‘Wie verre reizen doet…’

Door Lieven Kattestaart
Geplaatst in Cultuur, Korte verhalen
Tags:
12 augustus 2026

Het is alweer een tijdje geleden dat ik op dit mooie Thailandblog van mij deed spreken.
Geteisterd door drukke werkzaamheden en geniepig om zich heen meppend schrijversblok lukte het mij maar niet om een nieuw geesteskindje te produceren, hopende daarmee de lezers enigszins te kunnen plezieren.

Maar zie, zoals mijn oude opa altijd placht te ventileren, “schuim komt altijd bovendrijven” en zo wist ik na veel cafeïne gedreven nachtbraken dan toch het volgend epistel aan mijn toetsenbord te ontrukken.

In de oertijd, toen dit jongmens nog beschikte over een bijna onbevlekt reisverleden, stond ik eens eenzaam aan een bushalte hier ten dorpe.
Slechts beladen met paspoort, een pakhuis aan voorpret, en klem tegen mijn rugwervels aan, een rugzakje.
Dat die naam nauwelijks waard was, gezien het de omvang bezat van een uit de kluiten gewassen kinderpostzegel.

Een in alle vroegte voorbij fietsende collega, ongetwijfeld op weg naar versleten bureaustoel en van werkgeverszijde verstrekte, en daardoor niet te hachelen ersatz-koffie, stelde mij de onvermijdelijke vraag waar de reis naartoe ging.

Na mijn antwoord ‘Bangkok’, was een licht slingeren in zijn voorheen zo stabiele stuurgedrag waarneembaar, en vervolgens een ietwat verwilderd omkijken.
Het was hem dan ook niet kwalijk te nemen, want had ik ‘Mozambique’ geroepen, was zijn reactie waarschijnlijk dezelfde geweest.

Tenslotte is een Nederlandse bushalte niet het eerste waar je aan denkt, als begin van een behoorlijk verre reis.
Maar aangezien mijn autobezittende en daardoor Schiphol-ritjes waardige familieleden een afgetraind slangenmens nog het nakijken zouden geven wat betreft hun pogingen daar onderuit te kunnen komen, de geldvretende taxi een te grote hap uit mijn magere vakantiebudget zou nemen, en het eerste treinstation zich op een dikke vijfig kilometer afstand bevond, meldde deze globetrotter in spé zich daarom welgemoed en gewapend met strippenkaart ten bushalte.

Daarbij vurig hopend dat de buslijn die ik nodig had om straks het luchtruim te kunnen kiezen met de door mij geselecteerde Aziatische wolkenridder, intussen niet opgeheven was.
Wat in die tijd, nog vóór het onvolprezen internet, iets was waar je slechts achter kwam na het een uur of wat ongerust ijsberen naast een door weer en wind versleten busbordje, met blijkbaar onjuiste aankomst en vertrektijden.

De vlucht zelf, uitgevoerd door het mij totaal onbekende Mandarin Airlines, gaf me de eerste schok.
Niet die van cultuur, maar van oprechte verwarring, aangezien ik mijn ticket geboekt had bij China Airlines.
En nog wel via het onvolprezen reisbureau in mijn woonplaats, waarvan de werkneemsters hoog opgaven van de kwaliteiten van ‘China’.

Oftewel, een vier-sterren service, betrouwbaarheid waar sommige Duitsche autofabrikanten nog een puntje aan konden zuigen, turbulentievrije routes over de meest feeërieke delen onzer aardbol, én een zeer aangenaam prijskaartje zouden mijn deel zijn.
Aldus de enthousiaste reisdames.

Dat mijn lichte paniek-telefoontje vanaf ’s lands luchthaven hun oren nooit bereikte was omdat ik tenslotte, voor het aan boord stappen van de Chinese luchtbus ( en het aldaar mogen aanschouwen van uiterst fraai geboetseerde stewardessen, een pluspunt dat door de medewerksters van het reisbureau vreemd genoeg geheel onvermeld werd gelaten ) ontdekte dat het hier om een samenwerkingsvlucht van beide maatschappijen ging.

De toentertijd welig tierende ‘Vakantieman’ had zo een halve uitzending kunnen vullen met mijn onwetendheid in dezen, en de rest van de zendtijd met mijn opluchting.

Een volgende schok, zij het van enigszins andere aard, kreeg ik van een naast mij zittende en praatgrage oudere Indonesische dame.
Die, van mij vernemend dat ik het jaar daarvoor een Thaise vriendin had opgedaan, mij veel geluk wenste daar in het aloude Siam.
Om me dan tijdens de tussenstop, als kers op de overstaptaart, toe te voegen dat de Thai de liefste mensen van Azië waren.
Maar dat ik ze niet kwaad moest maken, want het waren ook meteen de wreedste van Azië!

Onderweg deze wijze raad herkauwend, vergat ik zowaar even mijn toentertijd niet geringe vliegangst.
Voorwaar een hele prestatie, want dat lukte me de jaren daarna meestal pas na het plunderen van menig dranktrolley, of tot wanhoop brengen van de farmaceutische industrie door sommige van hun producten in zulke hoeveelheden te consumeren dat er landelijke schaarste ontstond.

Dat je ook na aankomst in het beloofde buitenland niet om schokken heenkomt, bleek bij een volgende reis richting Thailand.
Ditmaal alreeds in het gezelschap van vriendin Oy.

Nog geen ‘vrouw’ Oy echter, want deze samensmelting der culturen zou slechts plaatsvinden na enige jaren van afwachtend gedrag mijnerzijds, gevolgd door lichte dreigementen van haar kant aangaande het toekomstig welzijn van mijn schoon gelaat en wormvormig aanhangsel.
Details, maar het maakt het fluks overgaan tot beloven van eeuwige trouw een fluitje van een baht, geloof me.

Eenmaal in het dorp van schoonmoeder aangeland, na lange en halsbrekende busritten over halfgesmolten asfalt en zongeblakerde gravelwegen, besloot eega meteen enkele verderop wonende en zeer bejaarde kennissen met een bezoekje te vereren.
Vol van goede wil en met handenvol uit Nederland meegesleurde presentjes ter breking van het ijs.
Zoals in deze zeldzame hitte wegkwijnende mini-Bounty’s en een op betere dagen hopende familiezak Milky Way’s.

Dat genoemde oudjes helemaal aan het andere eind van het dorp woonden, naast een mangoboomgaard, noodzaakte me onderweg even een rustpauze in te lassen tijdens deze onverwachte expeditie.
Gezeten onder nauwelijks schaduw biedend struikgewas erachter komend dat mijn conditie geheel ontoereikend was voor een dergelijke dorpsmarathon.

Met in het hete hoofd nog restjes nasmeulende jetlag, en met mijn laatste wilskracht weerstand biedend aan een continu voor mijn geestesoog opdoemende hallucinatie.
Zijnde een ijskoude fles Chang, door ondergetekende te nuttigen in luie ligstoel onder een door zeebriesjes gekoelde Pattayaanse parasol, ver hier vandaan.

Dat ik tijdens dit koortsachtig dagdromen vergat om het bier uit te laten reiken door een welgevormde en schaarsgeklede Thaise deerne geeft wel aan hoever ik reeds heen was.
Trieste plattelandstaferelen, zeg nou zelf.

Eenmaal aangekomen bij hun antieke houten optrekje tussen de bomen werden we begroet door een broodmagere en zeer gerimpelde bejaarde, gekleed in geruite lendendoek.
Het soort doek waarin de Rode Khmer altijd rondsjokte tijdens hun rigoreus ontvolken van het arme buurland.
Gelukkig bleek opa een vredelievend mens, met zelfgerolde kanthooi-peuk in de hand en gezien zijn bloedrode mondhoeken, tevens fervent kauwer des betelnoots.

Hij was schaars gekleed, maar oma deed bepaald niet voor hem onder.
Zij stapte namelijk zonder blikken of blozen naar buiten, slechts gehuld in een groene sarong, daarbij echter ook meteen zicht gevend op een paar vrij bungelende borsten, waarvan de houdbaarheidsdatum al een tijdje verstreken bleek.

Dit aanschouwende verschoot ik van kleur.
Niet gemakkelijk zoiets, alreeds tomaatrood van aangezicht zijnde, maar het lukte me desondanks moeiteloos.
Later zou ik begrijpen dat oma ervan uitging dat er toch niemand meer zou opkijken van haar blote verschijning, dus gelijk Bijbelse Eva meestal zonder vijgenblad voor de borsten ronddartelde op eigen terrein.
Nadat Oy haar er lachend van wist te overtuigen de sarong wat op te trekken durfde ook ik het mensje weer aan te kijken.

Waarna we een half uur lang met een meterslange bamboestok de boomgaard van het vriendelijke echtpaar mochten plunderen.
Wat erop neerkwam dat ik al zwetend stond te stuntelen om ook maar een enkele mango te verschalken, terwijl de oude man met sjekkie in de mond en orakelend in voor mij onverstaanbare Isaanklanken, in no-time een zak vol van deze groene jongens wist te verzamelen.

De terugweg naar schoonma leek daarna nog eens zo lang, ditmaal omdat een zak vol grote mango’s een behoorlijk gewicht is, en ik blijkbaar de aangewezen persoon was om deze te mogen dragen.

De volgende dag, een ommetje makend door de naastgelegen velden met een gidsende buurjongen, wees ook hij me op een paar alleenstaande mangobomen.
Hij draaide er met de hand een laaghangende maar onrijpe vrucht af, me vervolgens attenderend op het sneeuwwitte sap dat van het steeltje droop.

Dit had een waarschuwing moeten zijn, die ik met mijn aangeboren talent voor in de wind slaan echter geheel negeerde.
Om er dan bij een pluk-poging mijnerzijds achter te komen dat buurjongen wist waar hij over sprak, toen genoemd sap onverhoeds in mijn linkeroog belandde.

Waarop mijn blinde vlek binnen twee seconden tot volle wasdom kwam en ik vurig wenste datzelfde oog even uit te kunnen nemen en af te mogen spoelen onder schoonma’s buitenkraan.
Daarbij het ‘zwemwater verdacht’ wat bij schoonmoeder uit de leiding komt geheel voor lief nemend.

( ‘De wraak van de mango’ was dan ook een mooie titel geweest voor deze bijdrage, maar ‘eigen schuld dikke oogbol’ ook, dus laat maar. )

Weken later, en eenmaal in gewenst paradijselijk Pattaya aangekomen, stelde vrouw Oy voor een bezoekje te brengen aan haar oude werkgever hier ter stede.
Zijnde een krakkemikkig massage-pand gelegen aan de Central Road, alwaar men authentieke Thaise massages verstrekte aan eenieder die middeleeuwse martelingen nu eens aan den lijve wilde ondervinden.

Onder dit dak vonden echter geen sensuele handelingen plaats, en het enige ‘happy end’ hier te bekomen was dan ook het na anderhalf uur van botvergruizende massages naar buiten mogen strompelen zonder behoefte aan pijnbestrijding, of vervanging van behandelde lichaamsdelen.

Ik mocht zelf in het ‘aquarium’ een dame uitzoeken die het rondslingeren van sleutelbeenderen en verwurging des strottehoofds op zich zou nemen.
Daarbij meteen kiezend voor een allerliefst lachend schepsel met vriendelijke uitstraling, een gezicht dat Botticelli graag op het doek had getoverd, en zeer slanke handen.

Eenmaal in de gebruikelijke pyama-broek gehesen, vrouw Oy tevreden toekijkend vanaf het naastgelegen bed, en met het gezicht gesmoord in een kussen was ik reeds geheel content met mijn keuze.
Het beeld voor de geest van dit schattige wezen dat na bewerking van de farang-voorkant nu mijn rug onderhanden nam, was genoeg om me in een gelukzalig massagecoma te doen belanden.

Dat deze Thaise engel ondanks haar slanke postuur over verbazend veel knijpkracht beschikte, verbaasde me niet en ik rangschikte haar dan ook onder ‘ervaren kneedster’ in mijn lijstje van Thaise massage-ervaringen.
Tenslotte was vrouw Oy ook maar drie turven hoog, maar kneep desgewenst nog suikerwater uit een citroen.

Toen ik na een goed half uur, ietwat versuft, verzocht werd me om te draaien teneinde nog een afsluitende hoofdmassage te bekomen, was de schok groot.
Want degene die me op de matras net zo grondig afgebroken en weer opgebouwd had, was niet de door mij gekozen slanke nimf, maar haar broodmagere en zwaar gerimpelde stiefzuster, die zo te zien reeds in Victoriaanse tijden dienst had gedaan als waterspuwer.

Het oudje schaterde het uit, evenals vrouw Oy, die al die tijd op mijn verblufte gezicht had zitten wachten.
Zij had namelijk óók een dame uitgekozen, en beiden een flinke tip beloofd voor deze wisseltruc.

Toen vrouw Oy zich wat later, eenmaal terug in het hotel, beklaagde over het feit dat ze nu wel twee dames had moeten betalen om één farang te laten masseren, wist ik als goede echtgenoot haar leed meteen wat te verzachten.

Door haar te verzekeren van het feit dat ik tijdens het masseren slechts van haar lieve gelaat had gedroomd.

Over deze blogger

Lieven Kattestaart
Lieven Kattestaart
Lieven Kattestaart (1963) woont samen met vrouw Oy op het mooie Goeree-Overflakkee.
Is werkzaam als havenmeester en bezoekt sinds 1993 het verre Thailand, waar hij in 98' Oy leerde kennen en haar overhaalde de zon vaarwel te zeggen en zich in dit kille moeras achter de dijken te vestigen.

Tegenwoordig de vakantieweken meestal doorbrengend in het Isaanse optrekje van schoonmoeder, afgewisseld met wat strandhangen in Pattaya, of klem zitten in bus of trein om andere en onbekende Thaise streken te bezoeken.
Zich voornemend na pensionering samen met Oy in Thailand te gaan wonen, en beiden kunnen nauwelijks wachten tot het zover is.

Hobby's: zodra er zich een inspiratie-vonkje aandient, doch meestal gekweld door schrijversblok, het toetsenbord beroeren teneinde het mooie Thailandblog van een nieuw stukje te voorzien, het beoefenen van lichamelijke bezigheid door middel van joggen (uiteraard met mate) online schaken, en het af en toe drinken van een prima Single Malt en daarbij wegdampen van een sigaar van Cubaanse origine.

Laat een reactie achter