
De invoering van het nieuwe pensioenstelsel werd jarenlang verkocht met het vooruitzicht dat pensioenen sneller konden stijgen. Dat gebeurt inderdaad makkelijker wanneer de financiële markten meezitten. Maar de andere kant van dat verhaal verdient minstens zoveel aandacht: koopkracht is geen doel meer dat centraal staat en een jaarlijkse verhoging die de inflatie bijhoudt, is zeker niet vanzelfsprekend.
Wie van PFZW pensioen ontvangt, kreeg bij de overgang in 2026 ineens 12,4 procent meer. Dat is prettig. Tegelijk bestaat het gevaar dat zo’n forse eerste stap een beeld oproept dat daarna niet kan worden waargemaakt.
Die 12,4 procent zegt weinig over volgend jaar
De verhoging bij het invaren was geen normale jaarlijkse indexatie. Een deel van de opgebouwde buffers kon bij de overgang naar het nieuwe stelsel worden verdeeld. Daardoor gingen de pensioenuitkeringen bij verschillende fondsen in één klap flink omhoog.
Bij PFZW bedroeg die stijging 12,4 procent. Dat hogere pensioen blijft staan, maar je moet het niet verwarren met een structureel patroon van jaarlijkse verhogingen van die omvang.
En precies daar zit een risico in de communicatie. Een verhoging van meer dan 12 procent trekt aandacht en geeft vertrouwen. Een jaar later kan de werkelijkheid veel soberder zijn.
Voor 2027 rekent PFZW op basis van de stand eind juni voorlopig op ongeveer 0,6 procent verhoging. Dat percentage staat nog niet vast, maar het verschil met 12,4 procent is opvallend groot.
De inflatie wacht niet op de beurs
De Nederlandse inflatie bedroeg in juli 2026 3,2 procent. Als het PFZW-pensioen uiteindelijk met ongeveer 0,6 procent stijgt, wordt het leven dus sneller duurder dan het pensioeninkomen groeit.
Op papier gaat je pensioen omhoog. In de supermarkt kun je er toch minder voor kopen.
Dat is precies het punt waar veel gepensioneerden uiteindelijk naar kijken. Niet naar het rendement van een fonds, de theoretische risicodeling of de technische inrichting van het pensioencontract, maar naar de simpele vraag: kan ik volgend jaar met mijn pensioen nog ongeveer hetzelfde betalen?
Het nieuwe stelsel geeft daarop geen geruststellend antwoord. Een goed beursjaar kan tot een hogere uitkering leiden, maar inflatie vormt geen automatische ondergrens.
Pensioen wordt nadrukkelijker afhankelijk van financiële markten
In het nieuwe stelsel wordt duidelijker zichtbaar dat pensioenvermogen wordt belegd en dat rendement invloed heeft op de hoogte van de uitkering. Voorstanders zien daarin een voordeel. Als de markten goed presteren, kunnen pensioenen sneller omhoog dan vroeger.
Maar dat betekent ook dat gepensioneerden sterker worden geconfronteerd met ontwikkelingen waarop zij zelf geen enkele invloed hebben.
PFZW probeert schommelingen te beperken door voor gepensioneerden voorzichtiger te beleggen en resultaten over meerdere jaren uit te smeren. Dat voorkomt grote bewegingen, maar neemt het probleem niet weg. Een lage pensioenaanpassing kan nog steeds samenvallen met hoge inflatie.
Dat is geen theoretisch risico. De voorlopige verhoging voor 2027 laat precies zien hoe groot het verschil kan zijn.
Koopkracht was vroeger ook niet gegarandeerd
Daar hoort wel een belangrijke nuance bij. Ook in het oude pensioenstelsel was koopkrachtbehoud bepaald niet vanzelfsprekend. Veel fondsen konden jarenlang nauwelijks of helemaal niet indexeren, ondanks stijgende prijzen.
Het nieuwe stelsel lost dat probleem dus niet zozeer op. Het verandert vooral de manier waarop verhogingen en tegenvallers worden verdeeld.
De belofte dat pensioenen sneller kunnen stijgen is daardoor maar de helft van het verhaal. Ze kunnen ook duidelijk achterblijven bij de prijsontwikkeling. En juist voor gepensioneerden is dat pijnlijk, omdat zij meestal weinig mogelijkheden hebben om hun inkomen nog substantieel te verhogen.
In Thailand krijg je er nog een risico gratis bij
We hebben er al vaker over geschreven. Voor Nederlanders die in Thailand wonen, is het plaatje nog ingewikkelder. Je pensioen komt doorgaans in euro’s binnen, maar je dagelijkse uitgaven zijn in baht. Daardoor wordt je werkelijke koopkracht door twee bewegingen bepaald.
Ten eerste stijgen of dalen de prijzen in Thailand. De Thaise inflatie lag in juli 2026 op 1,95 procent. Dat gemiddelde zegt overigens weinig over je persoonlijke uitgaven. Huur, zorg, boodschappen, elektriciteit en geïmporteerde producten kunnen veel sterker in prijs bewegen. De jaarlijkse verhoging van je ziektekostenverzekering bijvoorbeeld, die kan fors aantikken.
Daarnaast is er de bekende wisselkoers.
Wordt de baht sterker tegenover de euro, dan krijg je voor hetzelfde pensioen minder baht. Een pensioenverhoging van bijvoorbeeld 1 procent kan daardoor volledig verdwijnen als de wisselkoers een paar procent tegen je in beweegt. Voor een pensionado in Thailand is een hogere pensioenuitkering in euro’s dus helemaal geen garantie op meer financiële ruimte.
De invaarwinst kan een misleidend gevoel van rijkdom geven
De grootste fout die je nu kunt maken, is de verhoging van 12,4 procent beschouwen als een nieuwe normale situatie.
De kans is groot dat veel gepensioneerden hun uitgaven aanpassen aan het hogere maandbedrag. Dat is begrijpelijk. Maar als daarop jaren volgen waarin pensioenverhogingen achterblijven bij de inflatie, wordt die extra ruimte langzaam weer opgegeten.
De waarschuwing om een deel van de verhoging niet direct uit te geven, is daarom verstandig. Niet omdat je moet verwachten dat het pensioen binnenkort ineens instort, maar omdat niemand precies weet hoe het nieuwe stelsel zich gedraagt tijdens een langere periode van lage rendementen, hoge inflatie of beide tegelijk.
Het stelsel is daarvoor simpelweg nog te nieuw.
De echte test begint nu pas
De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel wordt vaak beoordeeld aan de hand van de eerste verhoging. Dat is te vroeg.
De echte test komt pas in de jaren daarna. Blijven pensioenuitkeringen voldoende meegroeien als prijzen stijgen? Wat gebeurt er na zwakke beursjaren? Hoe groot worden de verschillen tussen generaties en pensioenfondsen? En hoeveel koopkracht blijft er werkelijk over?
Voor PFZW-deelnemers ziet 2026 er op papier gunstig uit dankzij de verhoging van 12,4 procent. Maar als daar in 2027 slechts ongeveer 0,6 procent bijkomt, terwijl prijzen veel harder stijgen, wordt meteen zichtbaar waar de kwetsbaarheid zit.
Een hoger pensioenbedrag is daarom niet hetzelfde als een beter pensioen. Uiteindelijk telt maar één ding: wat je er daadwerkelijk van kunt betalen. Juist op dat punt moet het nieuwe pensioenstelsel zich de komende jaren nog bewijzen.
Bronnen
- De Volkskrant, rubriek Geldvraag, Blijft in het nieuwe pensioenstelsel mijn koopkracht overeind?
- Pensioenfonds Zorg en Welzijn, kwartaalbericht tweede kwartaal 2026 en informatie over de pensioenaanpassing voor 2027
- Pensioenfederatie, cijfers over pensioenverhogingen na het invaren
- Centraal Bureau voor de Statistiek, inflatie juli 2026
Over deze blogger

-
Dit artikel is geschreven en gecontroleerd door de redactie. De inhoud is gebaseerd op persoonlijke ervaringen, meningen en eigen onderzoek van de auteur. Waar relevant, is er gebruikgemaakt van AI als hulpmiddel bij het schrijven en structureren van teksten. Wij genereren soms ook foto's met AI. Hoewel er zorgvuldig wordt omgegaan met de inhoud, kan niet worden gegarandeerd dat alle informatie volledig, actueel of foutloos is.
De lezer is zelf verantwoordelijk voor het gebruik van de informatie op deze website. De auteur aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade of gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van de geboden informatie.
Lees hier de laatste artikelen
Lezerstips20 augustus 2026True-gebruikers kunnen SIM-registratie zelf in de app controleren
Expats en pensionado20 augustus 2026Met pensioen, maar waarom nietsdoen je sneller sloopt dan werken
Expats en pensionado20 augustus 2026Hogere PFZW-uitkering klinkt mooi, maar koopkracht is allerminst zeker
Boekrecensies20 augustus 2026Boekrecensie: Paradijs in Hua Hin van Bert Vos
