Mijn wachtwoorden bestaan uit hoofdletters, cijfers en tekens die zelfs ik niet meer begrijp. Dat is volgens deskundigen veilig. Het nadeel is dat je voor het openen van je eigen e-mail eerst een kwartier administratie moet doen.

Ik bewaar mijn wachtwoorden daarom in een klein schriftje. Dat schriftje ligt op een geheime plek die alleen mijn vrouw, haar zus, twee nichten en vermoedelijk de buurvrouw kennen.

Op een zondagochtend kwam neefje Ton langs. Hij is elf, draagt een voetbalshirt van Manchester United en kijkt altijd alsof volwassenen een tijdelijk technisch probleem zijn.

Zijn moeder moest naar de markt en vroeg of hij een paar uur bij ons mocht blijven. Natuurlijk mocht dat. Mijn vrouw zette rijst en gegrilde kip op tafel. Ton ging op de bank zitten en vroeg nog voordat zijn moeder het erf af was naar het wifiwachtwoord.

“Waarvoor?” vroeg ik.

“Internet.”

Dat antwoord was technisch correct, maar naar mijn smaak onvoldoende uitgebreid.

Ik vroeg wat hij precies van plan was. Een spel spelen? Filmpjes bekijken? Grote bestanden downloaden? Mijn belangstelling kwam voort uit verantwoordelijkheid. En een beetje uit angst. Ik had ooit gelezen dat kinderen via onschuldige spelletjes complete bankrekeningen konden leegtrekken. Sindsdien keek ik naar ieder Thais schoolkind met een telefoon alsof het deel uitmaakte van een internationaal hackerscollectief.

Ton stak zijn hand uit.

Mijn vrouw gaf hem haar telefoon. Ze opende de wifi-instellingen, drukte op een knop en liet hem een vierkant blokje op het scherm scannen. Binnen drie seconden zat hij op mijn netwerk.

“Wat deed je?” vroeg ik.

“QR-code.”

Mijn wachtwoord bestond uit zestien tekens, waaronder een apenstaartje en een uitroepteken. Ik had het gekozen na een avond lezen over cybercriminaliteit. Ton had het niet eens hoeven zien.

Hij begon een spel. Er klonken ontploffingen uit zijn telefoon, afgewisseld met het hoge stemmetje van iemand die waarschijnlijk aan de andere kant van Thailand zat. Ik besloot hem in de gaten te houden zonder de indruk te wekken dat ik hem in de gaten hield. Dat deed ik door met een krant aan tafel te gaan zitten en al vijf minuten dezelfde alinea te lezen.

Na een tijdje keek Ton naar onze televisie.

Het is een smart-tv. Die naam vind ik overdreven. Het apparaat weigert regelmatig aan te gaan, vergeet iedere maand de internetverbinding en stelt programma’s voor waarin mensen huizen verbouwen die groter zijn dan ons hele dorp.

Ton pakte zijn telefoon.

Een seconde later verdween het Thaise nieuws van het scherm. In plaats daarvan verscheen een tekenfilm waarin een paarse dinosaurus een vrachtwagen bestuurde.

Ik stond op.

“Wat heb je gedaan?”

“Verbonden.”

“Waarmee?”

Hij wees naar zijn telefoon en daarna naar de televisie. Alsof ik had gevraagd waarmee hij ademhaalde.

Ik pakte de afstandsbediening. Die reageerde niet. Ik drukte nog eens, harder deze keer. Dat helpt bij afstandsbedieningen zelden, maar het geeft een mens iets te doen.

Ton tikte op zijn scherm. De dinosaurus stopte. Hij tikte opnieuw en het volume ging omhoog.

Mijn vrouw kwam uit de keuken.

“Mooi,” zei ze.

“Hij bedient onze televisie.”

“Ja.”

Ik legde uit dat de televisie beveiligd was met een pincode. Die code had ik zelf ingesteld. Vier cijfers, niet mijn geboortejaar en ook niet 1234. Ik voelde me daar tot die ochtend behoorlijk professioneel over.

Ton keek even op het scherm.

“De code is nul nul nul nul.”

Dat was de fabriekscode. Mijn eigen pincode bleek alleen te gelden voor aankopen, niet voor verbindingen met nieuwsgierige kinderen.

Ton liep naar de ventilator. Ook die was vorig jaar vervangen door een modern model met wifi. Ik had die functie nooit gebruikt, omdat de gewone knoppen al voldoende mogelijkheden boden. Een ventilator moet draaien. Meer verwacht ik niet van hem.

Ton bekeek het merk, zocht een app en liet de ventilator vanaf zijn telefoon sneller draaien. Daarna langzamer. Daarna van links naar rechts.

Hij glunderde.

Mijn vrouw ook.

“Kan hij de airco ook doen?” vroeg ze.

Zo ver wilde ik het niet laten komen.

Ik zette de router uit. Dat was mijn digitale noodrem. De televisie viel stil, de ventilator bleef halverwege naar de koelkast wijzen en Ton keek mij aan met een mengeling van verbazing en medelijden.

“Internet kapot,” zei hij.

“Onderhoud,” antwoordde ik.

Hij liep naar de router, keek naar de lampjes en drukte op de aan-knop. Mijn netwerk kwam weer tot leven. Kennelijk had ik bij het beveiligen van mijn digitale huishouden geen rekening gehouden met iemand die gewoon bij het kastje kon.

Een halfuur later had Ton de televisie gekoppeld, de ventilator een naam gegeven en op de telefoon van mijn vrouw een app geïnstalleerd waarmee ze de airco kon bedienen. Dat laatste lukte pas nadat hij op een stoel was geklommen en een klein knopje achter het filter had gevonden.

Ik stond erbij met mijn wachtwoordschriftje in mijn hand.

Ton kon nauwelijks Engels lezen. Toch vond hij zonder aarzelen menu’s die ik al twee jaar vermeed. Hij was niet bang om op de verkeerde knop te drukken. Dat was vermoedelijk zijn grootste voordeel. Mijn hele digitale leven was gebouwd op de overtuiging dat achter iedere knop een ramp kon zitten.

Toen zijn moeder hem kwam ophalen, vroeg ze of hij zich had gedragen.

“Prima,” zei mijn vrouw. “Hij heeft alles gemaakt.”

Dat woord deed pijn. Tot die ochtend verkeerde ik in de veronderstelling dat niets kapot was.

Na zijn vertrek veranderde ik het wifiwachtwoord. Twintig tekens, twee hoofdletters en een teken dat ik alleen kon vinden door drie seconden op de letter S te drukken. Daarna schreef ik het nieuwe wachtwoord in mijn schriftje en legde ik dat op een andere geheime plek.

De volgende ochtend werkte de airco-app van mijn vrouw niet meer.

Ze belde Ton.

Tien minuten later stond hij op de veranda. Mijn vrouw hield haar telefoon omhoog met de QR-code van het nieuwe netwerk al op het scherm.

Ton scande hem, liep naar binnen en zette de airco op 24 graden.

Daarna vroeg hij of we nog gegrilde kip hadden…

Over deze blogger

Farang Kee Nok
Farang Kee Nok
Mijn leeftijd valt officieel onder de categorie ‘bejaard’. Ik woon al 28 jaar in Thailand, probeer dat maar eens na te doen. Nederland was ooit het paradijs, maar het raakte in verval. Dus ging ik op zoek naar een nieuw paradijs en vond Siam. Of was het andersom en vond Siam mij? Hoe dan ook, we waren elkaar goed gezind.

De ICT zorgde voor een regelmatig inkomen, iets wat jullie ‘werk’ noemen, maar voor mij was het vooral een tijdverdrijf. Schrijven, dat is de echte hobby. Voor Thailandblog pak ik die oude liefde weer op, want na 15 jaar zwoegen verdienen jullie wel wat leesvoer.

Ik begon op Phuket, verhuisde naar Ubon Ratchathani, en na een tussenstop in Pattaya woon ik nu ergens in het noorden, midden in de natuur. Rust roest niet, zeg ik altijd, en dat blijkt te kloppen. Hier, omgeven door het groen, lijkt de tijd stil te staan, maar dat doet het leven gelukkig niet.
Eten, vooral lekker, dat is mijn passie. En wat maakt een avond compleet? Een goed glas whisky en een sigaar. Dan heb je het wel zo’n beetje, vind ik. Proost!

Laat een reactie achter