
Om acht minuten over acht zet De Buitenstaander zijn blote linkervoet in de kippenstront.
Niet ernaast. Niet met twee tenen aan de rand. Vol erin.
De substantie is nog vers en verrassend warm. Ze dringt tussen zijn tenen vooraleer hij begrijpt wat er gebeurt. Zijn rechtervoet staat intussen op drie scherpe steentjes die zich met grote overtuiging in zijn voetzool boren. Hij probeert zijn gewicht te verplaatsen, ontdekt wat er onder zijn linkervoet zit en springt zonder nadenken naar voren.
Daar begint het beton.
De zon staat nog niet eens halverwege de hemel, doch de plaat voor de winkel heeft de hitte al opgeslagen. De Buitenstaander landt met beide voeten op het gloeiende oppervlak, blijft een fractie van een seconde staan en huppelt vervolgens verder alsof iemand achter hem met een stok naar zijn enkels slaat.
‘Verdomme. Verdomme. Verdomme.’
Bij de waterkruik staat Mali met een plastic kom in haar hand.
Mijn lief kijkt naar hem. Daarna naar zijn voeten. Dan opnieuw naar zijn gezicht.
Aan haar voeten zitten zijn slippers.
De Buitenstaander blijft staan op een smalle strook schaduw naast de woonst. Zijn linkervoet ruikt naar kip. Zijn rechtervoet voelt alsof er een punaise in zit. Het beton brandt nog na in zijn voetzolen. Vanuit de winkel kijkt Mali’s moeder over een krat frisdrank heen. Tante Noi zit aan de tafel sperziebonen te breken, of kousenband, zoals hij inmiddels gecorrigeerd is. Een jongetje met een voetbaltrui houdt op met kauwen.
Het erf wacht.
‘Waarom heb jij mijn slippers aan?’ vraagt De Buitenstaander.
Mali kijkt omlaag, alsof ze de blauwe rubberen gevallen nu voor het eerst opmerkt.
‘Mijn kapot.’
Ze steekt één voet een beetje op. Zijn slipper hangt er ruim omheen. Haar tenen komen nauwelijks halverwege. Bij iedere stap moet ze het ding met haar voet meeslepen.
‘En waar zijn jouw slippers?’
Mijn lief wijst met haar kin naar de mangoboom. Onder een plastic stoel ligt één rode damesslipper met een afgescheurde band. De andere is nergens te zien.
‘Je had mij wakker kunnen maken.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik nu op blote voeten buiten sta.’
‘Ja.’
‘In kippenstront.’
Mali kijkt naar zijn linkervoet.
‘Ook ja.’
Achter de tafel proest het jongetje. Tante Noi zegt iets, waarna Mali’s moeder begint te lachen. De Buitenstaander verstaat alleen het woord farang en de rest kan hij zelf wel aanvullen. De buitenlander is nog geen twee dagen in het dorp en heeft zijn eerste ochtend reeds met zijn voet in de mest gezet.
Dat nieuws haalt vermoedelijk de hoofdweg voor negen uur.
‘Geef mij één slipper,’ zegt hij.
Mali schuift haar rechtervoet uit zijn slipper en duwt die met haar tenen naar hem toe. De Buitenstaander kijkt naar het schoeisel. Daarna naar de afstand tussen hem en de slipper: twee meter gloeiend beton.
‘Breng hem even.’
‘Voeten vuil.’
‘Mijn voeten zijn ook vuil.’
‘Daarom.’
Mijn lief neemt een slok water.
Hij had er schoon genoeg van. Voorzichtig zet hij één voet op het beton. Meteen trekt de hitte door zijn voetzool. Hij neemt drie snelle passen, stapt in de slipper en blijft met zijn andere voet in de lucht staan. Het resultaat is niet waardig. Een volwassen man van behoorlijke omvang, balancerend op een blauwe slipper, terwijl een volledig erf toekijkt hoe kippenstront langzaam langs zijn hiel loopt.
‘Andere ook,’ zegt hij.
‘Dan ik geen.’
‘Jij kunt hier op blote voeten lopen.’
‘Jij ook.’
‘Blijkbaar niet.’
Mali glimlacht. Geen brede lach. Alleen dat kleine trekje rond haar mond waarmee ze hem laat weten dat zijn miserie haar niet geheel onwelgevallig is.
Ze komt naar hem toe, trekt zijn vrije arm over haar schouder en zet haar blote voet naast de zijne op het beton. Ze verroert geen spier. Haar voetzool is donkerder en steviger, met een smal wit litteken onder haar kleine teen. De Buitenstaander kijkt eerst naar haar voet, daarna naar haar gezicht.
‘Voel jij dat niet?’
‘Wat?’
‘De hitte.’
‘Beetje.’
‘Dit is geen beetje. Dit is een bakplaat.’
Mijn lief schuift de tweede slipper uit en laat hem voor zijn andere voet vallen.
‘Farang voeten zacht.’
‘Mijn voeten zijn beschaafd.’
‘Zacht.’
De Buitenstaander steekt zijn voeten in beide slippers. Mali blijft blootvoets achter. Ze draait zich om en loopt zonder haast over het hete beton, langs de scherpe steentjes en door het vochtige zand naast de keuken. Alsof de grond haar herkent en aan de kant gaat.
Hij kijkt haar na. De losse haren in haar nek bewegen mee met haar stappen. Ze draagt een dun katoenen hemd en een zwarte korte broek. Op haar kuit zit een spat modder. Hij weet niet waarom juist dat detail hem treft. Misschien omdat ze hier anders beweegt dan in de stad. Minder voorzichtig. Minder zichtbaar bezig met hoe anderen haar zien. Ze loopt over het erf zoals iemand door haar eigen herinneringen loopt, zonder telkens te controleren waar ze haar voeten neerzet.
Een schreeuw vanaf de weg breekt zijn gedachte af.
Niet het gewone roepen waarmee men hier een buurman, kind of hond aanspreekt. Ditmaal klinkt er paniek in. Een vrouw roept opnieuw. Daarna volgt het zware gebonk van iets dat tegen hout of metaal slaat.
Mali zet de kom neer.
‘Khwai,’ zegt ze.
Buffel.
Ze rent naar de weg.
De Buitenstaander volgt haar, aanvankelijk omdat iedereen dat doet. Mali’s moeder komt achter de frisdrankkratten vandaan. Tante Noi laat haar bonen liggen. Het jongetje in het voetbalshirt schiet voorbij alsof hij voor dit soort voorvallen voortdurend op reserve staat. Zelfs de buurvrouw met de bezem verschijnt aan haar poort.
De Buitenstaander komt drie passen ver en verliest zijn rechter slipper. Hij draait zich om, steekt zijn voet terug in het rubber en haast zich verder. Mali is al bij de smalle afwateringsgreppel langs de weg. Daar staan twee mannen en een kleine kromme vrouw die hij nog niet kent. De vrouw slaat met beide handen tegen haar bovenbenen en praat zo snel dat zelfs Mali haar moet onderbreken.
In de greppel ligt een jonge waterbuffel.
Het dier is door de zachte rand gezakt en half in de modder terechtgekomen. Zijn achterpoten liggen dieper dan zijn voorpoten. Eén flank drukt tegen een betonnen afvoerbuis, de kop steekt schuin omhoog. Telkens wanneer het probeert overeind te komen, glijden de hoeven weg en klapt het lichaam opnieuw tegen de wand. Modder spat over het gras. De ogen van het dier zijn groot en wit aan de randen.
Aan de overzijde staat de moederbuffel.
Dat vermoedt De Buitenstaander althans. Het is een donkere, brede massa met hoorns en een touw om de nek. Ze trekt aan een houten paal waaraan het touw haastig is vastgemaakt. De paal beweegt.
‘Is dat wel stevig genoeg?’ vraagt hij.
Niemand antwoordt.
Een magere man in een groen voetbalshirt klimt in de greppel en probeert een touw onder de buik van het jonge dier te krijgen. De buffel schopt. De man springt achteruit, glijdt uit en belandt met één knie in de modder. Langs de weg wordt gelachen, alhoewel het dier nog altijd vastzit. Dat is hier geen gebrek aan medeleven, begint De Buitenstaander te begrijpen. Lachen is eerder het geluid dat mensen maken wanneer het leven opnieuw ingewikkelder blijkt dan voorzien.
Mali wijst naar een opgerolde blauwe waterslang op het erf van de buurvrouw.
‘Halen.’
‘De slang?’
‘Neen. Dik touw. Naast.’
Ginds ligt inderdaad een stuk geel nylon touw. De Buitenstaander haalt het en geeft het aan haar. Mali trekt eraan, bekijkt de rafelige uiteinden en schudt haar hoofd. Daarna loopt ze naar haar moeders winkel en komt terug met het rode koord van zijn deurbel.
De Buitenstaander kijkt ernaar.
‘Dat meen je niet.’
‘Sterk.’
‘Dat koord is voor een bel.’
‘Geen bel meer.’
Dat klopt. Sinds de kinderen het ding gisteren hadden ontdekt, ligt het messing belletje in zijn gereedschapskoffer. Het rode koord was blijven hangen, omdat hij nog geen goesting had gehad om het haakje los te schroeven.
Mali knoopt het koord aan het dikkere touw en maakt er een lus van. Ze werkt snel, met korte bewegingen. De Buitenstaander wil zeggen dat zo’n dun koord nooit een buffel houdt, doch ziet dan dat het alleen dient om het zware touw onder de buik door te trekken.
Mijn lief kijkt hem aan.
‘Jij lang armen.’
Daar had hij al voor gevreesd.
‘Hoe diep is dat?’
Mali kijkt in de greppel.
‘Niet diep.’
De Buitenstaander kijkt eveneens. De modder komt bij de man in het voetbalshirt tot halverwege zijn kuiten. Het buffeljong ligt daarentegen bijna tot zijn buik in de zwarte smurrie.
‘Wat zit er onder de modder?’
‘Meer modder.’
‘Stenen?’
‘Misschien.’
‘Glas?’
‘Misschien.’
‘Slangen?’
Mali denkt even na.
‘Misschien.’
Veel soelaas brengt dat niet.
Hij trekt de slippers uit. Niet omdat hij plotseling vertrouwen heeft gekregen in zijn zachte, beschaafde voeten, maar omdat hij ziet hoe de modder zuigt aan de slippers van de andere man. Eén stap en hij is ze kwijt. Hij legt ze in het gras, rolt zijn broekspijpen omhoog en daalt af in de greppel.
De eerste stap is koud.
De tweede zakt dieper dan verwacht. Modder dringt tussen zijn tenen, langs zijn enkels en tot boven de rand van zijn opgerolde broek. Er zit iets hards onder zijn hiel. Een steen, hoopt hij. Hij verplaatst zijn gewicht en voelt een scherpe rand langs zijn voetzool gaan.
‘Voorzichtig,’ zegt Mali.
‘Dat had ge eerder mogen zeggen.’
‘Ik zeg nu.’
Ze hurkt aan de rand van de greppel en reikt hem het dunne rode koord aan. De Buitenstaander buigt voorover. Het jonge dier ruikt naar natte huid, aarde en angst. De buffel ademt snel. Uit zijn neusgaten komen kleine bellen van modderig slijm. Wanneer De Buitenstaander dichterbij komt, gooit het dier zijn kop omhoog.
Een hoorn schampt langs zijn arm.
Hij deinst terug.
‘Jai yen,’ zegt Mali.
Rustig hart.
‘Zeg dat tegen de buffel.’
Mijn lief praat zacht tegen het dier. Geen lieve woordjes zoals hij die tegen een hond zou gebruiken, maar korte, lage klanken. De buffel blijft hijgen, doch beweegt zijn kop minder wild. De Buitenstaander steekt zijn arm onder de buik. De modder sluit zich rond zijn hand. Hij voelt de warme huid, de ribben en het touw dat de man aan de andere kant naar hem toe duwt.
‘Verder,’ zegt Mali.
‘Mijn arm kan niet verder.’
‘Beetje.’
‘Mijn schouder zit tegen de buffel.’
‘Beetje meer.’
Hij duwt door. Zijn wang komt haast tegen de modderige flank. Het dier beweegt. De Buitenstaander glijdt met zijn linkervoet weg en landt op één knie.
Boven hem klinkt gelach.
Hij kijkt op. Langs de weg staan inmiddels vijftien mensen. Sommigen zijn er op de bromfiets bij gekomen. Een oude man houdt een paraplu boven zijn hoofd, hoewel het niet regent. Het schoolmeisje uit de woonst filmt met haar telefoon.
‘Niet filmen!’ roept De Buitenstaander.
Het meisje houdt de telefoon iets lager.
De camera blijft duidelijk aan.
Mali trekt aan het rode koord. De Buitenstaander krijgt het dikkere touw te pakken en duwt het verder onder de buik van de buffel. De man aan de andere kant vangt het op. Samen trekken ze het touw omhoog, tot het als een brede lus onder het dier ligt.
‘Nu eruit,’ zegt Mali.
Dat klinkt aantrekkelijk.
De Buitenstaander probeert zijn knie uit de modder te krijgen. De greppel laat niet los. Hij trekt harder. Zijn voet schiet plotseling vrij, maar blijft ergens achter haken. Hij voelt een korte, scherpe pijn onder zijn grote teen.
‘Au.’
Mali kijkt onmiddellijk naar beneden.
‘Wat?’
‘Niets.’
‘Je zegt au.’
‘Een klein steentje.’
‘Bloed?’
‘Ik sta in bruine modder. Hoe moet ik dat zien?’
Mijn lief reikt hem haar hand. De Buitenstaander pakt haar pols, zet zijn andere hand tegen de betonnen rand en trekt zich omhoog. Mali is lichter dan hij, doch staat stevig. Haar blote voeten bewegen niet. Een van de mannen grijpt hem bij zijn broekriem en helpt mee. Met een zuigend geluid komt De Buitenstaander uit de greppel.
Zijn rechtervoet is zwart van de modder. Aan de onderkant loopt een dun rood streepje naar zijn hiel.
Mali ziet het.
‘Bloed.’
‘Een schram.’
‘Bloed.’
‘Dat is hetzelfde, maar dan dramatischer.’
Ze zegt niets. Haar mond wordt smal. Hij kent die blik. Ze is bezorgd en heeft geen goesting om daarover te discussiëren.
Aan de overzijde begint de moederbuffel plotseling te trekken. De houten paal helt naar voren. Een man roept. Iedereen praat tegelijk. Drie mannen pakken het touw rond het jonge dier vast. De Buitenstaander vergeet zijn voet en neemt plaats achter hen. Mali grijpt eveneens het touw.
‘Jij niet,’ zegt hij.
‘Waarom?’
‘Omdat die buffel schopt.’
‘Jij ook hier.’
‘Ik ben groter.’
‘Niet slimmer.’
Dat is een laag uitgedeelde slag, alhoewel niet geheel zonder grond.
Ze trekken.
Het touw spant zich onder de buik van het dier. De jonge buffel probeert op hetzelfde moment overeind te komen, glijdt weg en slaat met zijn voorpoot tegen de wand. Modder vliegt omhoog. Een klodder raakt De Buitenstaander op zijn borst.
‘Nog!’ roept Mali.
De groep trekt opnieuw. De buffel schuift een halve meter naar voren. Zijn voorpoten vinden steviger grond. Het dier duwt, snuift en komt met een schokkende beweging overeind. Even lijkt het alsof alles goed gaat.
Dan breekt de paal van de moederbuffel.
Het geluid is niet luid. Een droge knak. Doch iedereen ziet onmiddellijk wat het betekent.
De grote buffel zet twee stappen naar voren, het touw achter zich aanslepend. Iemand gilt. De mannen laten het trektouw los en springen uiteen. Tante Noi verdwijnt sneller achter een bromfiets dan De Buitenstaander een vrouw van haar leeftijd had zien bewegen.
De Buitenstaander blijft staan.
Niet uit moed.
Zijn linkervoet staat op het losse uiteinde van het touw.
Mali grijpt hem bij zijn hemd en trekt.
Hij komt vrij op het moment dat de moederbuffel langs de rand van de greppel stormt. Niet recht op hem af, blijkt achteraf. Ze wil alleen naar haar jong. Dat onderscheid is op dat moment weinig troostrijk.
De Buitenstaander en Mali vallen samen achter een lage stapel zakken houtskool. Hij landt op zijn zij. Mali komt half boven op hem terecht, één knie tussen zijn benen en haar hand tegen zijn borst. Een wolk zwart stof stijgt op. Vanuit de greppel klinkt het zware snuiven van de buffels. Langs de weg wordt geroepen en gelachen.
‘Alles goed?’ vraagt De Buitenstaander.
Mali kijkt hem aan.
Er zit een zwarte veeg op haar wang. Een lok haar plakt aan haar voorhoofd. Haar gezicht is zo dicht bij het zijne dat hij de kleine gouden spikkels in haar donkere ogen ziet. Haar hand ligt nog altijd op zijn borst. Zijn hart bonst er hard onder, deels door de buffel en deels door iets anders.
‘Jij zwaar,’ zegt ze.
‘Jij ligt bovenop mij.’
‘Daarom.’
Ze probeert overeind te komen, doch haar voet raakt verstrikt in een losse houtskoolzak. Ze valt opnieuw tegen hem aan. De Buitenstaander slaat zijn arm om haar middel om te voorkomen dat ze met haar gezicht in de zwarte rommel terechtkomt.
Ditmaal lacht ze.
Niet haar kleine, ingehouden glimlach. Een echte lach, warm en helder, terwijl achter hen een jonge buffel uit een greppel klimt en het halve dorp aanwijzingen roept die niet meer nodig zijn. De Buitenstaander lacht mee. De spanning verlaat zijn lichaam zo plotseling dat hij even zijn ogen sluit.
Mali veegt met haar duim modder van zijn kin.
‘Mijn held,’ zegt ze.
‘Dat mag luider. Het schoolmeisje filmt.’
Mijn lief kijkt over de houtskoolzakken. Het meisje staat inderdaad nog met haar telefoon omhoog.
‘Zij heeft alles.’
‘Ook wij hier?’
‘Ja.’
‘Dan zijn wij tegen de middag beroemd.’
‘Nu al.’
De Buitenstaander kijkt opnieuw naar Mali. De drukte langs de weg lijkt even verder weg. Hij ruikt houtskool, natte aarde en de zachte citroengeur van de zeep waarmee ze zich die ochtend heeft gewassen. Er zijn momenten waarop hij haar vertrouwd vindt, alsof hij iedere beweging van haar kent. En er zijn ogenblikken zoals dit, waarop ze hem opnieuw verrast: blootvoets, vuil, vastberaden en lachend boven op hem, midden in een dorp dat nergens een deur voor dichtdoet.
Hij raakt met zijn vingers haar wang aan.
‘Ge hebt daar iets.’
‘Waar?’
‘Overal.’
Hij veegt de zwarte streep niet weg. In plaats daarvan trekt hij haar iets dichterbij en kust haar. Eerst kort, omdat er mensen om hen heen staan. Daarna nog eens, iets langer, omdat die mensen toch reeds alles hebben gezien en waarschijnlijk ook zonder bewijs een verhaal zouden verzinnen.
Mali kust hem terug.
Achter de zakken kucht iemand nadrukkelijk.
Tante Noi.
Mijn lief trekt zich los en kijkt over zijn schouder. Tante Noi staat met haar handen in haar zij en zegt iets in het Isaan. Mali antwoordt. Tante Noi schudt haar hoofd, kijkt naar De Buitenstaander en loopt terug naar de weg.
‘Wat zei ze?’ vraagt hij.
Mali staat op en klopt houtskool van haar broek.
‘Buffel vrij. Jullie niet nodig daar.’
‘En verder?’
‘Niets.’
‘Mali.’
Mijn lief steekt haar hand naar hem uit.
‘Zij zegt jij snel leert dorpsleven.’
De Buitenstaander pakt haar hand en komt overeind.
‘Dat klonk langer.’
‘Isaan woorden lang.’
Ze liegt. Niet overtuigend, maar voldoende om hem duidelijk te maken dat hij de rest niet hoeft te weten.
Bij de greppel staat het jonge dier eindelijk op de weg. De moederbuffel duwt haar neus tegen zijn flank en likt modder van zijn rug. De kromme oude vrouw houdt het uiteinde van het touw vast en praat tegen beide dieren. Haar stem is nu zacht. Ze slaat met haar hand tegen de hals van het jong, niet hard, eerder als een berisping uit opluchting.
De Buitenstaander zoekt zijn slippers.
Eén ligt nog in het gras. De andere drijft in de greppel.
‘Prachtig.’
Het jongetje met het voetbalshirt vist de slipper met een stok uit de modder. Hij houdt hem omhoog. Bruin water loopt uit de neus van het rubber.
‘Farang shoe!’ roept hij.
De omstanders lachen opnieuw.
De Buitenstaander neemt de slipper aan. ‘Dank u.’
Het jongetje ruikt eraan, trekt een vies gezicht en rent weg.
Mali staat bij de jonge buffel. Ze legt een hand op zijn kop. Het dier blijft rustig staan. De oude vrouw zegt iets tegen haar en maakt vervolgens een wai naar De Buitenstaander. Hij beantwoordt het gebaar, alhoewel hij niet goed weet of zijn hulp voldoende was om voor gebogen handen in aanmerking te komen. Zonder de mannen, Mali en het rode koord had hij waarschijnlijk nog altijd met zijn arm onder het dier gelegen.
‘Van wie is die buffel?’ vraagt hij wanneer Mali terugkomt.
‘Van mama.’
De Buitenstaander kijkt naar zijn schoonmoeder. Die staat bij de winkel, op ruime afstand van de dieren, en verkoopt intussen een fles benzine aan een jongen op een bromfiets. Ze lijkt weinig belangstelling te hebben voor haar zojuist geredde bezit.
‘Sinds wanneer heeft je moeder een buffel?’
‘Nu.’
‘Wat betekent nu?’
‘Drie maanden.’
‘Dat is niet nu.’
‘Nog niet lang.’
De Buitenstaander kijkt naar de jonge buffel. ‘Waarom wist ik dat niet?’
Mali veegt haar handen af aan haar broek.
‘Je was niet hier.’
‘We bellen bijna iedere dag.’
‘Ja.’
‘Je had kunnen zeggen dat je moeder een buffel had gekocht.’
‘Niet mama.’
Mijn lief kijkt naar het dier. De moederbuffel trekt langzaam richting een veldpad. Het jong volgt, nog wat wankel op zijn poten.
‘Ik gekocht.’
De Buitenstaander zegt niets.
Daar is de verrassende wending dan.
Niet dat hij die heeft besteld.
‘Jij hebt die buffel gekocht?’
‘Kleine. Grote is van Yai Bua.’
Ze wijst naar de kromme vrouw.
‘Waarom?’
‘Voor mama.’
‘Waarom heeft je moeder een buffel nodig?’
Mali kijkt hem aan alsof de vraag zichzelf tegenspreekt.
‘Om groot te worden.’
‘Je moeder?’
Mijn lief begint te lachen.
‘Buffel.’
‘Dat dacht ik al.’
Hij kijkt het jonge dier na. De rug is nog smal. De poten lijken te lang voor het lichaam. Aan één oor hangt een geel plastic label.
‘Hoeveel heeft die gekost?’
Mali noemt een bedrag in baht.
De Buitenstaander rekent automatisch om. Dat doet hij altijd, hoewel hij zichzelf heeft beloofd ermee op te houden. Het bedrag is niet onoverkomelijk, doch groot genoeg om thuis minstens een gesprek te rechtvaardigen. Een gesprek met koffie. Misschien papier. Zeker geen mededeling langs een greppel nadat het bezit hem bijna onder de voet heeft gelopen.
‘En wanneer ging je mij dat vertellen?’
‘Vandaag.’
‘Echt?’
‘Misschien.’
‘Waarom heb je niets gezegd?’
Mijn lief wordt ernstig. Niet boos, maar de lach verdwijnt uit haar ogen. Ze kijkt naar haar moeder, die nog altijd flessen en zakjes verkoopt alsof buffelbezit een detail is.
‘Mijn geld,’ zegt ze.
‘Dat weet ik.’
‘Ik werk. Ik spaar. Mama heeft later iets. Kalf wordt groot, krijgt misschien jong. Kan verkopen als geld nodig.’
De Buitenstaander knikt. Hij weet dat ze gelijk heeft. Niet omdat ieder buffelkalf vanzelf winst oplevert of omdat een dier geen voer, werk en zorgen vraagt. Wel omdat haar geld werkelijk van haar is. Omdat zij geen toestemming hoeft te vragen om haar moeder te helpen. Toch steekt het dat hij niets wist. Niet om de baht. Om het kleine afgesloten kamertje in haar leven waar blijkbaar een volledig buffeljong kon staan zonder dat hij het merkte.
‘Waarom geen verrassing samen?’ vraagt hij.
Mali kijkt naar zijn vuile borst, zijn modderige benen en de slipper die nog bruin water lekt.
‘Nu verrassing samen.’
Hij wil zich ergeren.
Het lukt niet behoorlijk.
Ze pakt zijn hand en legt die kort tegen haar wang. Het gebaar duurt nauwelijks twee seconden. Op het erf zou niemand het romantisch noemen. Misschien heeft niemand het zelfs gezien. Doch de Buitenstaander voelt hoe haar huid warm is onder zijn vingers.
‘Ik wilde mama helpen,’ zegt ze. ‘En ik wilde jou laten zien.’
‘Laten zien dat je een buffel hebt?’
‘Dat ik hier ook iets maak.’
De Buitenstaander kijkt over de weg, naar de lage huizen, het veldpad en de donkere ruggen van de twee dieren die langzaam tussen de bomen verdwijnen. Hij begrijpt niet onmiddellijk wat ze bedoelt. Of misschien wel, doch hij moet zijn gedachten eerst langs zijn eigen gekrenkte trots zien te krijgen.
Hij is aangekomen met twee valiezen, gereedschap, kaas en ideeën over hoe deuren horen te werken. Mali is teruggekomen met spaargeld dat al maanden in een levend dier zit. Hij brengt gerief mee. Zij brengt toekomst mee. Niet de toekomst zoals hij die kent, met bankafschriften, verzekeringen en een map waarin garanties worden bewaard. Een toekomst met poten, een touw om de nek en de neiging om in afwateringsgreppels te vallen.
Het is minder overzichtelijk.
Wel warmer.
‘Je had het toch mogen zeggen,’ mompelt hij.
‘Ik zeg nu.’
‘Nadat ik haar uit de modder heb gehaald.’
‘Goede kennismaking.’
Daar had hij niet van terug.
Mali neemt hem mee naar het erf. Zijn voeten laten donkere afdrukken achter op het beton. Nu de zon hoger staat, brandt de ondergrond nog harder. Hij probeert niet opnieuw te huppelen, want er kijkt reeds genoeg volk. Mijn lief ziet het toch. Ze trekt hem naar de strook schaduw langs de winkel en laat hem op een plastic stoel zitten.
Uit de keuken haalt ze een lage aluminium kom, een fles water, zeep, een handdoek en een klein bruin flesje. Ze gaat op haar hurken voor hem zitten.
‘Voet.’
‘Het is maar een schram.’
‘Voet.’
De Buitenstaander steekt zijn been uit. Mali giet water over zijn voetzool. De eerste straal is lauw en wordt onmiddellijk bruin. Modder loopt langs zijn hiel de kom in. Ze wrijft met haar vingers over zijn huid, voorzichtig rond de snee.
‘Doet pijn?’
‘Neen.’
Ze drukt iets harder.
‘Ja.’
‘Dan niet nee zeggen.’
‘Ik wilde niet flauw doen.’
‘Te laat.’
Mijn lief wast zijn andere voet. Tussen zijn tenen zit nog altijd een restje kippenstront. Ze trekt een gezicht.
‘Romantisch,’ zegt De Buitenstaander.
‘Heel.’
Ze gebruikt meer zeep.
Hij kijkt naar haar gebogen hoofd. Naar haar haar dat ze haastig met een elastiek heeft vastgemaakt. Naar de fijne lijn van haar nek. Aan haar pols zit het rode koord waarmee ze de buffel hebben bevrijd, losjes tweemaal rondgedraaid. Blijkbaar heeft ze het na afloop niet weggegooid.
De Buitenstaander raakt haar schouder aan.
Mali kijkt op.
‘Bedankt,’ zegt hij.
‘Voor voeten wassen?’
‘Voor trekken toen die buffel kwam.’
‘Anders hij over jou.’
‘Dat had ik begrepen.’
‘Dan geen kaas meer.’
‘Dat zou het echte drama zijn.’
Ze glimlacht en giet ontsmettingsmiddel over de snee.
De Buitenstaander trekt zijn voet zo snel terug dat er water over de rand van de kom klotst.
‘Dat brandt!’
‘Beetje.’
‘Jullie gebruiken dat woord veel te gemakkelijk.’
Mijn lief pakt zijn enkel vast en trekt zijn voet terug boven de kom. Haar hand is klein, doch sterk. Ze dept de wond proper en plakt er een pleister overheen. Daarna zet ze haar eigen blote voet naast de zijne.
Haar voet is bijna de helft kleiner. Op de bovenkant lopen dunne aders. Onder haar kleine teen zit het witte litteken dat hij daarnet zag.
‘Waar komt dat vandaan?’ vraagt hij.
Mali kijkt ernaar.
‘Fles.’
‘Glas?’
Ze knikt. ‘Ik was negen. Lopen naar school. Geen schoenen.’
‘Heeft je moeder het verzorgd?’
‘Papa.’
Het is de eerste keer sinds hun aankomst dat ze haar vader noemt.
De Buitenstaander zegt niets. Hij weet dat Mali niet graag lang over hem praat. Haar vader is jaren geleden gestorven, nog voor De Buitenstaander de familie leerde kennen. Er hangt een vergeelde foto van hem boven de kast in de woonkamer. Een magere man met een ernstig gezicht, zittend op een bromfiets die waarschijnlijk zelfs toen al oud was.
‘Hij droeg mij naar huis,’ zegt Mali. ‘Heel ver.’
‘Was je zwaar?’
Mijn lief kijkt hem vlak aan.
‘Neen. Ik was mooi meisje.’
‘Dat zijt ge nog.’
Ze laat haar blik zakken naar zijn voet. Heel even ziet hij haar glimlach.
‘Nu zwaar,’ voegt hij eraan toe.
Mali slaat met de natte handdoek tegen zijn knie.
Hij trekt haar overeind en laat haar tussen zijn benen staan. Vanuit de winkel klinkt het rinkelen van flessen. Mali’s moeder praat met een klant. Verderop start een bromfiets. Niemand schenkt hun aandacht, of iedereen doet alsof.
De Buitenstaander legt zijn handen om Mali’s middel.
‘Ge had mij die buffel mogen vertellen,’ zegt hij opnieuw.
‘Ja.’
‘Doe je dat de volgende keer?’
Ze denkt na.
‘Welke volgende keer?’
‘Dat is geen goed antwoord.’
‘Misschien varken.’
‘Mali.’
Mijn lief legt haar armen om mijn nek en kust me op het voorhoofd. Daarna op mijn mond, langzaam en zonder zich iets aan te trekken van de open winkel, de buurvrouw of Tante Noi, die ongetwijfeld ergens binnen gehoorsafstand zit.
Wanneer ze zich losmaakt, blijft haar gezicht dicht bij het zijne.
‘Jij hier,’ zegt ze. ‘Ik blij.’
Dat is alles.
Geen lange verklaring. Geen belofte over buffels, geld of deuren. Alleen vier woorden die hem meer raken dan hij wil laten merken.
De Buitenstaander legt zijn voorhoofd tegen het hare.
‘Ik ook.’
‘Ook blij?’
‘Ook hier.’
Mali kust hem nogmaals. Kort nu. Daarna pakt ze de kom met vuil water en loopt naar de bananenbomen om hem leeg te gooien.
De Buitenstaander blijft zitten. Zijn voeten zijn proper, op één pleister na. De ochtendzon ligt wit op het beton. Kippen stappen tussen de tafels door en pikken naar kruimels. Eén ervan blijft vlak voor hem staan, kantelt haar kop en bekijkt zijn voeten.
‘Waag het niet,’ zegt hij.
De kip draait zich om.
Mali komt terug met zijn slippers. Ze heeft ze onder de kraan afgespoeld. De ene is nog droog en blauw. De andere is nat, bruin verkleurd en ruikt vaag naar de greppel.
Ze zet ze voor hem neer.
‘Aandoen.’
De Buitenstaander kijkt naar haar blote voeten.
‘En jij?’
‘Ik koop later.’
Hij schuift één slipper naar haar toe.
‘Dan ieder één.’
‘Niet lopen goed.’
‘Dat deden we daarnet ook al niet.’
Mijn lief trekt de veel te grote slipper aan. De Buitenstaander neemt de andere. Samen lopen ze naar de winkel: hij met één modderige slipper aan zijn rechtervoet, zij met een blauwe boot aan haar linkervoet. Ze leunen tegen elkaar om niet op de scherpe steentjes te stappen.
Tante Noi zit opnieuw aan de tafel. Ze bekijkt hun voeten, zegt iets tegen Mali en barst in lachen uit.
‘Wat zegt ze?’ vraagt De Buitenstaander.
Mali legt haar hoofd kort tegen zijn schouder.
‘Zij zegt: liefde maakt mensen dom.’
‘En wat heb jij geantwoord?’
Mijn lief kijkt naar de ene slipper aan zijn voet en de andere aan de hare.
‘Soms grappig.’
Op dat moment kraait de haan vanaf de vensterbank. De kip voor de winkel laat een nieuwe hoop vallen, precies op de plek waar De Buitenstaander enkele minuten eerder nog op blote voeten stond.
Hij kijkt naar Mali.
‘Morgen schoenen.’
Mijn lief knikt.
‘Laarzen,’ zegt ze.
Dat leek hem ineens geen overdreven luxe.
Wordt vervolgd.
Over deze blogger
- De Buitenstaander, geboren in 1961 in Kortrijk (BE), schrijft over zijn observaties en het leven in een dorpje op het Thaise platteland, waar hij woont met zijn lief Mali.
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur28 juli 2026De Buitenstaander en de eerste ochtend op blote voeten
Cultuur21 juli 2026De Buitenstaander in een huis zonder privacy
Cultuur16 juli 2026De eerste nacht van de Buitenstaander
Leven in Thailand11 juli 2026De Buitenstaander komt aan
