John Wittenberg geeft een aantal persoonlijke bespiegelingen van zijn reis door Thailand die eerder verschenen zijn in de verhalenbundel ‘De boog kan niet altijd ontspannen zijn’ (2007). Wat voor John begon als een vlucht, weg van pijn en verdriet is gegroeid tot een zoektocht naar zingeving. Het Boeddhisme bleek hierbij een begaanbare weg te zijn. Op Thailandblog verschijnen met enige regelmaat zijn verhalen.

Het kleine paleis

Nadat ik mijn Chinese visum na lang wachten eindelijk heb gekregen, heb ik honger gekregen door de lange test die ik moet ondergaan in het beproeven van het Aziatische engelengeduld. Is het arrogant van mij te menen dat ze eigenlijk de rode loper moeten uitrollen voor deze toerist omdat ik duizenden euro’s in de economie pomp? Maar goed, ik heb het visum nu en vertrek over een paar dagen naar China. Op zoek nu naar een lunch. De straten hier zijn bezaaid met stalletjes waar ze alles verkopen wat je hartje begeert. Vers geperste sinaasappeltjes (kleiner dan mandarijnen, wat groenig en mierzoet). Ik klok zo een liter achterover en heb vitamines voor een week. En ook heerlijke verse ananas.

Gefrituurde lekkernijen te over, kleine pannenkoekjes en vers gegrilde vissen. Wat mie in een ijzeren zeefje, verse groenten, wat kruiden erbij, een minuutje in een grote kokende pan en je hebt een zalig maaltje. Ik hou altijd nauwlettend in de gaten dat ze er geen gestold bloed bij flikkeren, want dat is een beetje teveel van het goede. En al dit bakken en braden gebeurt op straat, waar de dampen vanaf vliegen.

Wanneer ik van een laat avontuur ‘ s nachts (daarover een andere keer) op straat loop, zie ik alle kraampjes toegedekt staan, verveeld van het niets doen en popelend van ongeduld om snel weer in volle bedrijvigheid los te barsten. Maar altijd is in de straat wel een stalletje open voor de hongerige nachtbrakers. Zet wat stoeltjes en tafeltjes op straat, een bak met kokend water, wat ingrediënten op een karretje en je hebt je eigen restaurant. Geen idee hoe het hier met de vergunningen gaat, maar vast niet zoals de bekrompen regeltjes in Holland.

Meestal zoek ik een kraampje uit dat binnen wat tafeltjes heeft om even bij te komen. Je kiest uit verschillende pannen wat gerechten met fantastische sauzen, wat rijst erbij, je pakt wat bestek en met je plastic bordje ga je aan een wankel tafeltje zitten. Uit een kan giet je lauw niet- kraanwater in een ijzeren mok gevuld met ijs en het is meteen koel. Het portret van de koning is nooit ver, soms alleen maar in een kalenderblad en met zijn ernstige blik kijkt hij je voortdurend aan. Er is meestal een klein poppenhuisje voor de geesten in huis. Wees ze maar ter wille, want eenmaal uit hun humeur, zijn de rapen gaar en gaan ze spoken.

Met glaasjes limonade en een bordje eten schijn je ze in een goed humeur te brengen. Heb je geen huis, dan zet je een maaltje, wat limonade en een wierookstokje aan de voet van de boom naast je kraampje. Het is een hardnekkig niet-boeddhistisch bijgeloof, maar wel volledig geïncorporeerd; een noeddhabeeldje kan er makkelijk naast. Vergelijk het maar met de Germaanse kerstboom in de kerk.

De voorbereiding van de maaltijden gebeurt meestal naast je tafeltje. Groentes worden gesneden, geplukt, vlees in stukjes gehakt en een grote afwasteil staat kant en klaar en het hele gezin werkt mee. Soms geef ik wat lekkers aan de kinderen die gewoon spelenderwijs meedraaien. Huisdieren lopen overal vrij rond en maken een gelukkige indruk. Iedereen is aardig voor dieren hier, het boeddhisme kent een groot respect voor alles wat leeft. Dat het niet alleen bij een theorie blijft, blijkt uit het simpele feit dat de honden hier niet angstig zijn, maar met een geweldig smekende, soms van nature bedroevende blik je tevreden aankijken. Zo anders dan de zwerfhonden in Zuid-Europese landen, om maar te zwijgen over de islamitische landen waar honden als onrein worden weggetrapt.

De plee is altijd een groot avontuur in deze restaurantjes. Nadat je een nauwelijks sluitend deurtje, krakend uit zijn voegen, opent, ontwaar je meestal een immens gemetselde bak met een litertje of duizend water en een wc pot met een nietwerkend spoelmechanisme. Ik vraag me zelfs af
of het ooit heeft gewerkt. Je neemt een kannetje water om alles door te spoelen en om je billen af te vegen, want toiletpapier is zelden voorhanden. De vloer is daardoor uiterst glibberig. Al ziet alles er redelijk schoon uit, toch eet ik liever niet van de vloer. Een bloemetje in een hoek geeft het vrouwelijk element van de Thai weer. Voor een plas is het allemaal geen probleem en ik neem aan dat vrouwen wel vindingrijker zijn dan ik. Voor het grote werk zoek ik een mooi hotel uit en met mijn blanke, doortastende tred ben ik herkenbaar als een vijfsterrenhotelgast.

Het heeft me telkenmale verwonderd dat ik gewoon alles kan eten hier, zonder ziek te worden. De Thai staan bekend om hun uitstekend verzorgde persoonlijke hygiëne. Dat zal in China wel anders worden is mij verteld. De enige keer dat ik ziek ben geworden bleek een voedselallergie te zijn van een overigens zalige vissoep in een dure gelegenheid. Ik geniet dus van mijn maaltjes in eenvoudige Thaise restaurants, elke keer weer een klein feestje. Ik kijk mijn ogen uit naar alles wat er gebeurt. Het genot van het volgen van een nijvere mierenrij langs de wand op zoek naar voedsel leert je dat de kleine details tijdens je reis een even groot onderdeel kunnen vormen van het plezier. Dat maakt dit restaurant voor mij een klein paleis.

Een nichterige soldaat en een rondbuikige stewardess

Een groepje soldaten, in smetteloos wit uniform met glinsterende onderscheidingstekens, marcheren in ganzenpas langs het paleis van de koning. Bij het passeren van een aflossende wacht haakt de achterste af en marcheert naar de vermoeide soldaat. De rest loopt door. De wisseling van de wacht gaat, zoals overal ter wereld, met toeristische folklore gepaard. In Rusland in strak volgzaam gelid, in Engeland met perfecte vloeiende precisie, in Holland pacifistisch zonder al te veel poespas en in Italië met bombastisch ceremonieel.

Elk land beeldt zijn stereotiep karakter uit voor de buitenwacht in zijn afwisseling van de wacht voor het al of niet koninklijke paleis. De meeste mannen hier in Thailand lopen ietwat heupwiegend rond, voor Hollandse begrippen zelfs uitgesproken nichterig. Wachtend voor een bushalte met de hand in de zij, de benen licht gevouwen, een fleurig tasje met een klein teddybeertje zachtjes in de hand met gestrekte vingers geklemd. Een fijne glimlach completeert het beeld van een lieve homo.

Als ik als acteur in een film een oude nicht zou moeten spelen, zou ik het zo doen! Als ik een sergeant zou zijn, heb ik zichtbaar moeite van deze Thaise soldaten echte mannen te maken, laat staan kanonnenvlees. Ze marcheren niet rommelig, ongedwee en onverschillig zoals de Hollanders, maar zetten hun bevallige voetjes elegant voorwaarts en maken een grappige zijwaartse beweging met hun gestrekte handen. Eenmaal oog in oog bij de aflossing, glimlachen de soldaten naar elkaar, laten hun geweer spastische bewegingen maken, plaatsen de medailles wat recht en schuiven de gouden tressen weer goed op hun plaats. En met bijna wellustige danspasjes verwisselen ze van plaats.

Duidelijk is dat je met deze soldaten geen oorlog kunt winnen. En dat doet mijn vredelievende hart goed. Geen machogedrag hier waardoor de sterksten de mooiste vrouwen bemachtigen. En dat doet mijn zachtaardige karakter goed. Geen ernstig en somber kijkend volk hier. En dat doet mijn roomse hart goed. Geen grof strompelende en slecht geklede mensen hier. En dat doet mijn ijdele hart goed.

Ik schrijf dit verhaaltje in het vliegtuig van SriLanka Airways, op weg naar Beijing. Alle SriLankese stewardessen zijn -tot mijn schrik- rondbuikig. Zelfs in het promotiefilmpje. Ze waggelen door het gangpad en zonder enige schroom laten ze de vetkwabben rondom hun taille als hoogste verleiding onbedekt.

Ik heb nog nooit zulke lekkere thee in een vliegtuig gedronken, aangereikt door stevige Hollandse volslanke armen. Lachen moeten de stewardessen in elk land, zelfs wanneer drie motoren zijn uitgevallen en het vliegtuig een neerwaartse beweging maakt. Daarin onderscheiden ze zich niet. Maar zo volumineus als die van SriLanka heb ik nog nooit meegemaakt. Met gebruinde appelwangen geven ze de maaltijd en ik verdenk ze ervan de overtollige hapjes zelf op te peuzelen.

Mondiaal aannemende dat de selectie van stewardessen representatief is voor het landelijke schoonheidsideaal, stel ik mijn bezoek aan SriLanka nog maar even uit. Onderwijl schurk ik me maar in de warme belangstelling van de Thai.

De Thaise vrouw wil ook wel eens een echte man, denk ik dan in mijn overmoed. En mijn Hollands plompe en grove onbehouwen machogedrag valt hier in goede aarde. Zonder veel aan mezelf hoeven te veranderen speel ik die rol met verve. En het laat me heerlijk in de waan dat ik de Thaise nichterige mannelijke concurrentie ver achter me laat.

Een halve kom soep

Eerste voet op Chinese bodem. In Beijing nu. De lucht is grijs en de temperatuur een aangename twintig graden. Aanvankelijk verbaasde ik me dat de bomen bedekt waren met een grauwsluier, maar de taxiraampjes waren maanden niet gewassen, gelukkig maar.

Via het internet weer een goed hotel gereserveerd. Het is belangrijk dat je in het centrum een hotel vindt, ten noordoosten van de verboden stad, want de afstanden zijn enorm. Het grondgebied is bijna even groot als België, met meer dan twintig miljoen inwoners.

Voor vijftig euro een mooie kamer, voor Aziatische begrippen een behoorlijke prijs, maar ik heb geen zin om te beknibbelen en lang in een taxi te zitten. Na een heerlijk bad de omgeving van het hotel verkend voor een geldautomaat, internetwinkel, wasserij en restaurant. Want ik gebruik nooit het restaurant van het hotel, doorgaans matig van kwaliteit, duur en vooral erg ongezellig.

Ik ontdek een leuke eettent, glazen platen op de tafel, veel rode lampionnen, twee leeuwen op wacht en een menukaart zonder plaatjes. Ik wijs wat gerechten aan op belendende tafeltjes en een fles bier en voor een paar euro zie ik in luttele secondes voor een heel weeshuis eten op tafel verschijnen. Na een diepe zucht maar beginnen met eten.

Het blijft een heel gegoochel met stokjes te eten. De stokjes moeten altijd gelijk zijn, anders brengt het ongeluk. En zelfs met de moed der wanhoop wanneer je het eten maar niet tussen de stokjes geklemd krijgt: nooit de stokjes in het eten prikken! Dit is werkelijk de boze geesten verzoeken hel en verdoemenis te veroorzaken. Pak het maar met je handen. Van alle borden op tafel schep je wat in een klein kommetje. Verklein de afstand en vergroot daardoor de kans alles op je stokje te houden door het kommetje vlak onder je kin te houden. En schrok het maar naar binnen.

Servetten zijn voor kinderen. Chinezen maken een hoop lawaai tijdens het eten en rochelen dat het een lieve lust is. Zonder enige gêne kijken ze je met een royaal gevulde open mond aan en maken je deelachtig aan hun eerste spijsverteringsronde. Ze smakken alsof ze op een wijnproeverij zijn. En strikt genomen hebben ze gelijk, want je proeft wel beter schijnt het. Het personeel schreeuwt naar elkaar als misthoorns. Vanuit de wc weerkaatsen voortdurend rochelgeluiden.

Het is even wennen, maar het heeft het voordeel dat niemand verbaasd opkijkt wanneer ik probeer een kom soep naar binnen te slurpen en met stokjes de stukken vlees op te tillen, die -voordat de haven bereikt is- met een grote opspattende plons weer in mijn soep terugvallen.

Het Chinese bier smaakt als nectar, vier procent alcohol en zelfs met wat rijst gegist. Het is even duur als water, dus de keuze is snel gemaakt. Op de rijst na, zijn alle gerechten anders dan onze Chinees.

Na een plas te hebben gedaan in een echo van rochelende collega’s, verlaat ik deze tent met een soepbevlekt shirt over een rond buikje. In mijn kielzog ontwaar ik de dienstige Chinees die mijn glasplaat met een uiterst morsig doekje reinigt van een halve kom soep.

Wordt vervolgd….


» Laat een reactie achter


No votes yet.
Please wait...

2 reacties op “De boog kan niet altijd ontspannen zijn: De derde reis (deel 18)”

  1. Hans de Jong zegt op

    Een verrukkelijk verhaal, John, en zeer beeldend. Het is zo goed en met veel gevoel voor humor geschreven dat ik – zonder een foto of filmpje – alles voor me zie gebeuren. En zeer herkenbaar. Ik zie uit naar het volgende deel van jouw verhaal.

  2. Dirk zegt op

    Beeldend geschreven, hier heb je geen foto bij nodig. Een kunst op zich, om van de eenvoud van het leven een schets te maken, die herkenbaar is voor een ieder die het leest. Ook een mooi contrast tussen de verhalen op dit blog van de mannen, die het allemaal gemaakt hebben. Huizen zo groot als de Taj Mahal, vrouwen uit het paradijs en geld als water natuurlijk. Ik zie uit na je vervolg en wens je daar nog verder een goed verblijf toe.


Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website