
De boot ligt nog vast als de eerste zonnestralen over Laos schuiven. Even na zessen, koud seizoen, december. Het water van de Mekong is bruin en traag en ademt kou uit. Achterin zit Noi, 61 jaar, in het wit. Op haar schoot houdt ze een bundel witte stof vast, dichtgeknoopt met touw, bezaaid met jasmijn en goudsbloemen. In die bundel zit alles wat er nog is van Wim. Haar man, 34 jaar getrouwd, waarvan de laatste zestien hier, aan deze rivier.
Naast haar zit Peter. Zijn jongere broer. Drie dagen geleden stond hij nog op Schiphol, in de rij bij de incheckbalie, met een koffer die veel te vol zat omdat hij niet wist wat je meeneemt naar de begrafenis van je broer aan de andere kant van de wereld. Nu zit hij in een houten vissersboot met een spijkerbroek die kleeft aan zijn benen, en hij kijkt naar het water waar Wim zo vaak over had verteld. Zestien jaar lang had zijn broer gezegd: kom nu eens kijken, joh. En zestien jaar lang kwam er iets tussen. De zaak. De verbouwing. Anouk, die ging trouwen. Straks, dacht hij dan altijd. Volgend jaar.
Wim was er zo eentje die je in Nong Khai vaker tegenkomt. Installateur uit Deventer, weduwnaar op zijn negenenveertigste, kapot van verdriet toen Marja wegteerde aan de ziekte die geen kant op wilde. Drie jaar zat hij thuis achter de gordijnen. Toen pakte hij zijn koffer, zonder veel uitleg, en vertrok. De familie snapte er niets van. Zijn moeder, toen nog in leven, huilde aan de keukentafel. Peter vond het diep vanbinnen laf. Vluchten, noemde hij het, al zei hij dat nooit hardop.
Wim leerde Noi kennen, trouwde met haar in haar dorp buiten de stad, bouwde een huis met een veranda die uitkeek op de rijstvelden. Elke ochtend fietste hij naar de rivierboulevard. Zelfde stalletje, zelfde kruk, zelfde koffie. Hij keek naar de vissers die hun netten binnenhaalden en hij belde op zondagavond naar Nederland, laat, omdat het daar dan pas middag was.
“Als ik doodga,” zei hij dan soms, en dan wees hij met zijn kin naar het water, “dan wil ik daarin. Niet in de klei bij Deventer, waar toch niemand meer komt. Hier.”
Peter lachte dat weg door de telefoon. Hou op met dat gezwets, zei hij dan. Je wordt honderd. Dat het de laatste keer was dat ze elkaar spraken, kon hij niet weten. Twee weken geleden zakte Wim in elkaar op de veranda, een kop koffie nog dampend naast hem op de tafel. Zijn hart, in één keer. Hij werd 71.
Wat volgde was een wereld die Peter alleen van foto’s kende. Het lichaam van zijn broer lag drie dagen opgebaard in de tempel, in een gekoelde kist met daarboven een grote foto in een gouden lijst. Wim, lachend, bruinverbrand, in een overhemd dat Peter niet herkende. Elke avond kwamen de monniken bidden, hun stemmen als een golf die maar bleef rollen door de warme lucht. Buren brachten schalen eten. Wildvreemden schoven Peter enveloppen met geld toe, zoals dat hoort, om de familie te helpen dragen wat een uitvaart kost.
“Iedereen kende hem,” fluisterde Noi op de tweede avond, in haar voorzichtige Engels. “Hij repareerde alles. De waterpomp van de buurvrouw. De ventilatoren in de tempel. De geluidsinstallatie hier, die deed hij voor niks.”
Peter keek naar de rij mensen die langs de kist langsschuifelden. Oude vrouwtjes met gevouwen handen. Mannen van zijn eigen leeftijd die zijn broer een knikje gaven, alsof ze afscheid namen van een vriend. En daar, tussen die vreemde stemmen en die geur van wierook en die bloemen die hij niet bij naam kende, begon er iets in hem te schuiven. Dit waren geen mensen die betaald werden om te komen. Dit was gemeend.
Op de vierde dag was de crematie, bij de witte toren op het tempelterrein. Iemand drukte Peter een fijne papieren bloem in de hand, een dok mai chan, en als familie mocht hij als een van de eersten naar boven om hem bij de kist te leggen. Hij stond daar even, zijn hand plat op het warme hout. Hij had zoveel willen zeggen. Sorry dat ik nooit kwam. Sorry dat ik dacht dat je wegliep. Er kwam geen woord. Achter hem wachtte de rij geduldig. Niemand duwde, niemand keek op zijn horloge.
Die avond, in het stille huis, gaf Noi hem de telefoon van Wim. “Voor jou,” zei ze. “Hij had het over je. Elke week.”
Peter scrolde door de foto’s. Rijstvelden bij zonsopkomst. De hond die ze ooit uit het water hadden gevist. Een selfie van Wim en Noi op een brommer, allebei in de lach, ergens langs een weg met palmen. En dan, onderaan, een spraakbericht dat nooit was verstuurd. Opgenomen op een zondag, drie weken geleden. Peter drukte af.
De stem van zijn broer vulde de kamer. Een beetje hees, ouder dan Peter zich herinnerde. “Hé, broertje. Ik zat te denken. Volgend jaar februari, koud seizoen, dan is het hier op zijn mooist. Neem Anouk mee, en de kleine. Ik heb een kamer voor jullie. Ik wil dat je het ziet, voordat, nou ja. Voordat het te laat is.” Even stilte, ademhalen. “Ach, ik bel je zondag wel gewoon.” En dan het klikje.
Peter zat een hele tijd doodstil in het donker. Buiten sjirpten de krekels. Hij had hem nooit teruggebeld die zondag. Hij was druk geweest met de tuin.
En nu vaart de boot dus de rivier op, de motor pruttelend, de schipper een oude visser die dit vaker heeft gedaan. Voorin zit een monnik in oranje, zacht prevelend. Halverwege, waar het water diep en donker is, zet de schipper de motor bijna stil.
De monnik chant een laatste tekst. Alles is vergankelijk, alles stroomt weg. Noi buigt zich over de rand, drukt de bundel nog één keer tegen haar voorhoofd, en laat hem dan zakken. Langzaam, tot het water hem overneemt en meetrekt. Er gaan bloemblaadjes achteraan, handenvol jasmijn en goudsbloemen, een paar muntjes, drie brandende wierookstokjes die sissend uitgaan op het oppervlak. De schipper geeft gas en vaart drie trage rondjes om de plek, tegen de klok in, zoals het gebruik het wil.
Peter kijkt naar de kring van bloemen die al uit elkaar drijft in de stroming. Hij denkt aan de garage in Deventer, aan twee jongens die aan een brommer sleutelden tot het donker werd en hun moeder riep dat het eten koud werd. Hij denkt aan het spraakbericht. Aan de zondag die hij liet lopen. Hij haalt zijn telefoon niet tevoorschijn. Sommige dingen wil je niet vasthouden achter glas.
Noi legt haar hand op zijn arm. “Hij is nu thuis,” zegt ze zacht.
En Peter, die zestien jaar lang had gedacht dat zijn broer was weggelopen, snapt eindelijk dat het andersom was. Wim was niet weg. Hij was aangekomen. Bij deze rivier, bij deze vrouw, bij deze mensen die drie avonden lang voor hem kwamen zingen. Peter had het al die tijd verkeerd gezien, en dat besef snijdt dwars door hem heen, warm en scherp tegelijk.
Aan de oever staat een groepje buren te wachten met eten, want ook dat hoort erbij. Samen eten na een afscheid. Kleefrijst, gegrilde kip, papajasalade zo scherp dat Peter tranen in zijn ogen krijgt, al weet hij niet meer of dat door de pepers komt of niet, en het maakt hem ook niet meer uit.
Later loopt hij alleen over de boulevard. De zon zakt, de Mekong kleurt koper, aan de overkant gaan in Laos de eerste lampjes aan. Bij een koffiekar blijft hij staan. De vrouw erachter kijkt hem aan, dan valt het kwartje. “Broer van Wim?” Peter knikt. Ze zet zonder iets te vragen een kop voor hem neer. Zwart, één suiker. “Zo dronk hij hem,” zegt ze. “Elke ochtend. Zestien jaar.”
Peter gaat zitten op de kruk waar zijn broer zestien jaar lang elke ochtend zat, met de rivier voor zich en de zon in zijn rug. De koffie is sterk en zoet. Hij drinkt hem langzaam op, slok voor slok, alsof hij de tijd terug kan drinken.
Morgen vliegt hij naar huis. Maar in februari komt hij terug, neemt hij zich voor. Koud seizoen, als het hier op zijn mooist is. Dan neemt hij Anouk mee, en de kleine. Dan gaat hij op deze kruk zitten, wijst hij naar het brede, trage water, en vertelt hij zijn kleinzoon over zijn broer. De man die precies wist waar hij thuis was, lang voordat de rest het snapte.
Over deze blogger
Lees hier de laatste artikelen
Het leven in Thailand3 juli 2026Uit het Thaise leven gegrepen: uitgestrooid over de Mekong
Het leven in Thailand28 juni 2026Uit het Thaise leven gegrepen: de honderd dagen
Het leven in Thailand23 juni 2026Uit het Thaise leven gegrepen: de handen van Daeng
Het leven in Thailand17 juni 2026Uit het Thaise leven gegrepen: de juf van Ban Huai Mai

Mooi verhaal, dank!
WOW
Prachtig prachtig!!