Het beeld is hardnekkig: schunnige Westerse reisgidsen en brochures zetten Thailand op de kaart als plek voor de blanke man op zoek naar avontuur. Zo ging het niet. De volgorde was omgekeerd. Eerst was er een oorlog die de bordelen bouwde, daarna een regering die van toerisme haar exportproduct maakte, en pas als laatste de gids die het bestaande aanbod in een etalage zette.

De bases van een leger

De eerste Amerikaanse troepen kwamen in april 1961. Tijdens de Vietnamoorlog gebruikte het leger zeven grote bases in Thailand, de meeste in het arme noordoosten: Udorn, Ubon, Korat, Takhli, U-Tapao, Nakhon Phanom en Don Muang. Op aandringen van de Amerikaanse minister van Defensie Robert McNamara steunde Bangkok zeven voorzieningen voor rust en recreatie, het beruchte R&R.

Rond 1969 zaten er ongeveer 49.000 militairen permanent in het land en kwamen er nog eens zo’n 71.000 langs voor verlof. Rond elke basis groeide hetzelfde: restaurants, bars, massagesalons, bordelen. De soldaten noemden hun verlof zelf “I&I”, wat netter klinkt dan het was. In Bangkok kreeg Patpong vanaf 1968 zijn eerste nachtclubs. Die wijk zou later opduiken in Hollywoodfilms en een James Bond-achtervolging.

De bars bleven, de toeristen kwamen

Toen de oorlog voorbij was, gaf de Thaise regering opdracht dat de Amerikanen uiterlijk in 1976 weg moesten. De klanten verdwenen, de infrastructuur niet.

Vanaf 1975 verschoof Thailand zijn koers naar toerisme als bron van deviezen, mede op advies van de Wereldbank. Let op wat dat wel en niet betekent: de bank duwde richting massatoerisme, niet richting prostitutie. Maar het sekscircuit reed mee. Toerisme groeide uit tot de grootste bron van buitenlandse inkomsten, en de bars die voor Amerikaanse soldaten waren gebouwd, bedienden nu Duitsers, Zwitsers, Australiërs en Japanners.

Een minister vraagt erom

Dat dit geen ongelukje was, blijkt uit de politiek zelf. In 1980 sprak vicepremier Boonchu Rojanastien de provinciegouverneurs toe. Zijn woorden, sindsdien eindeloos aangehaald in wetenschappelijk werk:

“Wij hebben geld nodig. Daarom vraag ik alle gouverneurs om te kijken naar het natuurschoon in uw provincies, samen met bepaalde vormen van vermaak die sommigen van u weerzinwekkend en schandelijk zouden vinden, omdat het vormen van seksueel vermaak zijn die toeristen aantrekken.”

Een minister die zijn bestuurders vraagt om, ondanks hun eigen weerzin, seks te ontwikkelen voor de handelsbalans. Duidelijker dan dit wordt beleid zelden.

Toen pas de gids

En de reisgids? Die kwam laat, en zelden als apart mannenboekje. De sterkste studie hierover, Night Market van Ryan Bishop en Lillian Robinson uit 1998, gaat niet over een verboden gidsje maar over gewone reisgidsen en reisreportages. Hun punt: de seksuele belofte zat in doodnormaal reisproza, in de manier waarop het nachtleven en de “beschikbare” Thaise vrouw tot bezienswaardigheid werden gemaakt. Geen achterkamertje, maar de mainstream.

Daarnaast verkochten vooral Duitse en Zwitserse touroperators in de jaren 70 en 80 Aziatische vrouwen als product, exotisch en volgzaam. En er was de film. Emmanuelle uit 1974, grotendeels in Bangkok gedraaid, werd een internationaal kassucces en zette het beeld van de stad als erotisch paradijs vast in het Europese hoofd. Voor de beeldvorming bij Europese mannen woog die film waarschijnlijk zwaarder dan welke gedrukte gids ook.

Wrang detail: de man die Thailand voor rugzaktoeristen in kaart bracht, Joe Cummings van de eerste Lonely Planet, kwam in 1977 naar Bangkok om meditatie te studeren bij een monnik. Zijn gids ging niet over bars. Het beeld van de mannenbestemming en het echte reizigersland liepen van meet af aan door elkaar.

Voor de gemiddelde Thailandganger van boven de vijftig is dit deels de eigen geschiedenis. Wie het verhaal kent, ziet dat de gids nooit de bouwer was. Hij was de etalage. Het bouwwerk stond er al, opgetrokken door een leger en overgenomen door een regering die het geld goed kon gebruiken.

Bron: Ryan Bishop en Lillian Robinson, Night Market (1998); Truong Thanh-Dam, Sex, Money and Morality (1990); Yale GLC; Kyoto Review of Southeast Asia; IAFOR Journal of Cultural Studies

Over deze blogger

Redactie
Redactie
Dit artikel is geschreven en gecontroleerd door de redactie. De inhoud is gebaseerd op persoonlijke ervaringen, meningen en eigen onderzoek van de auteur. Waar relevant, is er gebruikgemaakt van AI als hulpmiddel bij het schrijven en structureren van teksten. Wij genereren soms ook foto's met AI. Hoewel er zorgvuldig wordt omgegaan met de inhoud, kan niet worden gegarandeerd dat alle informatie volledig, actueel of foutloos is.
De lezer is zelf verantwoordelijk voor het gebruik van de informatie op deze website. De auteur aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade of gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van de geboden informatie.

1 reactie op “Niet een reisgids maar een oorlog maakte Thailand tot mannenbestemming”

  1. Sjaak S zegt op

    Toen ik voor het eerst in Zuidoost Azië kwam wist ik niet eens dat zoiets bestond. Ik was toen 22 jaar jong in 1980. In Indonesië kwam ik in Sumatra een Canadees tegen die me over de bars in Bangkok vertelde. Het klonk toen al ongelooflijk.
    Ik was jong en nieuwsgierig en toen ik dan na twee maanden richting Bangkok vertrok, wilde ik dat ook meemaken. Sinds 1980 tot 2012 kwam ik veel in Bangkok vanwege mijn werk, maar in de eerste dagen in 1980 was het nog het mooiste. Je zag nauwelijks westerse toeristen. Ze waren er wel, maar niet in de massa’s zoals vandaag de dag.
    Nou zal je mij niet zo snel in Patpong of Soy Cowboy zien lopen, maar ik heb wel van die tijd mooie heinneringen.

    0

Laat een reactie achter