuiven. Zij liet hem, de andere marktvrouwen riepen iets en lachten, Noi riep iets terug en lachte ook, hij voelde zich voor het eerst in maanden geen toerist.

Hij was bang om de oude dwaas te worden. Hij kende het type, hij had ze gezien bij de bar, de gepensioneerde mannen met hun veel te jonge gezelschap en hun veel te luide stem, mannen die dachten dat geld iets kon kopen wat geen geld kost. Hij dacht: als ik begin met betalen, als ik begin met cadeaus, dan ben ik er één van hen. Dan is het niet echt.

Dus betaalde hij gewoon zijn veertig baht, niets meer. Hij merkte dat juist dat haar rust gaf. Andere mannen waren langsgekomen dat begreep hij wel. Mannen die meteen een telefoon wilden kopen, een gouden kettinkje, een nieuwe scooter, en die daarna iets terug verwachtten waar zij niet over had hoeven nadenken. Noi vroeg nooit iets. Noi wantrouwde alles wat te snel ging.

Op een middag in november, toen de hitte eindelijk brak en de ochtenden koel genoeg werden om een vest aan te trekken, werd de kleinzoon ziek. Koorts, de hele nacht. Wim hoorde het pas de volgende dag, toen het kraampje dichtbleef en hij navraag deed bij de buurvrouw met de gegrilde kip. Hij ging niet naar het ziekenhuis. Hij wist niet of dat mocht, of het gepast was, of zij het wilde. Maar hij kocht bij de apotheek een doos van de koortsremmer waar de vrouw achter de toonbank naar wees toen hij “kind” en “koorts” intikte. Hij legde die de volgende ochtend bij het gesloten kraampje neer met een briefje dat de app vast verkeerd vertaalde.

Toen ze twee dagen later weer open was, zei ze niets over het doosje. Maar ze zette een kom soep voor hem neer die niet op de kaart stond. Ze bleef staan tot hij de eerste hap had genomen.

Eind november, bij volle maan, dreven ze samen iets weg op het water.

Hij had nog nooit van het feest gehoord. Noi nam hem mee naar het park bij het grote meer, waar honderden mensen langs de oever stonden met kleine vlotjes van bananenblad, versierd met bloemen en een kaarsje en een wierookstokje. Je zette je Krathong op het water, legde hem uit met handen en woorden en de app, je liet er iets mee weggaan. Het oude jaar. Het ongeluk. Het verdriet. Je deed er een muntje in, een haar van je hoofd en je liet het los.

De kleinzoon hield zijn vlotje met twee handen vast, alsof het zou ontsnappen. Noi knielde bij het water, haar gezicht oranje in het kaarslicht. Ze fluisterde iets wat hij niet verstond en ook niet hoefde te verstaan. Wim kreeg zijn eigen Krathong in handen geduwd. Hij bleef er even mee staan, dom, een grote man met een bloemenvlotje aan de rand van een Thais meer.

Toen knielde hij ook. Het water was koud aan zijn vingers. Hij dacht aan Riek, aan de vier keer dat ze deze reis hadden uitgesteld, aan de kast in Deventer die hij nooit open had durven doen. Hij dacht: ik heb je niet hierheen gebracht. Het spijt me. En toen, voorzichtig, alsof hij iets brak wat hij niet meer kon lijmen: ik denk dat ik weer mag.

Hij liet het vlotje los. Het draaide even rond, vond de stroming en dreef weg tussen de honderden andere lichtjes, tot hij niet meer wist welke de zijne was geweest.

Naast hem stond Noi op en veegde ze haar handen af aan haar rok. Ze keek niet naar hem, ze keek het water op. In het donker zocht haar hand de zijne en hield die vast. Niet hard. Gewoon vast. De kleinzoon trok aan haar andere hand en wees naar iets. Ze antwoordde hem: het leven ging gewoon door zoals het leven doet.

Maanden later, op een gewone ochtend, stond Wim achter het kraampje en probeerde hij kleefrijst tot een balletje te rollen zoals zij het deed, en het lukte niet; het plakte aan al zijn vingers tegelijk. Noi keek toe met haar armen over elkaar en zei iets tegen de buurvrouw. Ze lachten allebei; de hond Daeng keek hoopvol omhoog of er iets viel.

Hij was nog steeds een vreemde hier. Hij zou de taal nooit goed leren; hij zou altijd de man blijven die te groot was voor de plastic krukjes en te bleek voor de zon. Maar hij stond ergens. Hij stond niet meer overal op de verkeerde plek.

De mortier begon weer. Pok, pok, pok. Hij rolde nog een balletje, gooide het naar de hond en miste.

Sommige liefdes komen met vlinders en muziek. Andere komen met een kom soep die niet op de kaart staat, een hand die je in het donker vasthoudt zonder iets te vragen. Wim leerde dat je het ene verlies niet hoeft weg te stoppen om opnieuw te mogen beginnen. Je laat het los, je blijft staan.

Hoe leuk of nuttig was deze posting?

Klik op een ster om deze te beoordelen!

Gemiddelde waardering / 5. Stemtelling:

Tot nu toe geen stemmen! Wees de eerste die dit bericht waardeert.

Omdat je dit bericht nuttig vond...

Volg ons op sociale media!

Het spijt ons dat dit bericht niet nuttig voor je was!

Laten we dit bericht verbeteren!

Vertel ons hoe we dit bericht kunnen verbeteren?

Over deze blogger

Thailandblogger

Laat een reactie achter