
Mijn Vlaamse vriend draaide mijn telefoon met het scherm naar beneden voordat ik het bericht van Ploy kon openen. Hij deed dat rustig, met twee vingers, alsof hij een omgevallen suikerzakje rechtzette. Daarna schoof hij mijn koffie naar me toe en zei dat ik eerst mijn verhaal moest afmaken. Volgens hem keek ik iedere keer naar mijn telefoon alsof daar de uitslag van een medisch onderzoek op kon verschijnen.
We zaten in een eenvoudig restaurant aan Thepprasit Road. Aan de tafel naast ons at een Thaise familie uit een grote pan sukiyaki en boven de bar hing een televisie waarop zonder geluid een bokswedstrijd werd uitgezonden. Mijn vriend had voorgesteld daar af te spreken, nadat ik hem de avond ervoor had geschreven in WhatsApp dat ik zijn mening nodig had. Dat doe ik meestal pas wanneer ik mijn eigen mening niet vertrouw.
Ik vertelde hem alles. Over Ploy, Krit en de 68.400 baht. Over de betalingen die wel waren gedaan, maar bij Krits moeder terecht waren gekomen. Over de brommer, de nieuwe kamer boven de wasserette en de baan in het hotel. Daarna kwam Fah aan de beurt, die haar moeder niet wilde verlaten, maar ook geen afscheid van Krit wilde nemen. Ten slotte vertelde ik dat Krit niet met Ploy wilde praten zolang ik niet bij de koffiezaak verscheen.
Mijn Vlaamse vriend liet me uitpraten. Dat duurde vrij lang, want de afgelopen dagen hadden meer gebeurtenissen dan sommige jaren van mijn huwelijk in Nederland. Halverwege bestelde hij nog een koffie. Bij de uitleg over het schrift van Krits moeder vroeg hij alleen of ik zeker wist dat ik het goed had begrepen. Dat wist ik niet helemaal, dus vertelde ik het nog een keer.
Toen ik klaar was, keek hij naar mijn telefoon.
‘En hoe lang kent ge die vrouw nu?’
Ik noemde het aantal dagen. Hardop klonk het korter dan in mijn hoofd.
Hij begon de onderdelen van mijn verhaal op zijn vingers af te tellen. Ploy was getrouwd, haar echtgenoot had geldproblemen, beide families bemoeiden zich ermee, haar dochter wilde contact met Krit houden en er bestond onduidelijkheid over ruim zestigduizend baht. Bovendien was Ploy net verhuisd, aan een nieuwe baan begonnen en dacht ze alweer aan een ontbijtwagentje.
‘En gij zijt waar precies in dat verhaal?’
Dat was een vervelende vraag, vooral omdat ik er zelf geen goed antwoord op had. Ik was niet haar partner, niet haar geldschieter en niet de vader van haar dochter. Officieel was ik weinig meer dan een man die dozen had gedragen en ’s morgens vroeg met een verkeerd geschreven bord op een busstation had gestaan. Toch wist ik inmiddels meer over haar problemen dan over het leven van sommige mensen die ik al twintig jaar kende.
Mijn vriend zei niet dat Ploy slecht voor mij was. Hij vond haar ook geen bedriegster, hoewel hij Krits verzoek om geld behoorlijk verdacht bleef vinden. Waar hij vooral moeite mee had, was mijn neiging om meteen een vrije plaats in iemands leven te bezetten. Als er een chauffeur nodig was, reed ik. Moest er worden verhuisd, dan droeg ik dozen. Was er ruzie, dan luisterde ik. En zodra niemand wist wat er moest gebeuren, begon ik alvast een oplossing te bedenken.
Daarop verdedigde ik mezelf. Ploy had niet om geld gevraagd en had haar nieuwe kamer zelf betaald. Ze had bovendien zelfstandig werk gezocht, haar administratie bewaard en haar dochter naar Pattaya laten komen. Dat paste niet bij het beeld van een hulpeloze vrouw die een oudere buitenlander langzaam leegschudde.
Mijn Vlaamse vriend knikte. Volgens hem had ik waarschijnlijk gelijk.
‘Maar ge zijt niet alleen verliefd op haar,’ zei hij. ‘Ge zijt ook verslaafd aan nodig zijn.’
Ik vond verliefd een te groot woord en verslaafd overdreven. Dat zei ik ook. Daarna pakte ik mijn koffie, die inmiddels koud was geworden, en keek ik naar de bokswedstrijd boven de bar. Een van de vechters hing in de touwen, terwijl zijn trainer buiten beeld drukke aanwijzingen gaf. Ik voelde enige verwantschap met hem, al had ik mijn klappen tot dan toe vooral zelf uitgedeeld.
Mijn vriend kende me goed genoeg om niet verder te duwen. Hij at de laatste twee stukken mango van het bord en wachtte totdat ik zelf weer begon.
Wat mij bij Ploy aantrok, liet zich niet eenvoudig wegstrepen tegen haar problemen. Ze was interessant, juist omdat ze niet op mij wachtte om haar leven te regelen. Ik dacht aan de schriften waarin zij de kosten van rijst, gas en kokosmelk had berekend. Aan haar vroege bezoeken aan de markt bij de wasserette en aan de manier waarop ze pas glimlachte toen ze haar werkschoenen had gevonden. Ze kon scherp uit de hoek komen en was soms moeilijk te volgen, maar ze had ook iets vastberadens wat me raakte. Bij haar voelde ik me wakker. Dat was op mijn leeftijd geen onbelangrijk voordeel.
Alleen kreeg ik Krit, Fah, twee moeders, een tante en een schuld met verschillende bedragen bij die gevoelens cadeau. Zelfs Snow hoorde inmiddels bij de overeenkomst, al was die kat waarschijnlijk het enige familielid dat niets van mij verlangde.
Mijn Vlaamse vriend zei dat ik de verkeerde vraag stelde. Het ging er volgens hem niet om of Ploy al dat gedoe waard was. Een mens was geen hotelkamer waarbij je na het bekijken van de voorzieningen bepaalde of de prijs redelijk bleef. De vraag was of ik haar werkelijke leven aankon zonder haar voortdurend te willen redden of veranderen.
Dat kwam dichterbij.
Ik had mezelf verteld dat ik Ploy beter wilde leren kennen, maar in werkelijkheid was ik al bezig geweest haar leven overzichtelijker te maken. Misschien deed ik dat voor haar. Misschien ook voor mezelf, want zolang ik problemen oploste, hoefde ik niet na te denken over wat zij werkelijk van mij verwachtte. Een chauffeur of dozenverhuizer kon nuttig zijn zonder zich af te vragen of een vrouw van hem hield.
Onderweg naar huis opende ik eindelijk haar bericht. Ze schreef dat het gesprek met Krit zonder mij was doorgegaan. Hij was uiteindelijk toch naar binnen gekomen, nadat Suda hem buiten bijna tien minuten had toegesproken. Fah had haar vragen gesteld en Krit had beloofd dat ze contact mochten houden. Over de verdwenen betalingen was opnieuw ruzie ontstaan. Ploy wilde daar voorlopig niets meer over horen.
Daarna vroeg ze of ik boos op haar was.
Ik las het bericht in een bahtbus waarin behalve ik nog zeven passagiers en twee boodschappentassen met levende vissen zaten. Telkens wanneer de wagen remde, sloeg een staart tegen het plastic. Het leek me geen geschikt moment voor een beslissing over mijn toekomst, dus stopte ik mijn telefoon weg.
Thuis bleef de vraag liggen.
De stilte in mijn condo in Naklua, waar ik de afgelopen dagen zo naar had verlangd, voelde ineens groter dan nodig. Er stonden geen dozen, niemand belde met familie in Buriram en op mijn tafel lag geen administratie van een verdwenen brommerschuld. Alles was precies zoals ik het zelf had ingericht. Dat was comfortabel, maar comfort en geluk bleken opnieuw niet hetzelfde te zijn.
Ik probeerde me voor te stellen hoe het met Ploy verder zou gaan. Krit zou niet zomaar verdwijnen, want Fah wilde hem blijven zien. De schuld moest nog worden geregeld en beide families zouden hun mening blijven geven. Ploy moest iedere ochtend vroeg naar het hotel en wilde misschien opnieuw een eetkar beginnen. Wie bij haar wilde horen, kreeg geen lege bladzijde. Haar verhaal was al halverwege en er stonden opmerkingen in de kantlijn die ik niet kon lezen.
De eerlijkste gedachte was ook de minst fraaie: ik wilde Ploy graag, maar niet alles wat bij haar hoorde.
Daar schaamde ik me eerst voor. Daarna bedacht ik dat veel mensen waarschijnlijk zo aan een relatie beginnen. Je valt op een stem, een glimlach of de manier waarop iemand een doos met kookboeken bewaart. Pas later ontdek je dat achter die persoon een compleet magazijn staat, inclusief familie, oude schulden, gewoontes en mensen die nog een sleutel hebben.
Rond zeven uur belde mijn Vlaamse vriend nog even. Hij wilde alleen weten of ik inmiddels een besluit had genomen. Ik zei dat ik geen geld zou lenen, geen bemiddelaar meer wilde zijn tussen Ploy en Krit en niet opnieuw buiten een koffiezaak ging wachten totdat iemand me nodig had. Ploy wilde ik echter wel blijven zien.
Hij vond dat nog geen besluit, maar een lijst met voorwaarden.
‘Voor u is dat al vooruitgang,’ voegde hij eraan toe.
Daarmee moest ik het doen.
Ik schreef Ploy dat ik niet boos was, maar dat alles me te snel ging. Ik wilde haar zien zonder Krit, schulden, familieoverleg of een praktische klus. Gewoon samen eten en praten. Daarbij schreef ik ook dat ik haar problemen niet kon oplossen en dat ik dat voortaan minder snel zou proberen.
Haar antwoord kwam pas een uur later. Ze begreep wat ik bedoelde, schreef ze. Daarna vroeg ze of ik de volgende avond met haar bij de ochtendmarkt wilde kijken naar de lege plek voor een mogelijke eetkar.
Ik moest lachen. Zelfs een afspraak zonder problemen veranderde bij Ploy binnen drie regels in een bedrijfsbezoek. Toch zei ik niet meteen nee.
Precies op dat moment ontving ik een bericht van Bram. Er stond een foto bij van een vliegticket naar Bangkok en daaronder een zin: hij kwam over drie weken naar Thailand.
Bram had al vaker gezegd dat hij mij zou opzoeken, maar nu stonden er vluchtnummers en een aankomstdatum bij. Mijn eerste gevoel was blijdschap. Daarna dacht ik aan zijn talent om binnen vijf minuten te zien wat ik zelf wekenlang probeerde te begrijpen. Mijn Vlaamse vriend had me die middag al met de neus op de feiten gedrukt. Bram zou er vermoedelijk met beide voeten bovenop gaan staan.
Ik stuurde terug dat ik hem van Suvarnabhumi zou ophalen. Meteen daarna vroeg hij of er inmiddels een vrouw in mijn leven was.
Mijn telefoon lag enkele seconden stil in mijn hand. Ploy was meer dan zomaar een vrouw geworden, maar minder dan iemand van wie ik zeker wist dat ik haar hele leven wilde toelaten. Voor die uitleg had ik meer ruimte nodig dan een berichtenscherm bood.
Daarom antwoordde ik dat ik hem over drie weken alles zou vertellen.
Bram schreef dat hij in dat geval voor de zekerheid maar een enkele reis had geboekt.
Wordt vervolgd.
Ingezonden door Nico

