De onderzoekers bestudeerden menselijke resten van twee verschillende vindplaatsen op Sulawesi. De oudste persoon leefde ongeveer 25.000 tot 16.000 jaar geleden. De tweede leefde tussen circa 7.600 en 6.300 jaar geleden. Beide mensen waren jagers-verzamelaars en leefden dus ruim voordat landbouw zich in dit deel van Zuidoost-Azië verspreidde.

Hun tanden vertoonden opvallende, diepe en afgeronde groeven. Zulke slijtage ontstaat niet gemakkelijk door normaal eten. Volgens de onderzoekers past het patroon bij het langdurig in de mond houden en zuigen op harde, ronde betelnoten.

De chemische analyse maakte het bewijs sterker. In het tandweefsel werden sporen aangetroffen van arecoline, de belangrijkste neuroactieve stof in de betelnoot.

Diezelfde noot kreeg later een vaste plek in culturen van Indonesië tot Thailand. Wie in Thailand oudere mensen met rood verkleurde tanden of donker tandvlees zag, kon soms nog de gevolgen herkennen van jarenlang betel kauwen.

Hele betelnoten hadden al effect op het zenuwstelsel

Tegenwoordig wordt de betelnoot meestal fijngemaakt en samen met onder andere gebluste kalk en betelblad gekauwd. In Thailand stond zo’n pakketje traditioneel bekend als mak. De kalk zorgt ervoor dat werkzame stoffen gemakkelijker vrijkomen en versterkt daarmee het effect.

De prehistorische bewoners van Sulawesi deden dat waarschijnlijk anders. Zij lijken hele noten langdurig in hun mond te hebben gehouden.

Om te controleren of dat voldoende was om een lichamelijk effect te veroorzaken, lieten onderzoekers betelnoten in kunstmatig speeksel weken. Vervolgens testten ze de vrijgekomen stoffen op cellen met menselijke zenuwreceptoren. Daaruit bleek dat ook een intacte betelnoot voldoende arecoline kan afgeven om het zenuwstelsel te beïnvloeden.

Het effect was waarschijnlijk minder sterk dan bij de latere manier van kauwen die ook uit Thailand bekend is. Toch lijkt het gebruik regelmatig genoeg te zijn geweest om duidelijke sporen in het gebit achter te laten.

Mogelijk begonnen als middel tegen tandpijn

Waarom jagers-verzamelaars duizenden jaren geleden betelnoten gebruikten, blijft onzeker. De onderzoekers denken dat pijnbestrijding een mogelijke verklaring is. Arecoline kan in de mond een verdovend of pijnstillend effect geven.

Dat zou een opmerkelijke vicieuze cirkel hebben kunnen veroorzaken. Wie last had van tandpijn, kon op een betelnoot zuigen om de pijn tijdelijk te verminderen. De harde noot schuurde ondertussen steeds verder over het tandoppervlak.

Bij een van de onderzochte personen was het tandweefsel uiteindelijk zo sterk afgesleten dat de tandholte bloot kwam te liggen. Dat kan hevige pijn, problemen met eten en chronische infecties veroorzaken. Juist daardoor kon de behoefte aan verdere pijnverlichting toenemen.

Ook bij traditioneel betelgebruik in Thailand zijn de gevolgen voor mond en gebit goed zichtbaar geweest. De roodzwarte verkleuring van tanden werd vroeger niet altijd als iets negatiefs gezien, maar langdurig gebruik kan het mondweefsel ernstig aantasten.

Thailand kent duizenden jaren oud betelgebruik

De nieuwe vondsten passen in een veel grotere Zuidoost-Aziatische geschiedenis. Betelnoot wordt al duizenden jaren gebruikt in een gebied dat loopt van Zuid-Azië via Thailand en Indonesië tot eilanden in de Stille Oceaan.

Ook uit Thailand zijn oude aanwijzingen bekend. Onderzoekers vonden in tandsteen van menselijke resten van ongeveer 4.000 jaar oud bij Nong Ratchawat in Centraal-Thailand chemische sporen die wijzen op het gebruik van betelnoot. Daarmee kon voor Thailand rechtstreeks worden aangetoond dat mensen de plant daadwerkelijk consumeerden.

Daarnaast zijn bij archeologische vindplaatsen in Thailand oudere resten van arecapalmen en andere bestanddelen van betel aangetroffen. Zulke vondsten laten zien dat de plant al vroeg bekend was, al bewijzen plantenresten op zichzelf nog niet hoe mensen hem precies gebruikten.

De vondsten op Sulawesi gaan nog veel verder terug. Als de interpretatie klopt, gebruikten mensen daar betelnoot al tijdens het late Pleistoceen, duizenden jaren vóór de eerste duidelijke sporen uit Thailand en lang voordat landbouw in de regio algemeen werd.

Gewoonte ontstond mogelijk al tijdens de ijstijd

De onderzoekers spreken voorzichtig over mogelijk het oudste bekende bewijs voor regelmatig gebruik van een psychoactieve plant. Dat betekent niet automatisch dat deze mensen bewust op zoek waren naar een roes zoals we die tegenwoordig onder drugsgebruik verstaan.

Betelnoot kan verschillende effecten hebben, waaronder een verhoogde alertheid en een licht euforisch gevoel, maar ook pijnverlichting. De precieze reden waarom de prehistorische bewoners van Sulawesi de noten gebruikten, is niet meer vast te stellen.

Wel wordt duidelijk dat een traditie die later in grote delen van Zuidoost-Azië zou opduiken, veel oudere wortels kan hebben dan gedacht. In Thailand verdween het kauwen op betel in de twintigste eeuw grotendeels uit het straatbeeld, maar op markten en in dorpen zijn betelblad, arecanoot en kalk nog altijd geen onbekende producten.

De ontdekking op Sulawesi laat daarmee niet alleen iets zien over een verre prehistorische samenleving in Indonesië. Ze werpt ook nieuw licht op een gewoonte die eeuwenlang deel uitmaakte van het dagelijks leven in Thailand en de rest van Zuidoost-Azië.

Bronnen


Over deze blogger

Redactie
Redactie
Dit artikel is geschreven en gecontroleerd door de redactie. Wij maken o.a. gebruik van AI om onderzoek te doen naar onderwerpen en het schrijven over deze onderwerpen. Wij genereren ook foto's met AI, maar gebruiken daarnaast ook stockfoto's. Hoewel er zorgvuldig wordt omgegaan met de inhoud, kan niet worden gegarandeerd dat alle informatie volledig, actueel of foutloos is.
De lezer is zelf verantwoordelijk voor het gebruik van de informatie op deze website. De auteur aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade of gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van de geboden informatie.

Laat een reactie achter