Mijn zondag begon zoals ik hem had besteld. Koffie op de veranda, een krant op tafel en alleen het geluid van vogels die nog niet hadden ontdekt dat ze ook via een versterker konden zingen. Ik was van plan helemaal niets te doen en dat grondig vol te houden. Toen reed drie huizen verderop een pick-up het erf op met twee luidsprekers, een beeldscherm en genoeg kabels om het dorp tijdelijk los te koppelen van het elektriciteitsnet.

Mijn vrouw keek nauwelijks op. “Verjaardag,” zei ze. In Nederland is dat een mededeling. In een Thais dorp is het een officiële waarschuwing waarvoor geen waarschuwingssysteem bestaat.

Eerst kwam de geluidstest. Een man tikte tegen de microfoon en riep zeker twaalf keer “Hallo, hallo”, hoewel inmiddels ook de bewoners van het volgende dorp wisten dat hij er was. Daarna ging de bas open. Mijn koffiekopje schoof over tafel, een hond begon te blaffen en ergens sloeg een los golfplaten dak mee op de maat. De installatie werkte.

De eerste zangeres was een tante in een gebloemde blouse. Ze zong een droevig liefdeslied met zoveel galm dat haar verdriet pas drie seconden later uit de luidsprekers kwam. Wanneer ze een noot miste, probeerde ze die terug te vinden door harder te zingen. Na ieder couplet klapte de familie alsof zij zojuist persoonlijk het Thaise cultuurgoed van de ondergang had gered.

Ik sloot de ramen en zette de airco aan. Dat hield de warmte buiten, maar niet een vrouw die op honderd meter afstand door vierhonderd watt opnieuw in de steek werd gelaten. Mijn vrouw vond het gezellig. Ze kende de jarige nauwelijks, maar dat is hier geen bezwaar. Een verjaardag drie huizen verderop is geen privéfeest. Het is een buurtvoorziening, vergelijkbaar met straatverlichting, alleen luider en met meer whisky.

In Nederland beschouwen we stilte als een recht waarvoor de rest van de straat gezamenlijk verantwoordelijk is. In een Thais dorp is stilte eerder een verdachte toestand. Geen muziek betekent geen feest, geen bezoek en mogelijk een sterfgeval. Ik had mijn Nederlandse behoefte aan zondagsrust meegenomen alsof het een geldig internationaal verdrag was. Alleen had niemand hier het ondertekend.

Tegen het middaguur werd de karaoke democratisch. Iedereen mocht zingen, ongeacht leeftijd, talent of aantoonbare schade aan de omgeving. Een jongen bracht een rapnummer, een oma iets uit haar jeugd en een aangeschoten oom bezong voor de tweede keer een vrouw die hem had verlaten. Zijn echte vrouw zat een paar meter verderop kleefrijst te eten. Ze keek niet op. Misschien had ze het lied vaker gehoord. Misschien wilde ze hem niet op ideeën brengen.

Ik zette een koptelefoon op en probeerde televisie te kijken. De zang verdween, maar de bas bleef via de vloer mijn lichaam binnenkomen. “Hoe laat stopt het?” vroeg ik aan mijn vrouw. Zij dacht even na en antwoordde: “Vanavond.” Dat is geen tijdstip. Het is een bestuurlijk rookgordijn.

Om vier uur viel de muziek plotseling uit. Ik bleef stil zitten, bang dat een onverwachte beweging de installatie opnieuw zou activeren. Een vogel probeerde voorzichtig het luchtruim terug te veroveren. Toen klonk een harde tik, gevolgd door “Hallo, hallo”. De stilte was slechts technisch onderhoud geweest.

Ik besloot naar het feest te lopen en vriendelijk te vragen of het iets zachter kon. Mijn vrouw keek mij aan zoals je kijkt naar iemand die met een vliegenmepper een buffel gaat corrigeren. Bij het huis kreeg ik nog voor mijn eerste klacht een beker whisky, gegrilde kip en een stoel naast de luidspreker. De jarige sloeg een arm om mijn schouder en vroeg welk lied ik wilde zingen.

Ik legde uit dat ik alleen was gekomen om iets te vragen. Niemand luisterde, wat gezien het geluidsniveau begrijpelijk was. Een microfoon werd in mijn hand gedrukt en op het scherm verscheen een Engelse klassieker waarvan iedereen alleen het refrein kende. Weglopen zou onbeleefd zijn geweest. Bovendien stond ik inmiddels met whisky en kip tussen de feestgangers, waardoor mijn positie als vertegenwoordiger van de rust volledig ongeloofwaardig was geworden.

Ik zong. Niet goed, maar wel hard genoeg om mijn eerdere bezwaren met terugwerkende kracht belachelijk te maken. De tante in de gebloemde blouse viel bij het refrein in, de aangeschoten oom sloeg een arm om mij heen en mijn vrouw filmde alles met haar telefoon. Waarschijnlijk om later te bewijzen dat ik alleen principieel ben zolang niemand me een microfoon geeft.

Om halfelf liep ik hees naar huis. De muziek ging nog door, maar klonk nu minder als overlast en meer als een feest waarvoor ik te vroeg was vertrokken. De volgende ochtend was de karaokeset verdwenen en lag de straat er stil bij. Mijn vrouw vroeg of ik eindelijk tevreden was.

Het dorp had zijn rust terug. Alleen de man die haar had opgeëist, had geen stem meer…


Over deze blogger

Farang Kee Nok
Farang Kee Nok
Mijn leeftijd valt officieel onder de categorie ‘bejaard’. Ik woon al 28 jaar in Thailand, probeer dat maar eens na te doen. Nederland was ooit het paradijs, maar het raakte in verval. Dus ging ik op zoek naar een nieuw paradijs en vond Siam. Of was het andersom en vond Siam mij? Hoe dan ook, we waren elkaar goed gezind.

De ICT zorgde voor een regelmatig inkomen, iets wat jullie ‘werk’ noemen, maar voor mij was het vooral een tijdverdrijf. Schrijven, dat is de echte hobby. Voor Thailandblog pak ik die oude liefde weer op, want na 15 jaar zwoegen verdienen jullie wel wat leesvoer.

Ik begon op Phuket, verhuisde naar Ubon Ratchathani, en na een tussenstop in Pattaya woon ik nu ergens in het noorden, midden in de natuur. Rust roest niet, zeg ik altijd, en dat blijkt te kloppen. Hier, omgeven door het groen, lijkt de tijd stil te staan, maar dat doet het leven gelukkig niet.
Eten, vooral lekker, dat is mijn passie. En wat maakt een avond compleet? Een goed glas whisky en een sigaar. Dan heb je het wel zo’n beetje, vind ik. Proost!

Laat een reactie achter