Het begon bij de dorpswinkel met een fles bakolie, een zak koffie en een biljet van duizend baht dat volgens mij nauwelijks iets mankeerde. Er zat een scheurtje van twee centimeter in de rand. In Nederland zou een kassière het gladstrijken en zonder aarzelen in de geldlade stoppen.

De winkelierster hield het echter tegen het licht, alsof ik haar een vervalst staatsdocument had gegeven. Ze draaide het om. Daarna nog eens. Haar mond trok samen. Achter mij wachtten twee schoolkinderen en een man met een zak cement op het verdere verloop van mijn financiële ondergang.

“Mai dai,” zei ze.

Dat betekende dat het niet kon.

Ik streek het biljet zorgvuldig glad en hield mijn duim over het scheurtje. Daarmee had ik naar mijn idee overtuigend aangetoond dat het probleem niet langer bestond.

Zij schoof het biljet terug.

Daar stond ik dan. Een oudere Nederlander met voldoende geld om zijn boodschappen te betalen, maar zonder geld dat volgens de plaatselijke normen daadwerkelijk bruikbaar was. De winkelierster trok de fles met olie en de koffie langzaam naar zich toe, alsof ze wilde voorkomen dat ik ermee naar Cambodja vluchtte.

Ik pakte mijn bril en onderzocht het biljet zelf. Naast het scheurtje zag ik een vaag blauw streepje bij het portret van de koning. Geen ernstige verminking. Hooguit een kleine levenservaring. Het biljet had duidelijk meer meegemaakt dan ik, maar was nog altijd beter in vorm.

De man met het cement legde zijn zak neer en kwam erbij staan. Hij droeg een oranje voetbalshirt en miste de helft van zijn rechterwijsvinger. Dat gaf hem onmiddellijk het gezag van iemand die vaker beschadigde zaken had beoordeeld.

Hij hield het biljet tegen het licht.

De schoolkinderen gingen op hun tenen staan. De winkelierster pakte een loep uit een la. Waarom zij een loep tussen de vissaus en telefoonkaarten bewaarde, durfde ik niet te vragen. In een dorp krijgt ieder voorwerp vroeg of laat een functie.

De man streek met zijn nagel over het scheurtje en schudde ernstig zijn hoofd.

“Bank,” zei hij.

Dat was een analyse waar ik zelf ook op had kunnen komen. Alleen lag de dichtstbijzijnde bank achttien kilometer verderop. Mijn ochtendplan bestond uit koffie kopen en naar huis rijden, niet uit een reddingsoperatie voor gewond papiergeld.

Een van de schoolkinderen maakte inmiddels een foto. Waarschijnlijk circuleerde mijn biljet al in drie groepsapps voordat ik de winkel had verlaten.

Ik rekende af met kleinere briefjes en stapte naar buiten. Daar zat buurvrouw Lek onder een blauw afdak papaja’s schoon te maken. Zij is een kleine vrouw met een strooien hoed en een stem waarmee ze zonder microfoon een rijstveld kan ontruimen.

De winkelierster riep iets naar haar. Lek legde haar mes neer en wenkte me.

Binnen enkele minuten was mijn privévermogen een openbare dorpskwestie geworden.

Lek kneep in het biljet, rook eraan en wreef het tussen duim en wijsvinger. Ik had niet de indruk dat deze handelingen in de richtlijnen van de centrale bank stonden, maar niemand twijfelde aan haar methode.

“Echt,” zei ze uiteindelijk.

Dat wist ik.

Het probleem was niet dat het biljet vals was. Niemand wilde er als laatste eigenaar mee blijven zitten. Een beschadigd bankbiljet is in ons dorp een financiële hete aardappel. Zolang je het kunt doorgeven, heeft het waarde. Blijf je ermee zitten, dan bezit je een groen stukje papier met een reisprobleem.

Lek nam het mee naar de noedelverkoopster. Die veegde haar handen vluchtig af aan haar schort, waardoor er een vetvlek op de rand kwam. Mijn kleine scheurtje had nu gezelschap.

De noedelverkoopster riep haar man. Haar man haalde een buurman erbij die ooit bij een bank had gewerkt. Later bleek dat hij daar drie maanden de airconditioning had onderhouden. Dat deed niets af aan zijn status. In een dorp is nabijheid tot deskundigheid vaak voldoende.

Hij vouwde het biljet dubbel, hield het tegen het licht en bestudeerde het serienummer.

“Goed nummer,” zei hij.

Daarmee veranderde het onderzoek van financieel in spiritueel.

De noedelverkoopster schreef de laatste drie cijfers op een stuk karton. Lek deed hetzelfde. Een oude man op een brommer stopte, hoorde het verhaal en noteerde het nummer op zijn hand. Het biljet dat nergens welkom was, bevatte ineens waardevolle loterijinformatie.

Toen arriveerde mijn vrouw. Natuurlijk had iemand haar gebeld. In Nederland kun je ongemerkt failliet gaan, maar in ons dorp kun je geen beschadigd bankbiljet aanbieden zonder dat je echtgenote binnen een kwartier op de hoogte is.

Ze keek naar de verzamelde deskundigen en daarna naar mij.

“Waarom geef je het niet aan mij?”

Ik legde uit dat de winkelierster het had geweigerd, dat het mogelijk naar de bank moest en dat het serienummer inmiddels gunstige eigenschappen bezat. Mijn vrouw luisterde met de blik die ze bewaart voor momenten waarop mijn westerse verstand opnieuw een diepe kuil voor zichzelf heeft gegraven.

Ze pakte het biljet, liep naar de fruitkraam en kocht een watermeloen.

De verkoopster nam het aan.

Geen loep. Geen vergadering. Geen deskundige met een verleden in airconditioning. Ze stopte het briefje in haar geldkistje en gaf wisselgeld.

“Hoe deed je dat?” vroeg ik.

Mijn vrouw kende de verkoopster. De verkoopster kende haar. Als het biljet bij de bank problemen gaf, zouden ze dat later wel regelen.

Daar zat het verschil. Ik probeerde geld uit te geven als anonieme klant in een systeem. Mijn vrouw gaf het aan iemand met wie ze vorige week nog mango’s had gedeeld. Mijn biljet was beschadigd. Hun verhouding niet.

Die middag kreeg ik bij een ander kraampje een briefje van twintig baht terug met een gat, twee vetvlekken en een strook vergeeld plakband.

Ik wilde protesteren.

Maar de verkoopster glimlachte en achter mij stond iemand te wachten. Ik stopte het dus rustig in mijn portemonnee. Het zag eruit alsof het een oorlog had overleefd, maar ik had inmiddels begrepen dat geld hier niet alleen draait om vertrouwen in papier.

Vertrouwen in de buurvrouw is meestal ook voldoende…

Over deze blogger

Farang Kee Nok
Farang Kee Nok
Mijn leeftijd valt officieel onder de categorie ‘bejaard’. Ik woon al 28 jaar in Thailand, probeer dat maar eens na te doen. Nederland was ooit het paradijs, maar het raakte in verval. Dus ging ik op zoek naar een nieuw paradijs en vond Siam. Of was het andersom en vond Siam mij? Hoe dan ook, we waren elkaar goed gezind.

De ICT zorgde voor een regelmatig inkomen, iets wat jullie ‘werk’ noemen, maar voor mij was het vooral een tijdverdrijf. Schrijven, dat is de echte hobby. Voor Thailandblog pak ik die oude liefde weer op, want na 15 jaar zwoegen verdienen jullie wel wat leesvoer.

Ik begon op Phuket, verhuisde naar Ubon Ratchathani, en na een tussenstop in Pattaya woon ik nu ergens in het noorden, midden in de natuur. Rust roest niet, zeg ik altijd, en dat blijkt te kloppen. Hier, omgeven door het groen, lijkt de tijd stil te staan, maar dat doet het leven gelukkig niet.
Eten, vooral lekker, dat is mijn passie. En wat maakt een avond compleet? Een goed glas whisky en een sigaar. Dan heb je het wel zo’n beetje, vind ik. Proost!

1 reactie op “‘De ochtend waarop mijn bankbiljet te mooi was om uit te geven’”

  1. william-Korat zegt op

    Haha, herkenbaar verhaal! Ik heb dit in het verleden ook vaak van een afstandje meegemaakt met lokale winkeliers. Dat leidde soms tot echt hysterische taferelen. Zodra er ook maar een klein krasje of scheurtje op een bankbiljet zit, haalt men er in Thailand meteen van alles bij. De typische echtheidskenmerken – die je met een simpele Canonprinter echt niet kunt namaken – begrijpen ze vaak niet. Ik heb toen maar zo’n UV-lamp gekocht waarmee ze de echtheid konden controleren. Maar ja, dan nog blijft het probleem dat de Thaise middenstand een biljet met een scheurtje simpelweg niet waarderen.

    0

Laat een reactie achter