Sinds 1 januari 2026 werken meerdere grote pensioenfondsen volgens de nieuwe pensioenregels. Die hervorming moest het stelsel persoonlijker, transparanter en beter bestand tegen economische veranderingen maken. Gepensioneerden zouden eerder profiteren van goede beleggingsresultaten, terwijl gezamenlijke reserves grote dalingen moesten dempen.

Nu de eerste jaarlijkse aanpassingen voor 2027 in zicht komen, ontstaat opnieuw nadrukkelijk een minder geruststellend beeld. Bij pensioenfonds PFZW wordt op basis van de resultaten tot eind juni een verhoging van slechts 0,66 procent verwacht. Dat staat scherp tegenover de Nederlandse inflatie van 3,4 procent in september en roept twijfel op over het beloofde koopkrachtperspectief voor miljoenen deelnemers.

Jarenlang bleef de koopkracht achter

De hervorming kwam niet uit de lucht vallen. Veel gepensioneerden zagen hun aanvullende pensioen jarenlang nauwelijks stijgen, terwijl boodschappen, energie, wonen en zorg wel duurder werden. Vooral tussen 2010 en 2022 bleef indexatie bij veel fondsen achter. Strenge buffereisen, lage rente en regels rond dekkingsgraden beperkten de ruimte om pensioenen te verhogen.

Het nieuwe stelsel moest daar verandering in brengen. Pensioenen zouden directer gekoppeld worden aan beleggingsresultaten. Minder grote buffers zouden nodig zijn en positieve rendementen zouden eerder zichtbaar worden in het pensioeninkomen. Dat klonk aantrekkelijk, zeker voor ouderen die jarenlang koopkracht hadden ingeleverd.

Goed rendement levert verrassend weinig op

PFZW behaalde over de eerste helft van 2026 een totaalrendement van 6,2 procent. Toch wordt voor 2027 voorlopig slechts een bescheiden verhoging van ongeveer 0,6 tot 0,66 procent verwacht. Dat verschil is geen rekenfout. Het totale fondsrendement wordt niet rechtstreeks vertaald naar de uitkering van gepensioneerden. Oudere deelnemers krijgen een voorzichtiger beleggingsprofiel, omdat hun pensioen minder sterk mag schommelen. Daardoor profiteren zij minder van sterke aandelenmarkten dan jongere deelnemers.

Daar komt nog iets bij. Meevallers worden uitgesmeerd over meerdere jaren. Slechts een deel wordt direct gebruikt om het pensioen te verhogen. De rest blijft beschikbaar voor latere jaren en om tegenvallers op te vangen.

Nieuwe potjes vervangen oude buffers

Precies daar wringt het. Een belangrijk verkoopargument van de hervorming was dat grote buffers uit het oude stelsel niet langer onnodig pensioenvermogen zouden vasthouden. Maar in de nieuwe regeling verschijnen andere mechanismen die feitelijk hetzelfde effect kunnen hebben: geld wordt niet meteen uitgekeerd, maar apart gehouden om toekomstige schokken op te vangen.

Dat kan verstandig zijn vanuit risicobeheer. Een pensioen dat na iedere beursdaling fors wordt verlaagd, is evenmin aantrekkelijk. Maar het wordt problematisch wanneer tegelijk de indruk ontstaat dat goede beleggingsjaren snel leiden tot een hoger pensioen. Die verwachting blijkt te optimistisch. Het nieuwe stelsel verdeelt rendement anders, maar garandeert geen pensioen dat jaarlijks met de inflatie meestijgt.

Inflatie maakt het verschil pijnlijk zichtbaar

De Nederlandse inflatie lag in september 2026 op 3,4 procent volgens de snelle raming. Wanneer een pensioen vervolgens met ongeveer 0,6 procent stijgt, daalt de koopkracht in één jaar merkbaar. Een gepensioneerde kan meer euro’s ontvangen en toch minder kunnen kopen.

Voor Nederlanders die in Thailand wonen, komt daar nog een extra onzekerheid bij. Hun werkelijke koopkracht wordt niet alleen bepaald door de Nederlandse pensioenverhoging, maar ook door de Thaise prijsontwikkeling en de koers van de euro tegenover de baht. Een geringe pensioenstijging biedt daardoor weinig bescherming wanneer prijzen stijgen of de euro verzwakt.

Transparanter betekent nog niet eenvoudiger

Ook de belofte dat het nieuwe stelsel begrijpelijker zou worden, verdient kritiek. Begrippen als beschermingsrendement, overrendement, spreidingsvermogen en solidariteitsreserve maken duidelijk dat pensioen nog steeds geen eenvoudige optelsom is.

Voor een gepensioneerde telt uiteindelijk vooral het bedrag dat iedere maand op de rekening verschijnt. Wanneer PFZW ruim 6 procent totaalrendement behaalt en de uitkering vervolgens nauwelijks 1 procent stijgt, moet zeer helder worden uitgelegd waar het verschil blijft. Dat is geen detail. Juist vertrouwen was een van de grootste problemen van het oude pensioenstelsel.

Koopkracht blijft het zwakke punt

De nieuwe pensioenregels kunnen pensioenen flexibeler maken en beschermen tegen grote schokken, maar de eerste cijfers tonen ook hun zwakke plek. Een koopkrachtig pensioen is geen automatisch gevolg van goede rendementen. Wanneer inflatie structureel hoger ligt dan de jaarlijkse verhoging, blijft de gepensioneerde uiteindelijk de rekening betalen. De verpakking is veranderd, maar het koopkrachtprobleem is daarmee nog niet verdwenen.

Bronnen


Over deze blogger

Redactie
Redactie
Dit artikel is geschreven en gecontroleerd door de redactie. Wij maken o.a. gebruik van AI om onderzoek te doen naar onderwerpen en het schrijven over deze onderwerpen. Wij genereren ook foto's met AI, maar gebruiken daarnaast ook stockfoto's. Hoewel er zorgvuldig wordt omgegaan met de inhoud, kan niet worden gegarandeerd dat alle informatie volledig, actueel of foutloos is.
De lezer is zelf verantwoordelijk voor het gebruik van de informatie op deze website. De auteur aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade of gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van de geboden informatie.

Laat een reactie achter