()

Wie voor het eerst een Thaise tempel binnenwandelt, ziet vooral goud, glinsterende beelden en daken die zo de hemel in lijken te krullen. Indrukwekkend, maar ook overweldigend. Want wat doe je in welk gebouw, en waar mag je eigenlijk komen? De meeste bezoekers slenteren wat rond, maken foto’s en lopen weer naar buiten zonder echt te begrijpen wat ze hebben gezien.

Dat is jammer, want een Thaise wat is geen toevallige verzameling tempelhallen. Het is een strak georganiseerd religieus dorp, met een eeuwenoude indeling waarin elk gebouw een eigen taak vervult. Als je die logica eenmaal doorhebt, wordt elk volgend tempelbezoek een stuk rijker. In dit artikel nemen we je stap voor stap mee over het terrein.

Wat is een wat eigenlijk?

Een Thais tempelterrein is geen gebouw, maar een ommuurd gebied vol gebouwen, bomen en soms zelfs vijvers. Het Thaise woord ‘wat’ komt van het Pali vāṭa, wat letterlijk omheining betekent. Die muur is geen versiering: hij scheidt de gewijde grond binnen van de gewone wereld erbuiten. Achter die muur vind je tempelhallen, woonvertrekken voor monniken, een bibliotheek, een klokkentoren, vaak een dorpsschool en niet zelden een crematorium.

Eeuwenlang vormde de wat het kloppend hart van het Thaise dorp: religieus centrum, school, ontmoetingsplek, raadhuis en sociale opvang in een. Volgens het Thaise National Office of Buddhism telt het land rond de 40.000 wats, waarvan ongeveer 310 koninklijke. Daar leven naar schatting tussen de 250.000 en 300.000 monniken, plus tienduizenden noviezen. Recente cijfers tonen een lichte daling, vooral omdat steeds minder jonge Thaise mannen kiezen voor de tijdelijke wijding die vroeger gebruikelijk was.

De twee gezichten: phutthawat en sangkhawat

Vrijwel elke wat in Thailand bestaat uit twee zones. Aan de ene kant ligt de phutthawat, het deel dat aan Boeddha is gewijd, met de gebedshallen en de stoepa. Aan de andere kant ligt de sangkhawat, het woondeel waar de monniken slapen, eten en studeren. Bezoekers komen vrijwel altijd alleen in de phutthawat. De sangkhawat is geen verboden gebied, maar wel privé. Vergelijk het met de slaapkamer en de keuken van een gemeenschap.

Die tweedeling verklaart een opmerkelijk contrast op het terrein. Aan de ene kant kniel je voor een schitterende gouden Boeddha, honderd meter verderop zie je een monnik gewoon zijn oranje gewaad ophangen aan een waslijn. Beide horen er volledig bij en versterken juist het besef dat een tempel een levende plek is, geen museum.

De ubosot: het heilige hart

Het belangrijkste gebouw is de ubosot, vaak afgekort tot bot. Dit is de wijdingshal, waar nieuwe monniken hun gelofte afleggen. Het is meestal een rechthoekig gebouw van baksteen of metselwerk, met een steil opgaand pannendak en kleine raampjes. Binnen domineert een groot zittend Boeddhabeeld dat naar de ingang kijkt. De entree wijst bijna altijd naar het oosten, richting de opkomende zon.

Je herkent de ubosot aan acht bai sema, kleine grensstenen rond het gebouw die de gewijde grond markeren. Een negende ligt onder het hoofdaltaar begraven. Volgens de regels moet er minstens plek zijn voor 21 monniken tegelijk, anders mag het gebouw geen ubosot heten. In sommige noordelijke tempels mogen vrouwen niet naar binnen. Dat is geen vijandigheid, maar een oude regel die met de wijdingsritus te maken heeft.

Wihan, chedi en prang: hallen en relieken

De wihan lijkt op de ubosot, maar is veel toegankelijker. Hier komen monniken én leken samen voor preken, ceremonies, gebed en meditatie. Grote tempels hebben er meerdere; Wat Pho in Bangkok telt er zelfs negen. Voor bezoekers is dit het gebouw waar je het meeste tijd doorbrengt: voor een offer, om een Boeddhabeeld te bewonderen of om een monnik je te laten zegenen met heilig water.

De chedi (elders ook wel stoepa genoemd) is meestal klokvormig en goud. Onderin zit een reliekkamer met restanten van de Boeddha, een belangrijke monnik of een lid van de koninklijke familie. Elke tempel heeft minstens een hoofd-chedi. In Sukhothai en Ayutthaya zie je daarnaast prangs, de maïskolfvormige torens van Khmer-oorsprong met dezelfde functie. De Phra Pathom Chedi in Nakhon Pathom is met ongeveer 120 meter een van de hoogste boeddhistische stoepa’s ter wereld.

Bibliotheek, klokkentoren, mondop en sala

Op een tempelterrein vind je een aantal kleinere, maar belangrijke gebouwen. Elk met een eigen functie binnen het dagelijkse leven van de monniken en de gemeenschap:

  • Ho trai: de bibliotheek met de heilige geschriften (de Tipitaka). In Centraal-Thailand staat dit gebouw vaak op palen midden in een vijver, om insectenvraat tegen te gaan. In het noorden is het juist een hoog bakstenen bouwwerk met een steile, soms uitneembare trap. Vroeger werden de teksten met een metalen stift in palmbladeren gekrast en met soet leesbaar gemaakt.
  • Ho rakhang: de klokkentoren die monniken oproept voor gebeden, de maaltijd en ceremonies. Soms hangt er een hele rij bellen.
  • Mondop: een vierkant gebouw met een spitse dak, dat dienst kan doen als schrijn, bibliotheek of bewaarplaats. De Phra Mondop op het terrein van Wat Phra Kaeo in Bangkok is daarvan een fraai voorbeeld.
  • Sala: een open paviljoen met een dak op pijlers en zonder muren. Bezoekers zoeken er schaduw, gelovigen rusten er uit en monniken geven er les. De grotere variant heet sala kan parian, bedoeld voor onderricht en de middaggebeden.

Waar wonen de monniken? De kuti

Hier komen we in de sangkhawat. De woonvertrekken heten kuti (of guti). Vroeger waren dit eenvoudige houten cellen op palen, een per monnik, sober ingericht met een slaapmat, een muskietennet, een paar boeken en een waterkan. Tegenwoordig zie je in stedelijke tempels vaker moderne flats met afzonderlijke kamers, soms zelfs met airco. Op het platteland en in boskloosters blijft de soberheid grotendeels overeind.

In een gemiddelde dorpstempel wonen tien tot dertig monniken, in grote stadstempels honderden. Hun dagritme ligt vast: opstaan rond vier uur ’s ochtends, mediteren, daarna de bedelronde door de buurt (de bin tha bat), terug voor de enige warme maaltijd voor twaalf uur, en daarna studie, schoonmaakwerk en ceremonies. Na het middaguur eten ze niets meer. Tot de sangkhawat horen ook de keuken, de eetzaal, het sanitair en de opslag. Niets bijzonders dus, gewoon de bedrijfsvoering van een kloostergemeenschap.

Bodhiboom, crematorium en hindoeïstische schrijnen

Op vrijwel elk tempelterrein staat een bodhiboom, een vijgenboom die symbool staat voor de boom waaronder de Boeddha tot inzicht kwam. Rond de stam zie je vaak gele of oranje stoffen banden en kleine offers. Veel wats hebben ook een crematorium, de meru of phra men, herkenbaar aan een aparte schoorsteen. Boeddhisten worden traditioneel gecremeerd en de tempel is daarvoor de aangewezen plek. Volgens oud gebruik gebeurt dat pas na een week, zodat familie en gemeenschap rustig afscheid kunnen nemen.

Daarnaast vallen de hindoeïstische elementen op. Een schrijn voor Ganesha, beelden van Brahma of Indra, en bij de poort wachters in de vorm van yaksha (reuzen) of Singha (leeuwen). Het Thaise boeddhisme heeft eeuwenlang hindoeïstische, animistische en Khmer-invloeden in zich opgenomen, en dat zie je terug in elk hoekje van de tempel.

Bos- of dorpsklooster: een wezenlijk verschil

Niet elke wat is gelijk. Grof gezegd bestaan er twee tradities. De gewone dorps- of stadstempel (wat ban) is sterk verweven met de gemeenschap: monniken bedelen, geven les, zegenen huizen en begeleiden begrafenissen. Salawats langs de weg dienden vroeger als hulppost voor zieken en armen, een soort vroege voedselbank. En in het zogenaamde dek wat-systeem konden arme jongens via de tempel toch onderwijs volgen, iets wat tot vandaag in arme regio’s nog gebeurt.

De boskloosters (wat pa) liggen vaak afgelegen en richten zich op meditatie en strikte naleving van de monastieke regels (Vinaya). Bosmonniken mogen geen geld aanraken en leven uiterst sober. De beweging ontstond rond 1900, toen monniken de bossen introkken op zoek naar innerlijke rust. Beroemd is de traditie van Ajahn Chah, met onder meer Wat Pah Nanachat in Ubon Ratchathani, het eerste boskloster speciaal opgericht voor westerse monniken.

Tot slot

Een Thaise wat is veel meer dan een toeristische trekpleister. Het is een religieus, sociaal en cultureel knooppunt waar elk gebouw een eigen functie vervult. Wie weet dat de ubosot het heilige hart vormt, de wihan de woonkamer is, de chedi relieken bewaart en de kuti de slaapcel van de monnik is, kijkt heel anders rond. De volgende tempel die je bezoekt, leest dan opeens als een open boek.

Bronnen: National Office of Buddhism Thailand, Wikipedia, The Temple Trail, Thailand by Train, Temple Stairway, Boeddhistisch Dagblad, Verken Thailand

Hoe leuk of nuttig was deze posting?

Klik op een ster om deze te beoordelen!

Gemiddelde waardering / 5. Stemtelling:

Tot nu toe geen stemmen! Wees de eerste die dit bericht waardeert.

Omdat je dit bericht nuttig vond...

Volg ons op sociale media!

Het spijt ons dat dit bericht niet nuttig voor je was!

Laten we dit bericht verbeteren!

Vertel ons hoe we dit bericht kunnen verbeteren?

Over deze blogger

Redactie
Redactie
Dit artikel is geschreven en gecontroleerd door de redactie. De inhoud is gebaseerd op persoonlijke ervaringen, meningen en eigen onderzoek van de auteur. Waar relevant is er gebruikgemaakt van ChatGPT als hulpmiddel bij het schrijven en structureren van teksten. Wij genereren soms ook foto's met AI. Hoewel er zorgvuldig wordt omgegaan met de inhoud, kan niet worden gegarandeerd dat alle informatie volledig, actueel of foutloos is.
De lezer is zelf verantwoordelijk voor het gebruik van de informatie op deze website. De auteur aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade of gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van de geboden informatie.

Laat een reactie achter