Afscheid van het Paradijs

Door Bert Vos
Geplaatst in Cultuur, Korte verhalen
Tags: ,
22 juni 2024

Het is het jaar 2567 volgens de Thaise kalender wanneer de ziel van Willem Reynaerts de grens naar een andere wereld oversteekt. Verlost van zielenpijn en eenzaamheid. De uitbater van het Pattana-guesthouse in Hua Hin is 66 jaar oud wanneer zijn tijd gekomen is.

Het zijn er niet veel die hem naar de eeuwigheid begeleiden. Een handjevol expats, een paar buurtbewoners, personeelsleden en een Frans echtpaar dat in het pension logeert. Zijn vriend John is uit Nederland overgekomen om zijn maat de laatste eer te bewijzen.

De aanwezigen zitten op plastic blauwe stoeltjes die strak in het gelid staan. De handen gevouwen terwijl zware bromstemmen van zeven monniken in oranje gewaden weergalmen tegen het houten puntdak. Enkele tempelhonden lopen snuffelend langs het podium en de grote zwarte kist in de stadstempel. Met op de kist een grote foto in verzilverde lijst, verzwolgen door massa’s bloemen en papieren kraanvogels met lange snavels op stelten van poten.

Monotoon gezang begeleidt Willem naar de hemel, waar hij mag wachten op een volgende reïncarnatie. John zijn keel snoert dicht, zijn handen trillen. Voor de laatste keer zit hij nu voor de doodskist. De avond ervoor begonnen de eerste rituelen en gebeden. De sarcofaag op het podium is echter leeg. Alleen Willems foto waar hij met grote blauwe ogen de fotograaf aankijkt staat op de houten deksel. Kaarsen werpen schaduwen op zijn blozende gezicht.

In het ziekenhuis-mortuarium was Willem al aan het ontbinden. Grimmig denkt John aan het onverschillige personeel dat bezuinigde op de koeling. Met een pick-up brachten ze het lichaam die ochtend naar de tempel. Ze hurkten ernaast. Met een doek voor hun mond hielden ze de geur tegen die opsteeg. Met tempelhulpen tilden ze de baar van de truck en liepen door de lange hal. Helemaal achterin opende de oven begerig zijn muil. Ze schoven zijn vriend erin.

Een beetje jolig zitten de monniken op een houten verhoging met matjes, neerkijkend op de rouwenden, met elkaar te kletsen. Ze staan de overledene bij op de reis die hij gaat afleggen. Routine van alledag in het huis van Boeddha. Tussen de gebeden en preken door dollen, lachen en kletsen ze, frunnikend aan hun katoenen gewaden. Het publiek, dat met de handen gevouwen het ceremonieel volgt, totaal negerend. John is moe, zijn ogen sluiten zich even en een herinnering komt naar bonen.

Willem had hem in ‘hun’ bruine kroeg uitgenodigd. Jaren geleden. Vanaf halverwege hun middelbareschooltijd waren ze er vaak te vinden. Met lange haren, een baardje en tegen alles wat burgerlijk was. En dat was zowat alles en iedereen. Schaken deden ze veel in die periode dat hoorde bij hun status als intellectueel vonden ze. Met in het bereik een pul bier, voor een gulden, bij de hand, een peuk op de asbakrand en een deel van hun concentratie bij zowel het schaken als de muziek die uit de speakers over hen neerdaalde en hun ziel streelde. Zachtjes wiegend als in de armen van je geliefde. Alles was goed als de beide vrienden de toestand van de wereld bespraken en met oplossingen kwamen. De zetten op het schaakbord werden gezet en het bier vloeide. Alsof het altijd zo zou blijven, die avonden, daar in dat bruine café aan het plein.

Als John de kroeg vol herinneringen binnenstapt zit zijn oude vriend al te wachten aan een tafeltje tegen de muur bij het raam. Hij neemt de ruimte in zich op. De tijd had er stil gestaan zo leek het, waar ze als wereldverbeteraars hun afdruk hadden achtergelaten. Gezellig, warm en knus. Nog steeds dezelfde donkerhouten vloer die kraakt, de zwarte piano, de grenen tafeltjes met viltjes, de robuuste toog, varens in rood plastic potjes op schoteltjes in de vensterbank, oude muziekinstrumenten aan de muren met vergeelt behang. Prenten met strenge lege gezichten uit de vorige eeuw. Pindadoppen op de grond, de muziek van toen.

John herkent zijn vriend meteen. Met voor hem een pul Grolsch. Ze omhelzen elkaar kort. John neemt plaats, zoekt oogcontact met de barman en bestelt een witte wijn met ijs. Willem draait zijn glas rond zodat het schuim erop blijft staan. John neemt een slok, de klontjes tikken elkaar weg. Gedachten zijn even verzonken in datgene wat ooit eens was toen ze in een vervlogen tijdperk hun idealen bespraken. Dan vestigt Willem zijn aandacht op zijn vriend. “Je moet maar eens langskomen.”

“Dus je gaat echt”, zegt John.

“Jazeker, mijn vriend. Je leeft maar een keer om even een cliché te mogen gebruiken.” “Volgens de boeddhisten niet”, lacht John en stoot tegen het wiebelende tafeltje. Wijn gutst over de rand. “Dan heb ik mooi een vakantieadresje. Om ook een cliché te mogen gebruiken”, besluit hij. “Dat waren mooie tijden hier, niet?” Willem knikt. “Dan is dit onze laatste keer.” “Proost dan maar”, zegt John.

Lange tijd spraken ze elkaar niet. Ieder ging zijns weegs Zoals die dingen gaan. Maar de onzichtbare kosmische lijn zorgde ervoor dat ze altijd als schaduwen met elkaar meeliepen. Internet bracht daar verandering in. En de gesprekken online kwamen weer los. Totdat Willem hem het nieuws vertelde en ze elkaar weer ontmoetten in die kroeg waar de tijd stil had gestaan, maar zij niet.

John schrikt op als een hond aan zijn schoenen ruikt. De ceremonie loopt ten einde. Na de laatste gebeden worden familieleden en vrienden naar voren geroepen om afscheid te nemen van Willem. John buigt diep voor zijn vriend, die Nederland voor altijd verliet om in het paradijs te gaan wonen. Waar hij nu afscheid van nam. Zijn hersenen ratelen maar door, zijn handen beginnen weer te trillen. Herinneringen in flarden vragen om aandacht. Hoe ze samen opgroeiden, lief en leed deelden, en hoe zijn beste vriend steeds meer wegzakte in het moeras van het Land met de Glimlach dat helemaal geen paradijs bleek te zijn.

Een hand op zijn schouder haalt hem uit zijn overpeinzingen. “We go now, must burn your friend.” Hij staat op en gaat de rij voor richting oven. Twee tempelknechten schuiven de gietijzeren luiken open. Vlammen likken al gretig aan het lijkgewaad. De hitte slaat op het gezicht van de wachtenden. “You first”, fluistert een gast. John neemt een papieren witte lelie en werpt die op het vuur, waar ze zich kromt en tot as.

De geschenken zijn overhandigd, de enveloppe met geld in de hand van de tempel abt gedrukt, de gasten doen zich tegoed aan kip, rijst en groente. Muziek van de barretjes in de nabijgelegen Soi Bintabath waait John zijn kant op als hij driftig het terrein afloopt.

Heel even wordt het zwart voor zijn ogen. Hij wankelt en leunt bij de toegangspoort tegen de witte tempelmuur. Hij rilt, heeft het koud en daarna weer warm. Het getril in zijn handen wordt heftiger. Binnen vijf minuten zit hij aan de toog met een glas witte wijn met ijs en proost op zijn vriend. Een meisje in rood T-shirt en korte jeans vleit zich naast hem neer. Hij maakt een gebaar van oké als ze om een ladydrink bedelt en vragen op hem afvuurt. Hij antwoordt wat in het eind weg en drinkt het eerste glas in een rap tempo leeg.

De eerste slokken laten de trillingen stoppen. Na tien glazen wordt de vage mist voor zijn ogen steeds dikker en verwringt alles om hem heem tot een palet van gekleurd licht en brallend geschreeuw. Kindergezichtjes met bossen rozen verschijnen en verdwijnen, aanrakingen, tinkelend ijs in glas, wijn die gulzig zijn weg vindt, dorst, mensen die praten, soms even besef van licht dan weer alles donker, wijn vloeit langs zijn kin. Een glas valt om, meisjeshaar beroert zijn gezicht, hij wil slapen, hij wil lopen, hij zakt weg, kin slaat op een rand, ineens harde grond, voeten om hem heen, iets schreeuwt in zijn oor, hij zweeft, er is niets meer, gelukzalig gevoel, gesjor, iemand kijkt hem recht in de ogen, ‘where go!’ Een zachte stem geeft antwoord. Dan kotsen in de goot, stemmen in zijn hoofd, ineens zacht wiegend tegen zachte borsten, bescherming. Duisternis schuift voor zijn ogen.

Met een bonkende wijnkater en een droge mond schrikt John wakker. Een meisje met lang zwart zijdeglans haar kijkt hem met koolzwarte ogen aan vanonder een spierwit laken. Haar vuisten omklemmen de rand. Een fan boven zijn hoofd draait zachtjes rondjes. Twee groene gekko’s zitten op het plafond vastgeplakt. Hij gooit het laken van zich af en spurt naar de badkamer. Even later hangt hij boven de toiletpot.

John veegt zijn mond af en kijkt langs de deurpost het meisje aan. Met een glimlach kijkt ze hem aan. Het hoofdje een beetje scheef. Haar borstjes komen half onder het laken vandaan. Geen idee waar ze vandaan komt, denkt hij en slikt speeksel weg. De misselijkheid komt nu met golven.

‘You must go’, zegt hij. Hij gaat op de rand van het bed zitten, pakt zijn portemonnee, geeft haar een bankbiljet. Met een wai-gebaar neemt ze het aan en stopt het in haar handtasje. Ze trekt het laken van het bed en drapeert het om haar lichaam. Ze staat op en loopt naar de badkamer. Alleen haar billen zijn zichtbaar. John voelt weer een golf omhoogkomen. Hij trekt snel een korte broek en T-shirt aan en rent naar buiten. Naast zijn kamer staat een boom.

Achter de bar van Pattana guesthouse bij de ontbijthoek staat Willems barman Mister Joe de dag voor te bereiden. Zijn vriendin ratelt er alweer lustig op los vanuit de keuken. Het gras voelt weldadig koel aan zijn voeten als John naar de ontbijthoek loopt.

“You sick?”, vraagt Joe.

De koelkastdeur gaat even open. Koude lucht raakt zijn wangen aan. Een haan kraait ergens vandaan, blaffende honden roepen in de verte, stemmen als burengeluiden. Hij houdt zijn hand voor de mond als braakneigingen de kop opsteken. Tuurt voor zich uit. Een deur gaat dicht. “Bye, bey”, zegt het meisje wanneer ze achter hem langsloopt. Ze aait hem vluchtig over de rug. “ I Noi. See you tonight?” Dan verdwijnt ze door de poort en Joe zet een kop koffie voor hem neer.

Vanaf een foto naast de huisboeddha kijkt Willem hem aan. Wierook kringelt omhoog naast een vlakkerende vlam van een witte kaars. John glimlacht. “Dag vriend, hoe gaat het daar? Ik zie je wel weer een keer”, belooft hij en steekt een sigaret op.

11 reacties op “Afscheid van het Paradijs”

  1. GeertP zegt op

    Prachtig verhaal, ik heb er van genoten.

  2. UbonRome zegt op

    Mooi , en een behouden “reis” aan Willem!

  3. Cornelis zegt op

    Redactie: Bedankt!

  4. Pratana zegt op

    Echt prachtig geschreven zeker dat deel van in de tempel alsof ik erbij was bedankt hiervoor

  5. Patrick zegt op

    Wat mooi geschreven, net alsof ik er zelf bij was. Dank u wel

    • ton kroon zegt op

      wat een story, je moet een boek schrijven Bert!! en heel herkenbaar het ritueel van “crematie”

  6. Frans zegt op

    Heel mooi en liefdevol. Dank!

  7. Alexander zegt op

    Heel erg mooi geschreven over het trieste afscheid van een dierbare
    vriend en zijn leven in zijn mooie wereld.
    Het is ook mooi dat hij zich weer klaarmaakt voor zijn nieuwe incarnatie.
    Zoals het in zijn wereld en misschien in onze werkelijkheid ook voltrekt.
    Deze mooie en hoopvolle gedachten maken het leven extra mooi.
    Want we zien dan onze dierbaren telkens weer terug.
    Maar allemaal dan wel telkens weer in andere gedaantes.

  8. JP zegt op

    Mooi geschreven, een ode aan Willem. Het pakt mij, ooit komt mijn tijd ook. Ik leef het verhaal mee.

  9. Mark zegt op

    Mooi verhaal van en over een herkenbare generatie

  10. Peter​Sonneveld zegt op

    Mooi geschreven!
    Het verhaal brengt ook veel herinneringen op. Begin jaren ’90 werd het Pattana Guesthouse gerund door de Nederlander Rob van Dompselaar. Rob is uiteindelijk in Khon Kaen terecht gekomen en is daar enkele jaren geleden overleden.


Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website