Willem Hendrik Senn van Basel bleef zich tijdens zijn verblijf als Nederlandse consul in Siam onophoudelijk verbazen over land en vooral volk. Nochtans moet hij, geboren en getogen in Nederlands-Indië, wel wat gewend zijn geweest…

Ondanks het feit dat zijn boekje Schetsen uit Siam in heel wat aspecten afwijkt van de traditionele beschrijvingen die in die periode van de persen rolden, was hij het over één zaak roerend eens met andere Europese pennenridders die hun Siamese ervaringen aan het papier hadden toevertrouwd: de Siamezen gaven geen moer om openbare hygiëne.

Lees en geniet mee wanneer hij het bijvoorbeeld in geuren en kleuren over het toenmalige Chinatown heeft: ‘Na eenige minuten loopen zijn we er reeds. ‘In Lande der Chinese. Bin ich niemals gewesen,’ doch ik veronderstel, dat er in de volkrijkste steden van het Hemelsche Rijk geen opeenhoping van meer menschen in een kleine ruimte, geen vuiler omgeving en walgelijker stank waar te nemen is, dan hier, in deze wijken van Bangkok (…) Een markt van levende en versche artikels is hier ook en onderscheidt zich door een nog grootere vuilheid, waarin afzichtelijke honden op den afval azen, terwijl kinderen in de aan weerszijden van de weg loopende stinkende goot visschen vangen, waterdragers, rondventers en koelies heen en weer lopen en Siameesche grooten  hun tijd doodden met flaneeren. Voor goede circulatie wordt niet gezorgd, al staan er op sommige punten ook, in versleten uniformen  gehuld, inlandsche politieagenten. Hier heeft een Chinees midden op de straat tijdelijk een gebouw neergezet om zijn god te vereeren; een weinig verder moeten we onder een Chineesch theater doorlopen op het gevaar af, dat daaruit tegelijk iets weinigs verfrisschends neervalt; paarden, door half naakte Siameezen bereden, komen de reeds moeilijke beweging nog meer belemmeren, en voorzichtigheidshalve moeten wij altijd door rondzien, zoodat wij zelfs geen tijd hebben om de noodige opmerkzaamheid te wijden aan de fraaie vrouwenkopjes, die ook dit oord nog bekoorlijk maken. Vruchten van Chineesche en Siameesche vermenging zijn deze schoonen.’

 

Zelfs het koninklijke paleis ontsnapte niet aan deze trend: ‘Binnenkomende worden we weer getroffen door sommige scherpe contrasten. Vuilheid en weelde zijn hier vereenigd. Naast de prachtigste bronzen beelden, verborgen onder de woekerende tropische planten, naast draken met afgehouwen koppen, Chineesche mandarijnen van graniet wier ledematen verminkt zijn, staan in den met messing vloertegels belegden voorhof  van ’s konings Wat, twee heerlijke marmeren beelden, door Lodewijk XIV geschonken. In het paleis voert de Hindoestijl den boventoon, maar is evenmin de Europeesche kunst uitgesloten. Zelfs is de gevel een imitatie van die der Tuileriën.  En naast de rijke, met blauw en zijde-damasten ameublementen gestoffeerde vertrekken, liggen de kamers  waarin de honderden vrouwen verblijf houden en waarvan zelfs de drempels bedekt zijn met een allerwalgelijkste laag luchtbedervend vuil.’

Terwijl hij zijn sympathie voor de gewone Siamezen niet onder stoelen of banken stak, tapte hij uit een heel ander vaatje wanneer hij het in zijn Schetsen uit Siam over de rijken en machtigen in het koninkrijk had. Alhoewel ik in het Nationaal Archief in Den Haag geen sluitend bewijs vond, heb ik zo’n donkerbruin vermoeden dat één of meer van deze Siamese machtigen op een of andere manier de hand hebben gehad in het gedwongen ontslag van Willem Hendrik Senn van Basel als consul en dat hij Schetsen uit Siam gebruikt heeft om zijn  gram te halen.  Bij het beschrijven van een tuinfeest op het riante domein van de minister van Buitenlandse Zaken kon hij het bijvoorbeeld niet nalaten een ontluisterend portret van de in zijn ogen leeghoofdige Siamese Beau Monde te schilderen: ‘ De Siameezen, vooral zij die voor korteren of langeren tijd in Europa geweest zijn en daardoor wat Engelsch verstaan en zich iets van de Europesche manieren  hebben eigen gemaakt, nemen deze gelegenheid waar om het geleerde ten toon te stellen. Het bestaat in biljart spelen, in drinken en vloeken, in ’t opdisschen van zeer gewaagde anecdotes en in ’t aantrekken van fraaie kleren. Dat is het eenige resultaat van  hun kostbare opvoeding.’

Alsof dit nog niet volstond bleken de leidende kringen in het land naar het aanvoelen van Willem Hendrik voornamelijk uit luilakken te bestaan: ‘De groote of rijke Siamees maakt  van den nacht een dag en omgekeerd, komt meestal niet voor tien uur ’s morgens uit zijn bed, ontbijt met zijn eerste vrouw en ontvangt de enkele personen die hem dringend moeten spreken, en gaat vervolgens – ’t is dan langzamerhand één uur geworden – weder ter ruste om niet voor vijf, zes uur opnieuw te voorschijn te komen. Tegen dien tijd begint voor deze Siameezen werkelijk de dag, vangen ze aan te werken, bezoeken af te leggen, onderhandelingen aan te knoopen of af te breken en zij keeren in den regel niet voor uur ’s avonds naar huis of in en huiselijken kring, waar zij dan, los van alle zaken, met zang en dans, met comediespel of voordrachten, door hun jonge vrouwen of vrouwelijke bedienden uit te voeren, den tijd doorbrengen tot drie, vier uur in en ochtendstond, als wanneer zij weer zich ter ruste begeven.’

Om over de verspilzucht van de rijken en machtigen nog te zwijgen: ‘Wat zelfs den vluchtigsten bezoeker van Siam niet kan ontgaan, is de prodigieuse wijze waarop de Siameesche grooten of rijken hunne inkomsten verteeren. Daarvan getuigt de menigte stoomvaartuigen, welke men langs de oevers van de rivier of in de tallooze kreken en kanalen die Bangkok in zovele eilanden verdelen, aantreft. Verlaten of slechts bewaakt  door enkele pandelingen, die zelven het vaartuig berooven van alles wat waarde heeft om hun lust tot dobbelen of overspel te voldoen; daarvan getuigen  verder de Boeddha-tempels welke voortdurend worden bijgebouwd, terwijl men met het herstellen van reeds bestaande tempels ruimschoots zou kunnen volstaan; daarvan getuigen insgelijks de prachtige paleizen met weelde gestoffeerd, waaraan evenmin ooit de hand geslagen wort met het doel om en schadelijken invloed van tijd en gebruik te doen verdwijnen; daarvan eindelijk getuigen de ontelbare producten van Europeesche kunst en nijverheid, welke tegen ongehoorde prijzen gekocht zijn, om spoedig daarna, verwaarloosd en vergeten te worden’.

Het blijft in ieder gevel een merkwaardig gegeven dat een gewezen diplomaat zijn hand er niet voor heeft omgedraaid om een aantal minder frisse praktijken aan de kaak te stellen en -wat in die tijd helemaal ongebruikelijk was – daarbij man en paard noemde  Wanneer hij vermelde dat het gewezen logemensthuis van de gebroeders Falck & Co. getransformeerd was in een instelling ‘ die het familieleven niet bevordert en waarvan kiesheidshalve de naam liefst ongenoemd moet blijven’, gaf hij meteen ook lucht aan zijn verwondering over de betrokkenheid van een van de machtigste figuren in de stad bij deze hoerenkast: ‘Om den moreelen toestand van dit land te doen kennen, wordt hier aangestipt, dat die inrichting onder de hoge bescherming van den gouverneur van Bangkok, Phra Rott Rong Murry  (Phya Rong Mu’ang) staat, en, naar sommigen beweren; voor zijn rekening tot stand is gebracht. Hij heeft de controle erover en geniet er de geldelijke voordelen van; buitendien is hem het innen van de belasting op het houden van andere, dergelijke huizen opgedragen, welke een tiende van de bruto-inkomsten beloopt, en jaarlijks een bedrag van plus minus 300 katti’s of 36.000 gulden opbrengt, dat volgens ’s lands instellingen alleen voor het maken en onderhouden van bruggen, wegen  en kanalen gebruikt mag worden.’  Of wat dacht u van deze: ‘De familie van den ouden Regent – de Surawongse, gewoonlijk Kalahome genoemd –  ontvangt 10 % van de opium die in het groot en het klein door het Gouvernement zélf verkocht wordt.’

Voor een – gewezen – diplomaat was Willem Hendrik Senn van Basel ongemeen scherp in zijn eindoordeel over de groten in het land die in zijn ogen het volk gecorrumpeerd hebben: ‘ De bedroevende toneelen welke wij beschreven en waarvan wij getuige waren, zijn even onteerend voor de bestuurders van Siam als zij onrecht doen aan de geaardheid van het volk  en geest van den godsdienst, welke bij die van andere Aziatische volkeren zoo gunstig afsteekt omdat hij verdraagzaamheid en zachtheid predikt, strijd voert tegen ruw geweld. Maar de zucht naar weelde en eigenwaan der prinsen en grooten, die zich op één lijn willen stellen met de aanzienlijken der Europeesche natiën , hebben hen den zedelijken val doen bewerken van het volk, om hun steeds klimmenden gelddorst te kunnen voldoen. Zij hebben opiummisbruik en dronkenschap tot de gewone attributen van den Siamees gemaakt; zij hebben de dobbelhuizen en hanengevechten bevolkt: zij hebben de inwoners laten uitzuigen door de pachters, opdat de pachtschatten buiten evenredigheid zouden kunnen worden opgevoerd ten hunnen bate; zij hebben in het pandelingschap het volk een middel doen vinden om zijn drink- en dobbelwoede te kunnen botvieren; zij hebben rooven en moorden tot een winstgevend bedrijf der grooten gemaakt waarvoor de gevangenissen het noodige personeel verschaffen…’

Ik vraag mij intussen, honderdveertig jaar later, af of de Haagse politiek wel opgezet is geweest is met Willem Hendriks ‘ ontboezemingen uitgerekend op een ogenblik dat, na het debacle van de VOC, de betrekkingen met Siam weer begonnen te normaliseren…

Lung Jan


» Laat een reactie achter


No votes yet.
Please wait...

2 reacties op “Schetsen uit Siam – Thailand door een Hollandse bril: Rare jongens, die Siamezen….”

  1. Cornelis zegt op

    Een man met een scherpe bik – en een scherpe pen, deze Willem Hendrik! Dank voor deze interessante bijdrage, Lung Jan.

  2. Joop zegt op

    Leuk verhaal; dank daarvoor !


Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website