‘Waarom mijn afvalbak steeds leger terugkwam’

Door Farang Kee Nok
Geplaatst in Cultuur, Korte verhalen, Leven in Thailand
Tags:
3 september 2026

Onze afvalbak staat naast het hek. Het is een grote blauwe bak met een deksel dat alleen goed sluit als je erop gaat zitten. Iedere woensdag vul ik hem. Iedere donderdag wordt hij geleegd.

Alleen niet altijd door de vuilnisman.

Het begon met een kapotte ventilator. De motor bromde, het rooster was verbogen en de knop voor stand drie was verdwenen. Op stand één gebeurde niets. Op stand twee rook je brand. Ik zette hem bij het afval. Een uur later was hij weg.

“Waar is de ventilator?” vroeg ik aan mijn vrouw.

“Prasit heeft hem meegenomen.”

“Hij is kapot.”

“Dat weet hij.”

Dat vond ik geruststellend. Prasit stal dus niet zomaar afval. Hij deed dat met volledige kennis van de technische staat. De volgende middag zat hij voor zijn huis met de ventilator naast zich. Het rooster ontbrak volledig en de propeller draaide alleen wanneer hij er eerst met een stok tegen sloeg.

“Goed gemaakt,” zei hij.

Op dat moment kwam er rook uit de motor. Prasit trok de stekker eruit en knikte tevreden. Het probleem was onder controle.

Een week later zette ik drie lege verfemmers buiten. De volgende ochtend stonden ze bij buurvrouw Noi. Ze had er pepers, basilicum en een plant in gezet die volgens haar hielp tegen hoge bloeddruk.

“Dat waren mijn emmers,” zei ik.

“Nu zijn het plantenbakken.”

Ze zei het alsof ik dat zelf ook had kunnen bedenken als ik beter mijn best had gedaan.

Daarna verdwenen lege flessen, een gebarsten wasmand en een stuk tuinslang. De flessen werden gieters. De wasmand werd over een jonge mangoboom gezet om de kippen weg te houden. Van de tuinslang maakte iemand een handvat voor een emmer.

Mijn vuilnis werd sneller herplaatst dan ambtenaren na een kabinetswisseling. Ik besloot voortaan alleen nog dingen weg te gooien die aantoonbaar nergens voor deugden. Een plastic stoel met drie poten leek mij een veilige keuze. Nog dezelfde avond kwam mijn schoonbroer langs.

“Waarom gooi je die stoel weg?”

“Omdat hij drie poten heeft.”

Hij bekeek hem aandachtig.

“Je hebt er maar drie nodig als hij tegen een muur staat.”

Hij nam de stoel mee. Twee dagen later zag ik hem erop zitten. Tegen een muur. Hij hield één voet op de grond om niet om te vallen en keek mij aan met de tevreden blik van een man die zojuist de verspilling in de westerse wereld had opgelost.

Zelfs mijn oude slippers verdwenen. De zolen waren glad, de bandjes gescheurd en de linker rook na jaren gebruik alsof er iets kleins in was overleden. De buurman nam ze mee.

“Waarvoor?” vroeg ik.

“Voor bij het kippenhok.”

“Kunnen kippen tegenwoordig slippers dragen?”

Hij keek me even aan en liep toen verder. Soms stel ik vragen die hier geen antwoord op verdienen.

Ik begon mijn afval ’s avonds laat buiten te zetten. Om elf uur sloop ik met een kapot afdruiprek naar het hek. Ik voelde mij als een crimineel, alleen smokkelde ik mijn eigen bezittingen het huis uit. De volgende ochtend was het rek weg. Bij Noi hingen er orchideeën aan. Mijn vrouw wees ernaar.

“Mooi.”

“Het was verroest.”

“Dat past bij de kleur van de bloemen.”

Ik kon daar weinig tegenin brengen. In Nederland heet zoiets afval. Hier heet het landelijk ontwerp. Mijn dieptepunt was een gescheurde plastic teil. Ik had hem drie maanden achter het huis bewaard, omdat ik inmiddels bang was iets weg te gooien wat later cultureel erfgoed zou blijken.

“Waarom staat die teil daar?” vroeg mijn vrouw.

“Misschien kunnen we hem nog gebruiken.”

“Waarvoor?”

“Ik ben nog aan het nadenken.”

Na drie maanden had ik niets bedacht. Ik zette hem buiten. De volgende ochtend stond hij bij Noi, gevuld met water, lotusbloemen en kleine vissen. Mijn vrouw keek naar de teil en daarna naar mij.

“Zie je wel.”

Dat is een vervelende zin wanneer je vrouw hem terecht gebruikt.

Uiteindelijk kocht ik een nieuwe afvalbak. De oude was gescheurd, verkleurd en rook zelfs leeg nog naar een slechte beslissing. Ik zette hem naast het hek met een briefje erop: KAPOT. De volgende ochtend was hij verdwenen. Een week later zag ik hem bij een oom van mijn vrouw. Groen geverfd, gevuld met aarde en met een bananenplant erin.

“Mooi, hè?” zei hij.

“Er zat een scheur in.”

“Goed voor de afwatering.”

Sindsdien begrijp ik het systeem. Ik koop spullen, gebruik ze tot ze kapot zijn en lever ze daarna gratis af bij het hek. De buren repareren ze, geven ze een nieuwe bestemming en laten mij vervolgens zien wat ik zelf niet had begrepen. Mijn afvalbak is dan ook zelden vol.

Mijn huis daarentegen staat nog steeds vol met dingen die ik niet meer durf weg te gooien…


Over deze blogger

Farang Kee Nok
Farang Kee Nok
Mijn leeftijd valt officieel onder de categorie ‘bejaard’. Ik woon al 28 jaar in Thailand, probeer dat maar eens na te doen. Nederland was ooit het paradijs, maar het raakte in verval. Dus ging ik op zoek naar een nieuw paradijs en vond Siam. Of was het andersom en vond Siam mij? Hoe dan ook, we waren elkaar goed gezind.

De ICT zorgde voor een regelmatig inkomen, iets wat jullie ‘werk’ noemen, maar voor mij was het vooral een tijdverdrijf. Schrijven, dat is de echte hobby. Voor Thailandblog pak ik die oude liefde weer op, want na 15 jaar zwoegen verdienen jullie wel wat leesvoer.

Ik begon op Phuket, verhuisde naar Ubon Ratchathani, en na een tussenstop in Pattaya woon ik nu ergens in het noorden, midden in de natuur. Rust roest niet, zeg ik altijd, en dat blijkt te kloppen. Hier, omgeven door het groen, lijkt de tijd stil te staan, maar dat doet het leven gelukkig niet.
Eten, vooral lekker, dat is mijn passie. En wat maakt een avond compleet? Een goed glas whisky en een sigaar. Dan heb je het wel zo’n beetje, vind ik. Proost!

1 reactie op “‘Waarom mijn afvalbak steeds leger terugkwam’”

  1. Lydia zegt op

    Een prachtig verhaal. Het is de waarheid. Als wij iets nieuws kopen, zoekt onze Thaise schoondochter net zo lang tot ze iemand kent die het oude kan gebruiken. Hasr vriendinnen vragen zelfs of wij nog nieuwe spullen gekocht hebben.

    2

Laat een reactie achter