De Stille Vennoot – De Grens van de Kaart (deel 4)

Door Hans Vredevoort
Geplaatst in Cultuur, Korte verhalen
2 oktober 2026

Wim pakte de pen niet op. Pong zette het geluid van zijn telefoon weer aan; het blikkerige gejoel van een commentator vulde de kamer, maar zijn ogen bleven op Wims gezicht gericht. De houding van een gokker die zijn hoogste kaart al heeft neergelegd en nu alleen nog kan wachten.

“Morgenochtend acht uur teken je,” zei Daao. Haar stem bleef eentonig, alsof ze de bezorging van een gasfles regelde. “Negen uur de financier in de stad. Overmorgen de Amphoe. Daarna Immigration.”

Wim knikte eenmaal. Hij draaide zich om, liep de gang door naar de achterkamer en trok de houten schuifdeur achter zich dicht. Hij moest er twee keer aan trekken; het hout was uitgezet en klemde halverwege.

In het donker knielde hij bij de kledingkast en haalde de leren schoudertas tevoorschijn die daar zeven jaar had gestaan, onder de winterjas die hij nooit meer droeg. De originele afschriften van zijn Rabobank-rekening, per kwartaal gebundeld met een paperclip. De kwitanties van de aannemer uit Nong Han, met zijn kinderlijke handtekening en de duimafdruk van zijn ploegbaas. Het overzicht van de overboekingen naar Daao’s rekening, dat hij destijds had uitgeprint omdat de bank in Utrecht ernaar vroeg.

Op 14 maart, zeven jaar geleden, had hij één komma acht miljoen baht overgemaakt naar Kanchana Phromsorn, met als omschrijving: Investeringskapitaal bouw woonhuis en bungalows Ban Dung. Hij herinnerde zich het typen van die regel. Hij had er lang over gedaan, omdat hij niet wist voor wie hij het opschreef. Het bewijs dat je bewaart zonder te weten waarvoor, is meestal het bewijs dat je op een dag het hardst nodig hebt.

Hij legde de vellen een voor een op het matras, zette de lamp van zijn telefoon aan en fotografeerde ze. Zijn handen trilden bij de eerste drie, en daarna niet meer; er zit een rust in het uitvoeren van een instructie die het nadenken over die instructie nooit geeft. Tweeënveertig foto’s. Hij stuurde ze naar het nummer dat Somchai hem had gegeven, een klerk die Ploy heette, en kreeg binnen een minuut een antwoord van twee woorden en een duim. Ergens in de stad zat een jonge vrouw die hij nooit had ontmoet nu een verzoekschrift over zijn leven te typen. Hij vond dat vreemd geruststellend.

Daarna zat hij op de vloer, zijn rug tegen de onderkant van het matras, en luisterde naar het huis. De televisie in de woonkamer. Het tikken van Daao’s rekenmachine. Het geluid van Pong die de koelkast opentrok en met een blikje weer op de bank viel. De gewone geluiden van een avond, alleen waren ze nu de geluiden van de andere partij.

Hij dacht aan zijn broer in Utrecht, die twee jaar geleden was gestorven, twee weken voordat Wim een vliegticket had kunnen boeken. In het laatste telefoongesprek, met de zuurstofslang in beeld omdat de camera scheef stond, had zijn broer hem gevraagd of het leven in Thailand hem gelukkig maakte. Wim had ja gezegd. Hij had het gemeend, en hij had het gemeend zoals je een formulier invult: het antwoord dat klopte met de rest van de aanvraag. Nu vroeg hij zich af of dat de waarheid was geweest, of alleen het verhaal dat hij al jaren over zichzelf vertelde, aan de bar van het golfclubhuis, aan zijn dochter in Zwolle die twee keer per jaar belde, aan zichzelf.

Er was geen weg terug naar Nederland die enige zin had. Zijn rijtjeshuis was verkocht, zijn pensioen klein en ingecalculeerd op een leven in de Isaan waar een maaltijd vijftig baht kostte. Zijn dochter had een eigen leven en een logeerkamer die geen logeerkamer meer was. De keuze was niet blijven of vertrekken. De keuze was hoe hij hier zou blijven, en onder wiens voorwaarden.

Tegen middernacht ging hij naar de keuken om water te halen. Hij verwachtte niemand. Daao zat er nog, alleen, in het licht van de afzuigkap, met de rekenmachine en drie stapels papier voor zich: de rekeningen van het resort, de brief van het ziekenhuis in Udon met het logo bovenaan, en een velletje uit een schoolschrift met haar eigen kolommen erop. Ze had haar bril op, de leesbril die ze alleen droeg als niemand keek. Pong lag op de bank te slapen met zijn mond open.

Ze keek op en zette de bril niet af. Ze zei niets, en hij zei niets, en een ogenblik lang stonden ze tegenover elkaar zoals ze negen jaar geleden tegenover elkaar hadden gestaan in de keuken in Utrecht: twee mensen die de taal van de ander niet spraken en het toch probeerden. Toen schoof ze het schoolschriftvel onder de andere stapel, langzaam, zoals je een kaart afdekt.

“Ga slapen, Wim,” zei ze. “Morgen is lang.”

Hij nam het glas water mee naar de achterkamer en dronk het niet op. Het stond er de volgende ochtend nog, met een verdronken mug erin.

Om twee uur ’s nachts gleed de deur een paar centimeter open, met het schurende geluid dat hij zo goed kende. Mork stond in de opening, in een verbleekt shirt van een Noorse voetbalclub, blauw met een witte kraag, veel te groot, ooit van zijn vader geweest. Het enige wat de man had achtergelaten.

“Je gaat weg, hè,” zei hij, in het Engels, de taal waarin hij het gemakkelijkst zijn moeder omzeilde.

“Dat hangt van morgenochtend af.”

Mork leunde tegen de deurstijl en keek naar de afschriften op het matras. Hij vroeg niet wat het was. “Pong heeft gisteravond de gokman gebeld,” zei hij. “Ze willen het resort verkopen zodra de papieren van het bedrijf in orde zijn. Er is een Chinese koper die grond zoekt langs de weg naar Nong Khai. Voor een parkeerterrein. Toerbussen.”

“Hoe weet je dat?”

“Pong laat mij spelletjes doen op zijn telefoon. Hij denkt dat ik alleen naar de spelletjes kijk.” Mork haalde zijn schouders op. “Zijn code is zijn geboortejaar.”

“Een Chinees bedrijf.”

“Ze willen de bungalows slopen. Daao zegt tegen Pong dat jouw verlenging bijna afloopt en dat ze je niet meer gaat helpen. Ze hebben de Chinese koper al om een voorschot gevraagd. Driehonderdduizend. Dat heeft Pong doorgestuurd naar de financier, omdat de financier begon te bellen.”

Het ging dus niet om een auto en niet om een lening. Ze rekenden erop dat hij over vier weken zijn stempel kwijt zou raken en daarmee zijn stem, zijn adres, zijn bestaan als partij. Een man zonder stempel is voor een familie als deze geen probleem meer. Hij is gewoon weg.

“Waarom vertel je me dit, Mork?”

De jongen keek naar zijn blote voeten. “Omdat ik dan moet verhuizen als jij weggaat. Pong wil mijn kamer voor zijn vrienden uit Bangkok. En Daao zegt dat ik naar de kostschool in Nong Khai moet. Die van de monniken.” Hij trok aan de zoom van het shirt. “Ik heb de club opgezocht. Van het shirt. Het is een kleine club, in het noorden van Noorwegen. Ze hebben een pagina met oude teams.”

“En?”

“Hij staat erop. Mijn vader. Met zijn broer. Er stond een naam bij. Einar.” Mork zei het zonder enige nadruk, alsof hij een uitslag van een wedstrijd doorgaf. “Die broer woont in Thailand. In Loei. Hij heeft een fruitboerderij. Ik heb hem geschreven, in april. Hij heeft geantwoord.”

Wim wist niet wat hij daarop moest zeggen, en zei daarom niets. Hij had de jongen negen jaar aan tafel zien zitten en nooit gevraagd wat hij op die telefoon deed.

“Als je morgen naar de stad rijdt, neem me dan mee,” zei Mork. “Ik wil niet naar die school. Ik vraag niet of ik bij jou mag wonen. Ik vraag alleen een lift.”

“Je moeder laat je niet gaan.”

“Mijn moeder laat mij naar Nong Khai gaan. Dat is verder dan de stad.” Hij zei het zonder bitterheid, als een rekensom. “Ze heeft het al gezegd tegen grootmoeder. Als ze het tegen grootmoeder heeft gezegd, is het besloten.”

“Mork.”

“Je hoeft nu niets te zeggen.” Hij deed een stap achteruit. “Jij zegt nooit iets. Dat is goed. Dat is waarom ik het tegen jou vertel.”

De schuifdeur schoof dicht, en bleef, zoals altijd, een centimeter open staan.

Wim bleef zitten tot het grijs werd achter het gordijn. Om zes uur, het uur waarop hij anders het filter van het zwembad schoonmaakte, stuurde hij Somchai één regel: Alles verstuurd. Dien in zodra de griffie opengaat. Bel me, ook als het nog geen beslissing is. Daarna pakte hij de tas in. De afschriften. Zijn paspoort. De Chanote-kopie. Een schoon overhemd. Het voelde als het inpakken voor een reis waarvan hij de bestemming niet kende, en hij besefte dat dat precies was wat het was.

Toen hij om kwart voor acht de achterdeur opendeed om de tas in de Isuzu te leggen, stond Daao op het terras. Ze was al aangekleed, in de zwarte broek en de witte blouse die ze droeg naar ieder kantoor in dit land, en ze had een kop koffie in haar hand die ze niet dronk.

“De auto staat op naam van het bedrijf, Wim,” zei ze. “Als jij rijdt zonder toestemming, bel ik de politie. Dan mag jij daar uitleggen waarom jij de auto van het bedrijf meeneemt, en waar je heen gaat.”

***
Vorige delen en verhalen kun je vinden op https://www.thailandblog.nl/author/hans/

Over deze blogger

Hans Vredevoort
Hans Vredevoort
Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.

Laat een reactie achter