Op Thailandblog lees je voorpublicatie van de thriller ‘Stad der Engelen’ die zich, zoals de titel al laat vermoeden, integraal in Bangkok afspeelt en is geschreven door Lung Jan. Vandaag deel 1.


Buitenlanders noemen de hoofdstad van Thailand Bangkok.

Thai daarentegen noemen ze Krung Thep, de Stad der Engelen.

 

Bangkok is also safe.  If you see anybody  wearing

camouflage holding a machete, don’t be scared.

They sell coconuts.’

De Amerikaanse acteur Bobby Lee

 

‘Bangkok, like Las Vegas, sounds like a

place where you make bad decisions…’

Regisseur Todd Phillips over The Hangover II.

 

It is pre-eminently a place for mosquitoes, smells,

Chinese pawnshops, wild dogs…’ That’s what

 The Otago Witness, a New Zealand paper, wrote

in 1894 about Bangkok. It’s now 2019

and nothing has changed…’

1.

J. bleef even staan in de brede schaduw van een hoge boom aan Sukhumvit Road. De airco in de Skytrain was opgevoerd geweest tot Siberische temperaturen en nu hij naar buiten was gestapt viel de vochtige hitte over hem heen alsof hij een ijsklontje was dat per ongeluk in een kom dampend hete Tom Yam Kungsoep was terecht gekomen. J. mocht dan al bijna dertig jaar in Thailand wonen maar wennen aan de temperatuur was nooit z’n sterkste kant geweest. Ook vandaag niet. Jammer dat ie met kleffe zweetkringen op z’n afspraak moest verschijnen, maar hij had sowieso al de indruk dat men hem niet omwille van z’n sprankelende uiterlijk had uitgenodigd voor een gesprek.

Officieel was hij werknemer van zijn eigen bedrijfje. Een, op het eerste zicht ietwat schimmige, maar wel behoorlijk draaiende kunst- & antiekzaak in Chiang Mai in het noorden van Thailand. Maar hij stond er ook wijd en zijd om bekend dat hij zowat alle lucratieve karweitjes aannam die maar aan kwamen waaien. Er was weinig waar hij z’n neus voor ophaalde. Of het nu om het opsporen van een kostbare amulet of het exporteren van onrechtmatig opgedolven edelstenen ging, J. was je man. Zijn stelregel was dat je in deze economisch weinig florissante tijden niet al te kieskeurig mocht zijn. Maar vandaag was hij dat beter wel geweest, ook al kon hij dat toen nog niet weten…

Nog een snelle blik op zijn Breitling Navitimer, even checken of hij op tijd was – een must in een land waar niemand scheen te malen om stiptheid – en hij stapte binnen in de imposante, rijkelijk van glad marmer, blinkend koper en overbodig spiegelglas voorziene lobby van het zakengebouw waar hij zijn afspraak met het noodlot had. Na een korte verificatie en het in ontvangst nemen van de obligate badge, de lift in en op de vijfenveertigste verdieping stond een niet onaardige jongedame hem al op te wachten. Ze leidde hem gezwind, terwijl haar pumps ongenadig  putjes in het auberginekleurige hoogpolige tapijt hakten, naar een ruim kantoor waar een klein maar select gezelschap hem bij zijn binnenkomst met kritische blikken opnam. Een gedistingeerd uitziende oudere man die duidelijk het epicentrum van dit clubje was stelde zich na het uitwisselen van de wai, de traditionele begroeting, voor als Khun Anuwat. Een gelaat met scherpe trekken, een priemende blik uit donkerbruine, bijna zwarte ogen, strakke lippen die vastberadenheid verrieden en zorgvuldig getrimd maar snel dunner wordend haar dat op de slapen al elegant grijs werd. Een lijf dat, in tegenstelling tot dat van J., tot nu toe goed weerstand had geboden aan de tand des tijds. Kortom een man waar men beter rekening mee hield maar dat besefte J. maar al te goed. Hij had – zoals gewoonlijk- zijn huiswerk gemaakt, en wist of meende alleszins perfect te weten wat voor vlees hij in de kuip had.

Achter de misleidende façade van een geslaagde en gecultiveerde zakenman ging, zoals dat wel met meer Nieuwe Rijken in het Land van de Glimlach het geval was, een veel grimmiger verhaal schuil. Deze zakentycoon die met de regelmaat van een klok ‘the talk of the Town’ was, illustreerde op een mooie manier hoe de Onderwereld toegang had verworven tot de Bovenwereld in de Stad der Engelen. Hij was inmiddels achtenzestig jaar geleden in Isaan, het arme Noordoosten van het land, geboren. Zijn eerste levensjaren had hij doorgebracht in een schamele, scheefgegroeide en kromgetrokken hut op palen in een gehucht dat zo onbeduidend was dat het zelfs geen naam had gekregen. Een niet al te nauw aaneensluitend dak van roestige golfplaten had de kleine Anuwat beschermd tegen de overvloedige regenval in de moessonperiode en de brede kieren in de plankenmuren zorgden voor een zweem van verluchting wanneer de ongenadig brandende zon in het droge seizoen het omliggende land verschroeide. Net zoals de meeste kinderen uit de buurt had hij door de goede zorgen van de monniken in het schooltje naast de plaatselijke tempel leren lezen en schrijven maar vanaf zijn tiende was hij, zoals dat al vele generaties lang in deze uithoek van het land gebeurde, mee met zijn ouders op het veld gaan werken. Alles draaide in dit harde bestaan om het simpele overleven en ieder moest, naar eigen godsvrucht en vermogen z’n steentje bijdragen. Dat was een levensles die hij snel had geleerd. In het rijstseizoen had hij, tot hij het gevoel had dat z’n rug gebroken was en zijn handen pijnlijk verlamd waren, rijst geplant. In de overige maanden nam hij allerlei klusjes aan, van het hoeden van stinkende buffels in de modderige uiterwaarden van de Mun-rivier tot het schijnbaar onafgebroken aandragen van bakstenen en mortel op allerlei bouwwerven. Hij kreeg niet alleen snel eelt op z’n handen maar ook eelt op z’n ziel. In een tijdspanne van amper een paar jaren werd hij net zo hard als het bestaan dat z’n familie moest lijden…

Net als tienduizenden anderen, was hij als een puistige puber, in het begin van de jaren zestig toen de Thaise economie langzaam maar zeker begon te pieken, met zijn ouders op goed geluk, van de rijstvelden en de heuvels naar Bangkok geëmigreerd, op zoek naar werk en een betere toekomst. Terwijl de meeste van zijn lotgenoten daar niet in waren geslaagd had hij het, dankzij een flinke portie lef en nog meer ambitie, wél gemaakt in het leven. Als ie in de negentiende eeuw had geleefd dan was hij wellicht als een schoolvoorbeeld van sociaal Darwinisme gekarakteriseerd. The Survival of the Fittest was zijn credo en hij was over lijken gegaan om dit te onderstrepen. Anuwat was een opportunist par excellence, die kansen zag die anderen hadden liggen en daar van profiteerde. Eerst als kleine crimineel die zich voornamelijk bezig hield met kruimeldiefstallen en afpersing maar al snel zag hij de dingen groter en stelde hij zich niet langer tevreden met de kruimels die rond de grote tafel te rapen vielen. Nee, Anuwat wilde hogerop en voor zijn grenzeloze ambitie moest alles én iedereen wijken. Hij was veel te slim om niets meer dan een gangster te zijn. Keihard en meedogenloos ging hij verder op het ingeslagen pad en nog voor hij het zich zelf goed realiseerde was hij geëvolueerd van één van de mensen die naar buffels stinken tot één van diegenen die de hemel bewonen in de Stad der Engelen. Hij had een klein fortuin gemaakt met de export van illegaal gekapt teakhout van Birma naar China. Een risicovolle en gevaarlijke maar ook erg lonende business. Alsof dit niet volstond situeerden hardnekkige geruchten hem in de jaren tachtig en begin jaren negentig aan de Thais-Cambodjaanse grens. In die periode een vrijhaven voor al wat het daglicht niet kon zien. Hij zou er, vanuit zijn hoofdkwartier in een verlaten fabriekje bij het slaperige marktstadje Chong Chom, samen met een paar Thaise generaals niet alleen een hand boven het hoofd van Pol Pot en andere gevluchte kopstukken van de Khmer Rouge hebben gehouden maar deze kliek massamoordenaars ook nog onder de dekmantel van internationale hulpverlening hebben bevoorraad met wapens en munitie. Een lucratieve business die hem en zijn kompanen geen windeieren had gelegd. In deze periode ontwaakte blijkbaar ook zijn voorliefde voor eeuwenoude Zuidoost Aziatische kunst en antiek. Het was zeker geen toeval dat sommige van zijn gulle maar niet zo humane zendingen waren vergoed met sculpturen en bas-reliëfs die de Khmer Rouge hadden gestolen uit vervallen jungletempels. Kunst en historische artefacten waren in die jaren een erg gangbaar betaalmiddel voor lui die zaken deden die het daglicht beter niet zagen. In december 1993 wars er een abrupt einde gekomen aan Anuwats duistere zaakjes toen een pakhuis, volgepropt met Chinese wapens voor zijn Cambodjaanse vrienden, tijdens een raid van de Thaise politie was ontdekt. Intussen had hij ruimschoots de tijd gehad én de kans gekregen om een legaal zakenimperium uit te bouwen.

Zoals te verwachten was, voerde de scherp in het maatpak gestoken, glad- en kaalgeschoren man met het peperdure brilmontuur, die links van Anuwat zat, het woord. Je kreeg het gevoel dat er niets aan hem zou blijven kleven, alsof hij van teflon was gemaakt. Hij had zich niet voorgesteld maar J. had een beresterk vermoeden dat deze gladjanus een duurbetaalde advocaat was, een beroepsgroep waar hij, om diverse redenen, een bloedhekel aan had. Wat advocaten betreft was J. het immers volmondig eens met de Amerikaanse schrijver Mario Puzo die ooit stelde ‘Een advocaat kan met zijn koffertje meer stelen dan honderd gewapende mannen…’

Ik zal meteen ter zake komen. Khun Anuwat is onder de indruk van de manier waarop u, net geen drie maanden geleden, die zaak van de Jade Draak in Hong Kong hebt opgelost.’  J. had een stelletje behoorlijk domme Chinese vervalsers belet om één van zijn beste klanten een pak geld lichter te maken. Dat hij daarbij een paar kleerscheuren had opgelopen behoorde tot les risques du métier maar al bij al mocht hij best tevreden terugblikken op dit akkefietje. Hij was wel verrast dat Anuwat op de hoogte was van zijn exploten aan de Baai van de Parelrivier, maar aan de andere kant kon hij dat wel verwachtten van iemand die zo passioneel Aziatische kunst en antiek verzamelde.

‘Khun Anuwat zou het op prijs stellen indien u, uiteraard tegen een passende vergoeding, een handje zou willen toesteken in een zaak die uiterste discretie vereist. Hij is twee dagen geleden bestolen en zou, hoe zou ik dit het best zeggen…? Van uw expertise gebruik willen maken om het gestolene te recupereren.‘

J. had moeite om zich te concentreren want zijn ogen werden onweerstaanbaar aangetrokken door de vakkundig uitgelichte, bijna een meter hoge, prachtig gepatineerde bronzen buste van een Bodhisattva Padmapani in de Dvaravati-stijl achter in het kantoor. Hij kon zijn ogen nauwelijks geloven. J. wist dat er een gelijkaardig exemplaar in de topstukkenzaal van het Nationaal Museum in Bangkok te vinden was. Kunsthistorici gingen er van uit dat deze adembenemende sculptuur zo schitterend was dat de koning van Srivijaya er in het jaar 775 speciaal een tempel voor had laten bouwen in Surat Thani, ver in het zuiden. Hij kon met moeite zijn ogen afwenden van dit exquise beeld. ‘Ja, twijfel er niet aan J., dat is een authentiek stuk’, onderbrak de oplettende Anuwat zijn juridisch adviseur. ‘Kostbaar, om niet te zeggen onbetaalbaar. Maar wat men van mij heeft gestolen overtreft probleemloos dit schitterende kunstwerk…

‘U hebt mijn volle aandacht’, zei J. die zich begon af te vragen welke richting dit gesprek precies uitging.

Dat durf ik verhopen’ repliceerde Anuwat ietwat korzelig.

De adembenemend knappe jongedame die de hele tijd op de stoel rechts van de zakenman J. stilzwijgend had zitten te observeren – zij leek in de ogen van J. sterk op het type dat beter geld kon opmaken dan bedden – opende plotseling de rode lederen dossiermap die voor haar op het gladde marmeren tafelblad had gelegen en schoof J., nog steeds zonder iets te zeggen, een set haarscherpe kleurenfoto’s toe. Nieuwsgierig nam hij de map aan en bekeek het beeldmateriaal nauwkeurig. Haast impulsief floot hij zachtjes tussen z’n tanden. ‘Een 14e eeuwse gouden Gautama Boeddha, zittend in de klassieke maravijaya mudra-houding beschermd door een zevenkoppige Naga-slang waarvan de ogen met robijnen zijn ingelegd… Een absoluut meesterwerk…  Ik ga er van uit dat hij van massief goud is ? ‘

De jurist knikte bevestigend. ‘Dit beeld is vier jaar geleden als bij een gelukkig toeval bij het verbreden van een weg door een kleine aannemer ontdekt in Ayutthaya. Hij lag begraven in een stevige teakhouten kist tussen Wat Suwan Dararam en Phom Pet, de oude stadsmuur, vlak bij de Chao Phrayarivier. De rest is geschiedenis…

Sorry, maar zei u nu in Ayutthaya..? ’ Er klonk enige scepsis zo niet ongeloof in J.’s vraag.

Anuwat vulde meteen aan: ‘Inderdaad, zoals u ongetwijfeld weet zijn er nauwelijks kostbaarheden bewaard gebleven uit de bijna vier eeuwen dat Ayutthaya de hoofdstad van Siam was. Slechts enkele gouden artefacten zijn in het Nationaal Museum Chao Sam Phraya of in het Nationaal Museum in Bangkok terecht gekomen. Een paar kostbare stukken die op wonderbaarlijke wijze de Grote Plundering hebben overleefd toen de Birmezen in 1767 de stad met de grond gelijk maakten… Kijk, ik weet dit natuurlijk niet zeker maar ik heb zo’n vermoeden dat de abt van Wat Suwan Dararam, toen de val van de stad nakend was, dit beeld heeft laten begraven om het uit de klauwen van de Birmezen te houden. De paar Ayutthayanen die na de inname van de stad niet waren afgeslacht werden als slaven naar het westen gevoerd en zo verdween wellicht de herinnering aan deze Boeddha. U mag niet vergeten dat alle bibliotheken en archieven en dus zowat alle teksten die in de hoofdstad werden bewaard, te vuur en te zwaard zijn vernietigd. Zo is dit beeld mogelijkerwijs uit het collectieve geheugen gewist. Het maakt deze vondst tot één van de belangrijkste uit onze recente geschiedenis.’

J. was het alvast volmondig eens met deze conclusie. Zijn grijze cellen werkten als razend. Alarmlichten flikkerden in zijn neuronen. Dit was de Heilige Graal voor alle verzamelaars van Thaise Oude Kunst. Het was ongewoon en onwaarschijnlijk dat een Farang, een vreemdeling als hijzelf, bij deze zaak betrokken werd. Met gespeelde verbazing richtte hij rechtstreeks het woord tot Anuwat: ‘Waarom ik ? Waarom niet vertrouwen op de competentie van de Thaise politie ?’

Anuwat lachte alleen maar. Het was een korte, onaangename lach. ‘Laat ons zeggen dat er zich een aantal complicaties hebben voorgedaan,’ sprak de naamloze jurist terwijl zijn ogen achter de dikke brilleglazen hem uitdrukkingsloos aankeken. ‘ Op de eerste plaats is dit kunstwerk op euh… niet geheel legale wijze in het bezit van mijn opdrachtgever geraakt wat deze zaak gecompliceerd kan maken. En ten tweede zijn drie van zijn personeelsleden omgebracht door de inbreker. Mijn werkgever zit uitgerekend op dit ogenblik in de cruciale onderhandelingsfase in een gecompliceerd overnamedossier en  kan bijgevolg slechte publiciteit en zeker een pak roddels en verdachtmakingen missen als de pest. De families van de slachtoffers zijn intussen rijkelijk vergoed en zullen zwijgen. Maar u begrijpt nu waarom we niet bepaald staan te trappelen om de assistentie van de  politie in te roepen.’

‘Daar hebt u wellicht een punt,’ stelde J. die z’n oren niet kon geloven.

Bovendien, en dit moet u niet onaardige ego wellicht vleien,’ ging Mr. Teflon onverstoorbaar verder, ‘konden wij na een grondige risico-analyse, niet anders dan tot de vaststelling komen dat wanneer we een beroep op uw diensten  zouden doen we de grootst mogelijke slaagkans zouden hebben, met het laagst mogelijke risico…

Als J. al geschokt was, dan liet hij dat niet merken. Anuwat zat hem duidelijk te observeren en J. wou niet in z’n kaarten laten kijken, laat staan als een watje overkomen.

Ik zal open kaart met u spelen…’ vulde Mr. Teflon meteen aan. ‘Uit het kleine onderzoek dat ik naar uw persoontje heb gevoerd kwam een beeld naar voor dat mij niet bepaald kon bekoren. Khun Anuwat meent echter dat uw eigengereide, wispelturige gedrag en weinig orthodoxe manier van werken worden gecompenseerd door uw grondige kennis van het werkveld en uw sterke resultaatgerichtheid. ‘

J. wist eerlijk gezegd niet of hij zich door deze opmerking überhaupt wel gevleid moest voelen. Hij had in het verleden al heel wat onconventionele klussen aangenomen, maar dit was wel een héél ongewoon verzoek. Enerzijds wou hij niets liever dan dit beeld met eigen ogen zien maar anderzijds was dit, als er al doden waren gevallen, niet het type opdracht waarop hij popelend van ongeduld zat te wachten. Als er één zaak was die hij in zijn lange en soms turbulente jaren in Thailand had geleerd was het wel om zoveel mogelijk afstand te bewaren tussen hemzelf en potentieel gevaar, in welke vorm dan ook. Hij had zo z’n redenen hiervoor. Anuwat merkte iets van zijn aarzeling. ‘Ik besef dat dit een bijzondere opdracht is, maar daar staat dan ook een royale, ik durf zelfs zeggen érg royale verloning tegenover: 10.000 Bath per dag plus vergoede onkosten en bij oplevering van het beeld nog eens 250.000 Bath. Handje contantje, zonder hinderlijk medeweten van de vervelende Thaise fiscus …’ Opnieuw floot J. even tussen z’n tanden. Dit was geen habbekrats maar een méér dan behoorlijke verloning voor dergelijke klus. Dat mocht ook wel, gelet op het niet onaanzienlijke risico voor lijf en leden. Hij deed of hij hard moest nadenken en het duurde dan ook nog wel een volle minuut voor hij toehapte…

Ik neem de uitdaging aan,’ sprak hij rechttoe, rechtaan ‘maar ik wil wél een voorschot op mijn te maken onkosten van 50.000 Bath, kwestie van het onderlinge vertrouwen te bevestigen. Ik vermoed dat dit geen probleem is …? ’

Geen probleem ,’ bevestigde Anuwat en, terwijl hij even de hand van het fotomodel naast hem streelde: ‘Mijn nichtje Anong hier zal als liason tussen u en mij fungeren. Zij regelt uw verloning en u houdt haar dagelijks up to date. Als u nog vragen hebt kan u zich tot haar richten. Hoeft het nog gezegd te worden dat ik op uw absolute discretie reken ?’ Hij keek, terwijl hij aanstalten maakte om op te staan nog even onderzoekend naar J. ‘Goed zo, dan rest er mij enkel u nog veel geluk te wensen in uw queeste. ’ Anuwat stond abrupt op en verliet, met in zijn kielzog Mr. Teflon, meteen het kantoor.

Er viel een ongemakkelijke stilte die gelukkig werd doorbroken door Anong’s vraag ‘Wenst u soms iets te drinken ?’

Goh, ik dacht dat niemand het zou vragen,’ lachte J. ‘Doe mij maar een ijskoud biertje, mocht dat toevallig ter beschikking zijn. En asjeblieft zonder ijsblokjes… Eén van de gewoonten van veel Thai én Farang, waar hij een hartsgrondige hekel aan had. Anong stapte door een deur waarvan J., die haar op de voet volgde, aannam dat het de bar was. En dat was het ook. Verdomd knap, dacht hij en dan had hij het beslist niet alleen over dit aangename zaaltje met uitnodigende witte kalfslederen sofa’s en een kamerbreed raam dat een spectaculair uitzicht bood over de Stad der Engelen. Een wijds en indrukwekkend panorama op de onder de onverbiddelijke stralen van de Koperen Ploert zinderende en tot aan de einder reikende onoverzichtelijke jungle van asfalt en beton. J. wandelde tot aan het  raam en keek uit over de stad.

Imposant, he ?’ zei ze, terwijl ze hem zijn glas aanreikte.

Nou, niet écht,’ antwoordde hij. ‘Weet je, het is bedrieglijk. Van ver lijkt deze stad een beetje op jou: erg aantrekkelijk en vol van belofte. De Stad der Engelen heeft een skyline die de hemel belooft. Schoon en clean afgetekend tegen de strakblauwe lucht. Maar eens je dichterbij komt moet je in deze door geld en macht verkankerde stad voortdurend uit je doppen kijken om niet in de stront te trappen.’ Hij meende even een glimp van een spottende glimlach te zien…

J. merkte op dat de perfect in de was gezette ebbenhouten muren van de bar volhingen met – vaak gesigneerde – foto’s waarop Anuwat fier poseerde met de Groten van het Rijk: politici, bestuurders maar ook militairen en flink van sterren voorziene politiemensen. Natuurlijk hingen er ook de obligate plaatjes van wat meestal eufemistisch wordt omschreven als TV-persoonlijkheden, bij wie men, naar de bescheiden mening van J., met een vergrootglas naar iets van persoonlijkheid moest speuren, zeker in de überlichtvoetige en extreem plat-vulgaire Thaise media. Niet voor niets stond er in geen enkele van zijn woningen ook maar één TV-toestel. De paar keer dat J. noodgedwongen een Thaise TV-show had moeten aanschouwen meende hij te hallucineren en verkeerde hij in de rotsvaste overtuiging dat een of andere onverlaat een geestverruimend poedertje in z’n drankje had gemengd… Deze wanden waren er duidelijk op gericht om bezoekers te imponeren, omver te blazen. Met slechts één boodschap: Khun Anuwat wàs iemand, daar mocht geen misverstand over bestaan… Daarom verbaasde het J. des te meer dat er in deze Galerij der Groten en nog Groteren niet één foto te bespeuren was van een kunst- of antiekdealer. ‘Discriminerende Klootzak !’ dacht J. ‘Of misschien is ie wel kieskeurig…’ terwijl hij zich, met z’n perfect uitgeschonken Leo-pils in de hand, in één van de comfortabele zithoeken neervleide.

Anong nam, map in de keurig gemanicuurde hand, naast hem plaats.  Haar knieën niet ver van die van hem en haar hoofd iets gebogen zodat ze hem recht in de ogen keek. Haar satijnzachte gitzwarte haren hadden heel even over zijn arm gestreken en een vleugje zwak maar gedistingeerd parfum drong zijn neusgaten binnen. Vragend keek ze naar hem op.  ‘Nou jongen: Houd de gedachte recht en de blik neergeslagen. Kijk niet op ongepaste wijze naar vrouwen. Lichamelijke begeerte brengt een mens in verwarring. ‘ Onwillekeurig haalde J. zich deze vroede waarheid van de Boeddha voor de geest voor hij haar uitdagende blik beantwoorde.

Zo meisie,‘ zei hij met wat moest doorgaan voor zijn charmantste glimlach. ‘Kan je mij wat wijzer maken ? Laten we beginnen met wie er allemaal op de hoogte was van het bestaan van dit beeld…

Wel, dat is simpel: mijn oom, tante en ikzelf. Buiten ons drieën waren slechts Khun Narkkarphunchiwan, de bedrijfsjurist die hier net was en natuurlijk ook de aannemer die het had gevonden op de hoogte. Die aannemer is helaas, nog geen week nadat hij het beeld aan oom had bezorgd, om het leven gekomen in een tragisch ongeval op z’n werf. Het huispersoneel en de beveiligers hadden geen flauw idee van de herkomst, noch van de waarde van dit beeld.’

‘ Jouw oom had toch toevallig niets te maken met het arbeidsongeval van die aannemer ? ‘

Ze leek niet écht geshockeerd door deze vraag. ‘Dat zal u hem zelf moeten vragen…

Zo’n aardig kind als jij zou je lieve oom toch niet belazeren mag ik hopen ?’ J. meende even een lichte blos te bespeuren maar haar felle blik deed hem afzien van verdere grapjes. ‘Over beveiliging gesproken, hoe was die geregeld ?

Twee bewakers in een vierentwintig op vierentwintig uur systeem, zeven dagen op zeven. De beveiligers draaiden in een acht-urenshift, waarbij er in één etmaal drie ploegen het huis frequenteerden. Eén van de bewakers hield de monitors van de beveiligingscamera’s in het oog terwijl de ander instond voor het binnen- en buitenlaten van bezoekers en de security checks. Hij bemande de poort, die massief genoeg is om de explosie van een bomauto te overleven en die is uitgerust met een veiligheidssas in gewapend beton waardoor alle bezoekers moeten vooraleer ze door de eigenlijke toegang konden.’

J. floot zachtjes tussen z’n tanden: ‘Zo, dat is indrukwekkend…’

Anong dreunde onverstoorbaar verder haar lesje af: ‘De villa is volledig omheind met een 3 meter hoge muur en voorzien van razor-wire, vlijmscherp en stevig prikkeldraad, waartussen een stroomdraad is geweven. Twee bijtgrage Dobbermans patrouilleerden in de tuin. We hebben ze zo dood als een pier, vergiftigd teruggevonden. De woning en tuin worden integraal gedekt door een gesofisticeerd systeem van vijfentwintig op elkaar afgestemde veiligheidscamera’s. Binnen hangen er nog eens twaalf camera’s. Blijkbaar waren ze toch niet onfeilbaar waren want op de dag van de inbraak waren ze allemaal, zonder één uitzondering, uitgeschakeld en de opnames zijn al even mysterieus verdwenen. We vermoeden dat dit door één van de securitymensen is gedaan maar kunnen dit evenwel niet bewijzen. Alle vensters en deuren waren beveiligd met een alarmsysteem. Het beeld zelf werd beschermd door een kogelvrije glazen kist met hi-tech druksensoren en laserbeveiliging.’

‘Hangen er cameras in de straat ? ‘

‘Neen, de bewoners van deze wijk staan nogal op hun privacy.’

‘Daar kan ik inkomen’ meende J., ‘maar het is wel – pardon le mot – klote dat zowel het externe als het interne systeem het net op het ogenblik van de inbraak heeft laten afweten. Hoe heeft dat in hemelsnaam kunnen gebeuren ?’

‘Uit een grondig onderzoek dat meteen na de inbraak door de mensen van onze security-firma werd uitgevoerd is onomstotelijk gebleken dat alles manueel, vanuit de woning is uitgeschakeld.’

‘Dat geeft ons dus een tijdsframe ? We kunnen het uur waarop de diefstal en de moorden hebben plaatsgevonden bepalen’

‘Niet echt nee, ik heb je toch verteld dat de banden verdwenen zijn.’

‘Goh ja, dat was ik even vergeten, sorry.’

Als er al intern een hulpje was geweest, dan moest het wellicht één van de beveiligingsmensen zijn geweest, dacht J. maar waarom had die zich dan zonder slag of stoot laten executeren ? J. was opgestaan en begon door de kamer te ijsberen. ‘Is er verder nog iets gestolen ? Iets, wat dan ook, al was het maar een eierdopje ?’

‘ ‘Neen,’ zei Anong op besliste toon. 

 ‘Zeker weten ?‘. Hij keek haar onderzoekend aan.  

‘Honderd procent…Ik heb zelf met mijn oom de inventaris nagelopen. We hebben alles dubbel nagekeken. Er ontbreekt echt niets buiten het beeld.’

J. liet deze informatie even bezinken. Uit datgene wat hij had gehoord kon hij nu al concluderen dat dit een erg professioneel uitgevoerde klus was geweest. Het was beslist niet aan amateurs om dit beveiligingssysteem te kraken. Hij wist echter ook dat er niet één inbreker in de wijde omgeving van Bangkok, zelfs niet in Thailand zo gek zou zijn om het kostbaarste bezit van Khun Anuwat te stelen…. Bovendien knaagde er iets bij J. Het was een onbestemd maar hinderlijk gevoel, als een keitje dat in je sok is gesukkeld… De inbrekers hadden bewust alleen dit éne beeld geviseerd. Als er daadwerkelijk slechts vier mensen op deze planeet op de hoogte waren van het feit dat het zich hier bevond was er de vraag hoe zij van het bestaan van dit buitengewone kunstwerk op de hoogte waren geweest…

Oké, dan resten me nog drie laatste verzoeken: Mag ik nog een biertje ? Kan je me je privé telefoonnummer geven en me vandaag nog naar de plaats delict brengen ?

Wordt vervolgd…..


» Laat een reactie achter


2 reacties op “STAD DER ENGELEN – Een Moordverhaal in 30 hoofdstukken (deel 1)”

  1. Noi1965 zegt op

    Wow….
    Een héél andere kant van Lung Jan… Kijk uit naar de andere hoofdstukken

    VA:F [1.9.22_1171]
    Waardering: +6 (obv 6 stemmen)
  2. Johnny BG zegt op

    We gaan niet verveeld worden en bedankt daarvoor.

    VA:F [1.9.22_1171]
    Waardering: +5 (obv 5 stemmen)

Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website