De Buitenstaander in een huis zonder privacy

Door De buitenstaander
Geplaatst in Cultuur, Korte verhalen, Leven in Thailand
Tags:
21 juli 2026

Om zeven minuten over zeven staat De Buitenstaander in zijn onderbroek naast de open valies wanneer de deur opengaat.

Niet langzaam. Niet na een klopje. Gewoon open.

In de deuropening staat een vrouw van een jaar of zestig met dunne armen, een gebloemde blouse en een plastic kom vol kleefrijst tegen haar heup. De Buitenstaander kent haar gezicht van gisteren, alhoewel hij niet meer weet of ze een tante, een buurvrouw of een tante van de buurvrouw is. In dit dorp zijn die categorieën minder scherp afgebakend dan hij gewend is. De vrouw kijkt naar hem. Hij kijkt naar haar. Haar blik zakt kort naar zijn buik, blijft daar niet onnodig lang hangen en gaat vervolgens naar de rijstkoker in de hoek van de kamer.

Ze zegt iets in het Isaan.

‘Mali,’ roept ze daarna.

Mijn lief ligt nog op het bed, met het laken over haar benen en haar haar in een warrige bos rond haar hoofd. Ze opent haar ogen, antwoordt met twee zinnen en wijst naar het kastje naast de deur. De vrouw stapt binnen, zet de kom op de vloer en haalt uit het kastje een plastic zak met gedroogde pepers. Daarna vertrekt ze weer.

De deur blijft openstaan.

De Buitenstaander houdt zijn korte broek voor zich.

‘Wie was dat?’

‘Tante Noi.’

‘Is dat jouw tante?’

Mali denkt even na.

‘Van mama.’

Dat kan betekenen dat de vrouw een zus van haar moeder is. Het kan ook betekenen dat ze bij zijn schoonmoeder hoort, zoals een hond, een rijstveld of een oude schuld bij iemand kan horen.

‘Ze kwam zomaar binnen.’

‘Ja.’

‘Ik stond mij aan te kleden.’

Mijn lief kijkt naar zijn korte broek, daarna naar zijn gezicht.

‘Nu niet meer.’

Veel soelaas brengt dat niet.

De Buitenstaander stapt in zijn broek en trekt de rits iets harder dicht dan nodig. Hij sluit de deur. Er zit geen slot op, alleen een krom haakje aan de buitenkant waarmee de deur kan worden vastgezet wanneer niemand in de kamer is. Aan de binnenzijde ontbreekt zelfs een grendel. De houten deur past bovendien niet behoorlijk in het kozijn. Bovenaan blijft een kier van twee vingers breed, onderaan kan een forse hagedis zonder bukken naar binnen.

‘We hebben een slot nodig,’ zegt hij.

Mali zit inmiddels rechtop en wrijft met beide handen over haar gezicht.

‘Waarom?’

Hij kijkt naar de deur.

Mijn lief volgt zijn blik.

‘Tante Noi?’

‘Bijvoorbeeld.’

‘Die klopt niet.’

‘Dat had ik gemerkt.’

‘Niemand klopt.’

Ze zegt het op dezelfde toon waarop ze gisteren vertelde dat honden blaffen. Geen verklaring, geen verontschuldiging. Een vaststelling uit de categorie: regen valt naar beneden en rijst moet ge wassen vooraleer ge hem kookt.

Buiten begint de winkel. Kratten schuiven over de tegels, glazen flessen rinkelen en iemand trekt met veel lawaai een plastic stoel over het erf. De Buitenstaander hoort de stem van Mali’s moeder, daarna die van een kind en vervolgens een man die blijkbaar vanaf de weg een volledig gesprek kan voeren zonder van zijn bromfiets te stappen. De eerste zon valt door de roze gordijnen en legt een strook licht over het bed. In die lichtbaan zweeft stof, traag en ongestoord, alsof het als enige in deze woonst nergens dringend naartoe moet.

Hij opent de deur opnieuw en ruikt gebakken knoflook, houtskoolrook en natte aarde. De regen van vannacht heeft het erf donker gemaakt. In een kuil naast de mangoboom staat bruin water waarin een kip probeert te drinken zonder haar poten vuil te maken. De poging mislukt. De Buitenstaander schuift zijn slippers aan en loopt naar het terras.

Aan de tafel zitten drie mensen die er gisteren bij aankomst niet waren. Een magere man met een pet eet noedelsoep. Een meisje in schooluniform lepelt rijst in haar mond terwijl ze naar haar telefoon kijkt. Naast haar zit een brede vrouw met een handdoek om haar nek en een mand vol sperziebonen tussen haar voeten. Niemand stelt zich voor. Mali’s moeder schuift een bord met twee gebakken eieren naar hem toe.

‘Farang kin khai,’ zegt de brede vrouw.

De buitenlander eet eieren.

Ze lacht vriendelijk, alsof ze hem zojuist correct heeft ingedeeld bij een bekende diersoort.

‘Ze weet wat ik eet?’ vraagt hij aan Mali, die achter hem is komen staan.

‘Iedereen weet dat.’

‘Hoe?’

Mijn lief haalt haar schouders op.

‘Mama kocht eieren.’

De Buitenstaander kijkt naar zijn schoonmoeder. Die is bezig wisselgeld te zoeken in een plastic doos en lijkt niet mee te luisteren. Toch schuift ze zonder op te kijken een fles vissaus verder van zijn bord, omdat ze blijkbaar ook weet dat hij daar ’s morgens geen goesting in heeft.

Hij gaat zitten. De brede vrouw kijkt hoe hij zijn ei aansnijdt. De man met de pet kijkt eveneens. Het schoolmeisje niet, doch haar telefoon staat schuin genoeg om hem desgewenst mee te filmen. Hij neemt een hap. Het ei is aan de rand krokant, de dooier nog zacht. Heel lekker. Dat maakt de belangstelling niet minder ambetant.

‘Gisteren kaas,’ zegt de man met de pet plotseling in gebroken Engels.

De Buitenstaander stopt met kauwen.

‘Ja.’

De man trekt een gezicht alsof hij op iets zuurs bijt.

‘Smell strong.’

De brede vrouw lacht. Mali’s moeder ook. Zelfs het schoolmeisje kijkt op.

De Buitenstaander draait zich naar mijn lief.

‘Hoe weet hij van de kaas?’

‘Hij woont ginds.’

Ze wijst naar een huis aan de overkant van de weg. Het is een lage woonst met blauwe dakplaten, een open voorkant en een stapel oude banden naast de ingang. Zeker dertig meter verderop.

‘Hij kon dat toch niet ruiken?’

‘Neen.’

‘Wie heeft het verteld?’

Mali pakt een sperzieboon uit de mand en breekt hem doormidden.

‘Misschien, mama.’

‘Waarom?’

‘Omdat hij vroeg wat je eet.’

‘Waarom vraagt hij wat ik eet?’

Mijn lief kijkt naar de man met de pet. De man glimlacht en steekt zijn duim op naar het gebakken ei.

‘Omdat hij dat wil weten.’

De Buitenstaander eet verder. Langzamer nu. De eieren smaken nog altijd goed, doch het voelt plotseling alsof hij deelneemt aan een openbare demonstratie. Hij legt zijn vork neer, neemt koffie en kijkt over het erf. Aan de weg staat een buurvrouw met een bezem. Ze veegt dezelfde vierkante meter stof al enkele minuten en werpt tussendoor blikken naar de tafel. Wanneer hun ogen elkaar ontmoeten, glimlacht ze.

Misschien is ze gewoon vriendelijk.

Misschien maakt ze straks bekend hoeveel suiker hij in zijn koffie doet.

Na het eten neemt De Buitenstaander zijn gereedschapskoffer en inspecteert hij de slaapkamerdeur. Een eenvoudige schuifgrendel moet volstaan. Hij heeft er twee bij, meegenomen uit Europa, omdat een mens nooit weet wanneer hij in Thailand plotseling een kast, poort of slaapkamer moet afsluiten. Mali staat naast hem met een natte handdoek over haar schouder.

‘Wat doe je?’

‘Een grendel plaatsen.’

‘Nu?’

‘Ja, nu.’

‘Waarom?’

‘Dat heb ik daarnet uitgelegd.’

Mijn lief kijkt naar het messing grendeltje in zijn hand.

‘Dan kan mama niet binnen.’

‘Dat is min of meer de bedoeling.’

Mali zegt niets. Ze loopt naar de keuken, spoelt de handdoek uit en hangt hem over een draad. De Buitenstaander kent die stilte. Het is geen instemming. Het is ook geen protest. Het is de stilte waarmee ze hem ruimte geeft om zelf te ontdekken waar hij aan begonnen is.

Hij meet de hoogte zorgvuldig af. Honderdveertig centimeter boven de vloer, goed bereikbaar en niet te dicht bij de rand van het hout. Hij markeert de schroefgaten met potlood, boort voor en schroeft de grendel vast. Het hout is oud en zacht. Eén schroef draait bijna door, maar met een iets bredere schroef krijgt hij het toch vast. Hij schuift de grendel twee keer heen en weer.

Klik.

Een bescheiden geluid. Doch voor De Buitenstaander klinkt het als beschaving.

Hij doet de deur dicht, schuift de grendel erop en gaat op het bed zitten. Het effect is onmiddellijk. De kamer voelt anders. Kleiner, stiller, van hem. Van hen, verbetert hij zichzelf. Hij pakt zijn telefoon, controleert zijn berichten en merkt dat hij voor het eerst sinds zijn aankomst niet het gevoel heeft dat iemand achter hem kan verschijnen met een kom rijst of een vraag over kaas.

Na drie minuten beweegt de deurklink.

De deur gaat niet open.

De klink beweegt opnieuw, harder ditmaal. Daarna duwt iemand tegen de deur.

‘Mali!’ roept een vrouwenstem.

De Buitenstaander blijft zitten. Dit is precies waar een slot voor dient. Iemand ontdekt dat een deur gesloten is en wacht vervolgens tot de bewoner haar opent. Zo werkt dat. Overal ter wereld.

Er wordt opnieuw geduwd.

De Buitenstaander staat op en schuift de grendel open. Voor de deur staat Mali’s moeder met een armvol gewassen kleren. Zonder hem aan te kijken loopt ze naar binnen, legt de stapel op het bed en trekt de onderste lade van het kastje open. Daarin liggen hemden van Mali, twee handdoeken, medicijnen, enkele documenten en een plastic zak vol bankbiljetten van twintig baht. Zijn schoonmoeder bergt een stapel ondergoed op, neemt een blauw schrift uit de lade en vertrekt weer.

Bij de deur bekijkt ze de nieuwe grendel.

Ze zegt niets.

Dat is erger.

‘Waarom liggen haar spullen in onze kamer?’ vraagt De Buitenstaander wanneer Mali terugkomt.

‘Welke spullen?’

‘Kleren. Een schrift. Geld.’

‘Niet haar kleren. Jouw kleren.’

‘Ze brengt mijn ondergoed binnen.’

‘Ja.’

‘En dat blauwe schrift?’

‘Van mama.’

‘Waarom ligt dat hier?’

Mijn lief trekt de lade open en kijkt erin alsof het antwoord tussen de spullen geschreven staat.

‘Veilig.’

De Buitenstaander wijst naar de grendel.

‘Precies.’

Mali kijkt hem aan.

‘Als dicht, kan mama niet bij schrift.’

‘Ze kan het vragen.’

‘Aan wie?’

‘Aan ons.’

‘En als wij niet hier zijn?’

Hij haalt adem om te antwoorden, maar merkt dat ieder antwoord hem dieper in een discussie trekt waarvan de spelregels aan één kant worden bepaald.

‘Dan wacht ze.’

Mali sluit de lade.

‘Waarom?’

Daar had hij niet van terug.

De ochtend schuift verder. De hitte stijgt van het erf op en blijft onder het golfplaten dak hangen. De Buitenstaander probeert op zijn laptop wat werk te doen. Hij zet zich aan het kleine tafeltje in de slaapkamer, doet de deur dicht, maar laat de grendel open. Een compromis. Op het scherm staat een tekst die hij moet nalezen. Na twee zinnen stapt een jongen van een jaar of twaalf binnen. Het kind draagt een voetbalshirt, heeft modder aan zijn knieën en houdt een lege telefoon in zijn hand.

‘Charge,’ zegt hij.

De jongen steekt zonder verdere uitleg de oplader in het stopcontact naast het bed, legt zijn telefoon op De Buitenstaanders hoofdkussen en vertrekt.

Vijf minuten later komt het schoolmeisje binnen. Ze pakt een haarborstel uit Mali’s tas, bekijkt zichzelf in het kleine spiegeltje en kamt haar haar. Daarna neemt ze de telefoon van de jongen, controleert het laadpercentage en legt hem terug.

‘Van wie is dat meisje?’ vraagt De Buitenstaander wanneer ze weer weg is.

‘Nichtje.’

‘Van jou?’

‘Van ons.’

Dat antwoord helpt niet.

Tegen elf uur liggen er drie telefoons op het bed, staat er een plastic mand met schone was onder het tafeltje en heeft iemand een zak rijst tegen zijn valies gezet. Tante Noi komt opnieuw binnen, ditmaal voor een potje tijgerbalsem. Ze vindt het zonder te zoeken. Een oude man steekt zijn hoofd om de deur en vraagt iets aan Mali, die niet aanwezig is. De Buitenstaander antwoordt in zijn beste Thais dat ze buiten is. De man knikt, loopt naar het kastje en neemt een schaar mee.

Het huis is geen woonst, beseft hij langzaam.

Het is een magazijn met bedden.

Rond de middag smeert hij twee sneden brood met kaas. Hij doet het in de slaapkamer, niet omdat hij zich schaamt voor de kaas, maar omdat hij eens wil eten zonder publiek. Hij sluit de deur en schuift de grendel erop. De ventilator blaast warme lucht over het tafeltje. Buiten hoort hij stemmen, een bromfiets en het hakken van een mes op een houten blok.

Hij neemt zijn eerste hap.

Er wordt op het raam getikt.

De buurvrouw met de bezem staat buiten. Haar gezicht verschijnt tussen de roze gordijnen en het houten kozijn. Ze glimlacht breed en wijst naar zijn bord.

‘Cheese?’

De Buitenstaander kijkt naar de gesloten deur. Daarna naar het open raam.

‘Yes.’

De buurvrouw knikt alsof een vermoeden is bevestigd. Ze roept iets naar iemand op de weg. Een vrouwenstem antwoordt. Er wordt gelachen.

Hij staat op en trekt de gordijnen dicht.

Het wordt meteen donker in de kamer. De ventilator blaast een van de gordijnen naar binnen, waardoor er telkens een driehoekje uitzicht ontstaat op het erf. Eerst ziet hij alleen de stam van de mangoboom. Dan een hond. Dan de buurvrouw, die nog altijd buiten staat.

De Buitenstaander gaat met zijn brood op het bed zitten.

Wat had hij gedacht? Dat hij zich in een dorp met open huizen, lage muren en familie op ieder erf onzichtbaar kon maken door een deur te sluiten? Zelfs de rook van zijn gebakken eieren trok naar buiten. De verpakking van zijn kaas lag in de vuilnisbak. Mali’s moeder kocht het brood bij een winkel drie dorpen verderop en had daar vermoedelijk uitgelegd voor wie het bestemd was, hoeveel het kostte en waarom een gewone mens niet gewoon kleefrijst at.

Toch stoort het hem. Niet alleen het binnenkomen. Ook het weten. In Europa kon hij drie dagen soep eten zonder dat de buurman daar een mening over had. Hij kon om vier uur ’s middags in zijn onderbroek koffie drinken, geld tellen, ruzie maken, zwijgen of een volledige zak koekjes leegmaken zonder dat iemand het opmerkte. Een gesloten deur was er geen belediging. Het was gewoon een deur die dicht was.

Hier lijkt iedere sluiting een boodschap.

Wat verbergt hij?

Waarom mag niemand binnen?

Is er iets mis?

Mali komt de kamer binnen via de deur, die hij na het incident met de buurvrouw vergeten is opnieuw te grendelen. Ze draagt een bord som tam en een zak kleefrijst.

‘Mama zegt kaas niet goed in warmte.’

‘Mama weet dat ik kaas eet.’

‘Iedereen weet dat.’

‘Dat is nu net het probleem.’

Mijn lief gaat op de rand van het bed zitten. Ze pakt een stukje papaja met haar vingers en steekt het in haar mond.

‘Waarom probleem?’

‘Omdat niemand hier privacy kent.’

Mali kauwt, slikt en kijkt hem rustig aan.

‘Ik ken privacy.’

‘Waar dan?’

Ze wijst naar zijn boterham.

‘Je eet alleen.’

De Buitenstaander kijkt naar het gesloten gordijn, waarachter de schaduw van iemand voorbijschuift.

‘Niet echt.’

Mijn lief zucht. Niet diep, doch net hoorbaar genoeg. Ze zet het bord op het kastje.

‘Familie komt binnen omdat spullen hier zijn. Mensen kijken omdat jij nieuw bent. Later minder.’

‘Wanneer later?’

‘Later.’

Dat woord kent hij inmiddels. Later kan vanmiddag betekenen, volgend jaar of nooit. Het is een rekbaar begrip dat zich aan iedere afspraak onttrekt.

‘En de buren?’

‘Die kijken altijd.’

‘Ook later?’

‘Ja.’

Ze eet verder.

De Buitenstaander legt zijn brood neer. ‘In België klop je voor je een slaapkamer binnenkomt.’

‘In België is koud.’

‘Wat heeft dat ermee te maken?’

‘Deuren dicht.’

Hij wil zeggen dat dit onzin is. Dan denkt hij aan huizen met gangen, vestibules, dubbele beglazing en verwarmde kamers die elk een eigen functie hebben. Een keuken om te koken. Een slaapkamer om te slapen. Een bureau om te werken. Een berging voor gerief. Een garage voor rommel die men niet wil weggooien. Hier gebeurt alles zowat overal. Op het terras wordt gekookt, verkocht, gegeten, geslapen en geroddeld. In de slaapkamer liggen geld, kleren, telefoons, medicijnen en een zak rijst. Wie een kamer afsluit, sluit niet alleen zichzelf af. Hij sluit een stuk van het huishouden op.

Dat betekent nog niet dat Tante Noi hem in zijn onderbroek hoeft te zien.

Zo ruimdenkend is hij nu ook weer niet.

In de namiddag rijdt hij met Mali naar het kleine winkeltje bij de hoofdweg. Hij koopt een belletje. Geen elektrische deurbel, doch een eenvoudig messing exemplaar dat rinkelt wanneer iemand aan een touw trekt. Zijn plan is helder. Hij hangt het belletje naast de slaapkamerdeur en legt aan iedereen uit dat ze moeten bellen vooraleer ze binnenkomen. Niet streng. Niet onvriendelijk. Gewoon een nieuw gebruik, een klein stukje orde in de dagelijkse misère.

Mali kijkt naar het belletje dat aan zijn vinger bungelt.

‘Voor koe?’

‘Voor de deur.’

‘Waarom?’

‘Zodat mensen bellen.’

‘Ze kunnen roepen.’

‘Dat doen ze niet.’

‘Dan bellen ze ook niet.’

Dat was buiten hem gerekend, denkt hij. Of beter: dat was buiten Mali gerekend.

Thuis schroeft hij een haakje naast de deur en hangt het belletje op. Aan het klepeltje maakt hij een rood koord. Het resultaat ziet er behoorlijk uit. Een beetje alsof er achter de deur een kleine winkel of een tempelaltaar verborgen zit, maar duidelijk genoeg.

Hij demonstreert het aan Mali’s moeder. Eerst trekt hij aan het koord.

Ting.

Daarna wijst hij naar de deur, klopt tweemaal en wacht. Zijn schoonmoeder kijkt aandachtig. Ze knikt. De Buitenstaander herhaalt het voor Tante Noi, de jongen met de telefoon en het schoolmeisje. Ook zij knikken.

Hij is content.

Om vier uur ligt hij op bed met zijn ogen dicht. Niet te slapen, alleen even uit de hitte. Buiten hangt de middag stil boven het erf. Zelfs de honden zoeken geen ruzie. De ventilator draait op de laagste stand en kraakt nog slechts af en toe.

Ting.

De Buitenstaander opent zijn ogen.

Het werkt.

Ting. Ting.

Hij gaat rechtop zitten.

Tingtingtingtingting.

Achter de deur giechelt een kind.

Hij loopt ernaartoe en trekt haar open. Vier kinderen staan op het terras. De kleinste houdt het rode koord vast. Zodra hij verschijnt, rennen ze lachend weg. Het belletje blijft nog even bewegen.

Ting.

Een halfuur later probeert de jongen met de voetbaltrui het uit. Daarna het schoolmeisje. Vervolgens Tante Noi, die vijf keer belt zonder op antwoord te wachten en tijdens het laatste belletje al binnenstapt. Tegen zonsondergang heeft het halve erf aan het koord getrokken. Niet om toegang te vragen, maar omdat het geluid plezant is.

De Buitenstaander haalt het belletje weg.

Veel soelaas had het niet gebracht.

Die avond eten ze aan de tafel voor de winkel. Er is gegrilde kip, som tam, kleefrijst en een kom soep waarin stukken kalebas drijven. De man met de pet zit opnieuw aan de overkant. Tante Noi is er ook, evenals twee vrouwen die De Buitenstaander nog niet kent. Terwijl hij een stuk kip neemt, zegt een van hen iets tegen Mali.

Mijn lief lacht.

‘Wat zegt ze?’

‘Ze vraagt waarom je vanmiddag twee boterhammen met kaas at.’

De Buitenstaander legt de kip neer.

‘Hoe weet zij dat?’

Mali wijst met haar kin naar de buurvrouw met de bezem. Die zit drie plaatsen verderop en probeert niet eens te doen alsof ze het gesprek niet volgt.

‘Ze zag het.’

‘Door het raam?’

‘Misschien.’

‘De gordijnen waren dicht.’

De buurvrouw zegt iets. De hele tafel lacht.

‘Wat zegt ze?’

Mali veegt haar vingers af aan een papieren servet.

‘Eerste boterham gordijn open.’

De Buitenstaander kijkt naar de buurvrouw. Ze steekt twee vingers op.

Twee boterhammen.

Hij kan er weinig tegenin brengen. Ze heeft haar informatie kennelijk gecontroleerd.

De Buitenstaander eet verder. Rond de tafel gaan schalen van hand tot hand. Niemand vraagt wie wat gekocht heeft. Een kind dat niet bij het gezin hoort, neemt een kippenpoot. Mali’s moeder schept soep voor de man met de pet. Tante Noi haalt zonder te vragen een fles water uit de frigo en geeft die aan een van de onbekende vrouwen. Er wordt gesproken over een kapotte pomp, schoolgeld, iemand die naar Bangkok vertrekt en een buurman die te veel lao khao drinkt. De Buitenstaander verstaat flarden, genoeg om te beseffen dat ook het leven van de anderen hier open op tafel ligt. Wie schulden heeft, wie ziek is, wie ruzie maakt en wie ’s nachts niet thuis heeft geslapen. Niemand beschikt over veel geheimen. Misschien alleen over zaken waar iedereen van weet, maar waar men uit beleefdheid niet rechtstreeks naar vraagt.

Hij kijkt naar Mali. Mijn lief eet met kleine bolletjes kleefrijst en luistert naar haar moeder. Af en toe antwoordt ze kort. Ze lijkt niet bekeken. Niet opgesloten. Ze zit midden in een web van blikken, vragen en verplichtingen dat haar niet voortdurend hindert, omdat het haar ook draagt. Wanneer de rijstkoker stukgaat, staat er iemand met licht. Wanneer een kind een oplader nodig heeft, ligt die ergens. Wanneer een buurvrouw geen kip heeft, eet ze mee. De deur staat open omdat het leven zelf voortdurend binnenkomt.

Dat klinkt schoon.

Tot ge in uw onderbroek staat.

Later die avond ruimt Mali de slaapkamer op. Ze legt de telefoons op het kastje, schuift de zak rijst naar de keuken en stopt het blauwe schrift van haar moeder terug in de lade. De Buitenstaander zit op bed en bekijkt de twee gaatjes in het hout waar het belletje heeft gehangen.

‘De grendel blijft,’ zegt hij.

‘Goed.’

Hij kijkt op. Zo gemakkelijk had hij dat niet verwacht.

‘Echt?’

‘Ja.’

‘En iedereen moet kloppen.’

Mali vouwt een hemd op.

‘Ik zal zeggen.’

‘Ook tegen je moeder.’

Mijn lief legt het hemd in de kast.

‘Ik zal zeggen.’

‘En tegen Tante Noi.’

Nu kijkt ze hem aan.

‘Tante Noi luistert niet.’

Dat is tenminste eerlijk.

De Buitenstaander sluit de deur en schuift de grendel erop. Klik. Daarna trekt hij de gordijnen dicht. Voor het eerst die dag zijn ze werkelijk alleen. Buiten praat iemand luid bij de winkel. Een bromfiets rijdt voorbij. In de keuken slaat een kastdeurtje dicht. De ventilator draait traag heen en weer.

Mali gaat naast hem liggen.

‘Boos?’ vraagt ze.

‘Neen.’

‘Beetje.’

‘Een beetje.’

Mijn lief schuift een kussen onder haar hoofd. ‘Morgen minder mensen.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Morgen markt.’

Dat klinkt hoopgevend.

De Buitenstaander doet het licht uit. In het donker voelt de kamer opnieuw als een eigen plek, hoe tijdelijk ook. Hij ligt een tijdje stil en luistert naar het erf. Niemand probeert de deur te openen. Niemand roept Mali. Zelfs Tante Noi houdt zich gedeisd.

Dan hoort hij geritsel onder het bed.

Hij doet het licht weer aan, knielt en kijkt onder het matras. Tussen een doos schoenen en een plastic zak ligt een pak koekjes dat hij vanmiddag in het winkeltje heeft gekocht. De verpakking is open. Een lange rij mieren loopt vanaf de muur naar de kruimels.

Mali kijkt over de rand van het bed.

‘Wat doe je?’

‘Mieren.’

Ze buigt zich voorover.

‘Ah.’

‘Wie heeft die koekjes geopend?’

Mijn lief wijst naar de deur.

‘Nichtje, denk ik.’

‘Ze zat dus ook onder het bed?’

‘Misschien.’

De Buitenstaander pakt de koekjes en volgt de rij mieren naar een spleet in de muur. Achter hem draait Mali zich alweer om.

‘Morgen in frigo,’ zegt ze.

‘Dan weet iedereen dat ik koekjes eet.’

In het donker blijft het even stil.

‘Dat weten ze al.’

Ginds op de weg begint iemand te lachen. Het kan toeval zijn.

Denkt hij.

Wordt vervolgd.

Over deze blogger

De buitenstaander
De Buitenstaander, geboren in 1961 in Kortrijk (BE), schrijft over zijn observaties en het leven in een dorpje op het Thaise platteland, waar hij woont met zijn lief Mali.

5 reacties op “De Buitenstaander in een huis zonder privacy”

  1. Ron321 zegt op

    Geweldig, wat een heerlijk verhaal.
    Bedankt voor het lachen.

    2
  2. Herman zegt op

    Daarom loop ik altijd bloot op de slaapkamer als ik bij familie logeer.

    2
  3. Albert zegt op

    Met alle respect voor alle moeite van de auteur, laat ik dat absoluut vooròp stellen, maar ik als westerling zou van deze constante confrontatie met cultuurverschillen en het totale gebrek aan privacy doodmoe worden. Het zou mij gedurende de dag steeds gefrustreerder en vermoeider maken. Ik ben dat na het lezen van zijn verhalen al. Voor mij geldt privacy als basisrecht en fungeert een gesloten deur als een duidelijke sociale grens. Ik erken dat in de Isaan de gemeenschap zeer collectivistisch is ingesteld, maar bij het meenemen van een westerse partner geldt ook dat individualistisch ingesteldheid gerespecteerd dient te worden. Het is niet om de Isaan dat ik mijn normen en waarden maar weg zet. Het continu moeten bewaken van eigen grenzen tegenover mensen die geen kwade bedoelingen hebben, kost niettemin enorm veel energie.

    Uiteraard: de communicatie met Mali is weliswaar goudeerlijk, maar lost auteur’s probleem niet op. Integendeel. Zij bevestigt voortdurend dat de auteur een probleem heeft. Zij relativeert de situatie (“In België is het koud, deuren dicht”) en biedt geen concrete westerse oplossing. Telkens opnieuw moeten uitleggen waarom je alleen wilt zijn, leidt op den duur tot communicatieve uitputting. Een mens heeft een plek nodig om te ont -prikkelen. Wanneer je slaapkamer fungeert als een doorloopmagazijn waar buurtkinderen hun telefoon opladen, tantes tijgerbalsem pakken en schoonmoeder haar administratie bewaart, verdwijnt die veilige haven. Dit constante gevoel van “bekeken worden” (zelfs door de gordijnen heen) houdt het stressniveau chronisch hoog. Uiteindelijk balanceert De Buitenstaander straks tussen de keuze om zich aan te passen (en zijn westerse normen los te laten) of er inderdaad mentaal helemaal doorheen te zitten.

    Dat hoge stressniveau houdt de Thaise mens ook niet. Kranten en TV-nieuwsuitzendingen berichten elke dag opnieuw over de meest vreselijke uitbarstingen. Isaan? Mij niet gezien!

    5
    • GeertP zegt op

      Beste Albert uw reactie is nu precies waar Mali op hoopt, de buitenstaander is zonder het te weten in de “eigen” huis truc getrapt.
      Het gebrek aan privacy gaat zo’n grote rol spelen bij de buitenstaander dat Mali op het juiste moment gaat voorstellen om hun eigen huis te gaan bouwen op een stukje grond van moeder.

      0
    • Erik Kuijpers zegt op

      De hartenkreet ‘Isaan, mij niet gezien…’ acht ik naast gemeend ook onjuist. Wat beschreven wordt is des Thais, niet des Isaans. Deze vrijelijke omgang met jouw behoefte aan rust en privacy is, naar mijn ervaring, algemeen in Thailand. Zo gaat men in de familie met elkaar om en Frans Farang wordt, gelukkig maar, ook gezien als close family. Dus grin and bear it?

      Ik had daar thuis afspraken over. Had een eigen kamer met mijn boeken en PC, mijn vrouw had ook zo’n ruimte en mijn pleegzoon idem. Daar stormde ik nooit onverwacht binnen al werd er niet geklopt… Mijn uurtje bedrust in de middag was ook heilig en werd gerespecteerd.

      2

Laat een reactie achter