Uit het Thaise leven gegrepen: het pakketje

De ambtenaar bij de scan tikte niet op zijn schouder. Hij zei alleen zijn naam, verkeerd uitgesproken, met de klemtoon op de laatste lettergreep. Meneer Kroet-hòf? Ben keek op van zijn instapkaart en glimlachte nog, zoals je glimlacht als iemand je naam probeert en het net niet redt.
Toen zag hij de tweede man. En de derde.
Ze namen hem mee door een deur waarvan hij nooit had geweten dat die er was, een gang met tl-licht en de geur van schoonmaakmiddel en oude airco. Zijn koffer stond al op een tafel. Ze vroegen niets. Ze knipten het slotje door, klapten de koffer open, haalden zijn overhemden eruit, zijn schoenen, de zak met mangochips voor Lisa, de kleine boeddha van speksteen die hij bij de nachtmarkt had gekocht, omdat Daan die mooi zou vinden.
En het pakket. Bruin papier, keurig dichtgeplakt, plat als een boek. Souvenirs voor mijn tante in Amsterdam, had Wanchai gezegd. Zeepjes, en zo’n zijden lap. Ik kan het opsturen, maar de post hier, tja. En hij had gelachen op die manier die Ben altijd had gerustgesteld, alsof ze samen ergens de humor van inzagen.
Een van de mannen sneed het papier open met een stanleymes. Er zat geen zeep in. Ben hoorde zichzelf praten. Hij zei dat het niet van hem was. Hij zei het in het Nederlands, toen in het Engels, toen weer in het Nederlands, en zijn stem werd hoog op een manier die hij van zichzelf niet kende. Ze lieten hem praten. Ze deden hun werk, wogen, fotografeerden, vulden formulieren in. Buiten, achter een raam met matglas, rolde de wereld gewoon door. Ergens riep een luidspreker een gate om. Hij was achtenvijftig jaar. Zijn vlucht ging om kwart over elf.
Hoe het zover kwam, in achttien maanden
Ben Kruithof had zesendertig jaar aan installaties gesleuteld voor een bedrijf in Hoogeveen dat halverwege werd overgenomen, daarna nog eens, en dat op het laatst een naam had die niemand kon uitspreken. Toen ze hem op zijn zesenvijftigste eruit reorganiseerden, kreeg hij een envelop mee, een handdruk van een manager die zijn voornaam niet wist, en het gevoel dat hij vanaf dat moment onzichtbaar was geworden. In Thailand was hij niet onzichtbaar. Dat was het, denk je later. Zo simpel en zo dom.
Hij huurde een kamer in een zijstraat van Nimman, Chiang Mai, met een ventilator die klepperde en een balkonnetje waar ’s ochtends de duiven kwamen. Hij at bij het karretje op de hoek, hetzelfde bord bijna elke dag, veertig baht. De vrouw wist na een week al dat hij niet tegen heel scherp kon. Hij leerde de woorden voor dank je en lekker en te heet, en als hij ze zei, lachten mensen, niet om hem uit te lachen, maar zoals je lacht om iemand die zijn best doet.
Wanchai kwam uit die straat. Neef van de vrouw van het karretje, of aangetrouwd, dat was Ben nooit helemaal duidelijk geworden. Hij was een jaar of veertig, sprak goed Engels, hielp met de huur, met de verlenging van het visum, met het uitleggen van een boete die Ben op een scooter had gekregen. Hij vroeg nooit om geld. Dat viel Ben op, en het stelde hem gerust.
De avond voor de vlucht zaten ze bij het karretje. Er hing regen in de lucht, die zware, warme lucht die je vlak voor de bui in je armen voelt. Wanchai schoof het pakketje over het plastic tafelkleed. Zeepjes. Een lapje stof. Voor zijn tante, die al twintig jaar in Amsterdam woonde en die hij nooit had ontmoet. Ben had het even in zijn handen gehouden. Licht. Onbeduidend. En hij had gedacht: eindelijk kan ik ook eens iets voor iemand doen.
Wat 9,5 jaar betekent
Ze rekenden het hem uit alsof het een boodschappenlijstje was. Zijn advocaat, een keurige man met een vermoeid gezicht, legde uit dat een bekentenis de straf ongeveer halveert. Dat ontkennen kon, natuurlijk. Dat ontkennen ook betekende: een lang proces, en aan het eind een rechter die je niet gelooft, en dan het volle getal. Getallen die Ben niet wilde horen. Getallen waarbij hij zijn dochter nooit meer als jonge vrouw zou zien.
Hij bekende dat hij het pakket had gedragen. Dat was waar. Dat hij niet wist wat erin zat, dat kon hij zeggen, maar wist hij het echt niet? Diep weg, ergens achter zijn ribben, op die plek waar je de dingen bewaart waar je niet naar kijkt? Hij wist het niet. Hij zal het nooit zeker weten. Dat is misschien nog het zwaarste.
Negen jaar en zes maanden. De rechter las het voor. De tolk vertaalde het. Ben knikte, omdat er iets van hem verwacht werd en knikken het enige was wat hij kon. Buiten, in de gang, vroeg de tolk of hij water wilde.
Klong Prem
Ze noemen het de Bangkok Hilton, dat weet hij uit een film die hij ooit half had gezien op een zondagmiddag, met een biertje, met zijn voeten op de bank.
De werkelijkheid ruikt. Dat is het eerste, en het gaat nooit weg. Zeshonderd mannen in een blok, cellen waar je met tientallen op de grond slaapt, matjes tegen elkaar aan, zodat je in je slaap de rug van een ander in je knieholte voelt. Een gat in de vloer achterin. De hitte die ’s nachts niet zakt, maar alleen dikker wordt. Om acht uur ’s ochtends het volkslied uit de luidsprekers, iedereen op, en om zes uur ’s avonds weer, en tussen die twee momenten in ligt een dag die precies is zoals de dag ervoor.
Rijst. Een soep waar je doorheen kunt kijken. Wie geld heeft op zijn rekening, koopt bij het winkeltje een blik vis, een pakje noedels, oploskoffie. Ben had geld, in het begin. Zijn zus stortte wat, elke maand, tot haar man ziek werd en het minder werd, en toen nog minder.
Hij leerde overleven zoals je alles leert: door heel goed te kijken naar wie het al kan. Hij leerde dat je niet aan iemands slaapplek komt. Dat je een portie eten deelt met de man naast je, ook als je honger hebt, want de dag komt dat hij deelt met jou. Dat je een Thaise bewaarder aankijkt, maar niet te lang. Dat je Thai leert, echt leert, niet het toeristen-Thai van dank je en lekker, maar de woorden die je nodig hebt om te zeggen: ik heb koorts, ik hoef geen ruzie, ik ken hem niet. Hij leerde de blik van de man die iets van je wil, en de andere blik, de gevaarlijkere, van de man die niets meer wil. En hij leerde de zondagen.
De zondagen
Eens in de zoveel weken komt er iemand van de ambassade. En er komt een dominee, een Nederlandse, van een stichting die gedetineerden in het buitenland bezoekt. Ze heet Marijke en ze draagt altijd dezelfde blauwe blouse, en Ben heeft zich vaak afgevraagd of dat expres is, of dat ze gewoon niet nadenkt over wat ze aantrekt als ze hierheen gaat.
Ze zitten tegenover elkaar met tralies en een gaas ertussen en veertig andere gesprekken die tegelijk gevoerd worden, zodat je moet schreeuwen om te fluisteren. De eerste keer huilde hij. Niet netjes. Hij huilde met open mond en zijn voorhoofd tegen het gaas, en hij zei steeds hetzelfde: ik heb het niet gedaan, mevrouw, ik heb het niet gedaan. Marijke zei niet dat ze hem geloofde. Ze zei ook niet dat ze hem niet geloofde. Ze zei: ik ben er volgende maand weer.
En ze was er volgende maand weer. Ze bracht hem post. Dat is het enige wat ze mag brengen wat echt iets waard is. En zo kwamen de brieven van Lisa.
Lisa
Zijn dochter schreef stijf, in het begin. Zoals je schrijft aan iemand van wie je niet weet wat je met hem aan moet. Ze vertelde over haar werk. Over de auto. Over dat het regende in Nederland, alsof hij dat niet wist. In de vierde brief schreef ze: Daan vroeg waar opa is.
Ben las die zin in de cel, op zijn matje, met zijn rug tegen de muur. Hij las hem twintig keer. Hij hield het papier tegen zijn gezicht, omdat hij zich verbeeldde dat het naar haar keuken rook, en het rook nergens naar, natuurlijk, het rook naar hier.
Hij schreef terug dat opa aan het werk was, ver weg. Toen streepte hij het door. Hij schreef dat opa iets doms had gedaan. Toen streepte hij dat ook door, omdat hij niet wist hoe je dat uitlegt aan een jongen van zes zonder hem iets af te nemen wat hij misschien nog nodig had. Uiteindelijk schreef hij: Zeg maar dat opa heel graag wil komen en dat het nog even duurt.
Elke maand hangt hij zijn kalender bij. Een velletje, met streepjes, in vijven. Hij weet precies hoeveel er nog gaan. Hij weet ook dat hij het beter niet kan weten, en hij telt toch. Hij vroeg zijn dochter niet om geld, hoewel het zijn leven hier wat gemakkelijker kon maken. Daar was hij te trots voor.
Twee dingen die hem overeind houden
Het eerste is een Thaise man van in de dertig, Kiat, die in hetzelfde blok zit voor iets waar hij nooit over praat. Kiat leerde hem waar hij zijn spullen moest bewaren. Kiat sloeg een keer, met één woord, een situatie plat die Ben niet had zien aankomen. Kiat lacht om de manier waarop Ben de toonhoogtes verkeerd legt, en corrigeert hem, elke keer, geduldig, alsof ze alle tijd van de wereld hebben. Ze hebben alle tijd van de wereld.
Het tweede is hoop, en hoop is hier gevaarlijk, want hoop maakt je week. Toch gaat het rond, in het blok, tussen de buitenlanders: dat er een verdrag is, dat je na een aantal jaren kunt vragen of je de rest van je straf in eigen land mag uitzitten. Dat er bij koninklijke gelegenheden gratie wordt verleend, dat straffen dan korter worden. Niemand weet het precies. Iedereen doet alsof.
Ben heeft de aanvraag ingediend. Hij heeft er niets meer over gehoord. Hij vraagt het aan Marijke, elke keer, en elke keer zegt ze eerlijk dat ze het niet weet, en dat eerlijk zijn haar duurder komt te staan dan iets liefs verzinnen. Hij is haar er dankbaar voor. Dat heeft hij haar nooit gezegd.
Nu
Het is oktober. Regenseizoen, tegen het einde. De bui valt elke middag rond vieren, hard, tien minuten, en dan stoomt de binnenplaats en ruikt het even, heel even, naar iets anders dan zeshonderd mannen. Ben staat dan meestal stil. Hij doet zijn ogen dicht.
Hij denkt aan het balkonnetje in Chiang Mai en aan de duiven. Aan de vrouw van het karretje die wist dat hij niet tegen scherp kon. Aan Wanchai, die hem hielp, elke keer weer, zonder ooit om geld te vragen. Hij is niet boos meer. Dat is het rare. De boosheid is er drie jaar geweest en toen was hij op, zoals alles hier op raakt.
Wat er over is, is een vraag die hij elke dag stelt en die niemand ooit zal beantwoorden. Niet de rechter, niet Marijke, niet Lisa. Was ik goed van vertrouwen? Of wilde ik zo graag ergens bij horen dat ik niet wilde zien wat ik zag?
De bel gaat. De mannen schuifelen naar binnen. Ben veegt zijn voeten af aan de natte betonrand, uit gewoonte, alsof daarbinnen iets schoons is dat hij niet vies mag maken. Hij loopt naar zijn matje. Hij gaat liggen. Boven zijn hoofd, op de muur, hangt het velletje met de streepjes.
Vierenzeventig maanden.
Hij pakt zijn pen.
Over deze blogger
Lees hier de laatste artikelen
Het leven in Thailand14 juli 2026Uit het Thaise leven gegrepen: het pakketje
Het leven in Thailand3 juli 2026Uit het Thaise leven gegrepen: uitgestrooid over de Mekong
Het leven in Thailand28 juni 2026Uit het Thaise leven gegrepen: de honderd dagen
Het leven in Thailand23 juni 2026Uit het Thaise leven gegrepen: de handen van Daeng

Heb zo een “kennis” die in tweedehands horloges handelt. Rolex, Breitling etc.
Die ligt ook bij iedereen te zeuren of ze een horloge mee willen nemen naar NL en daar opsturen naar de klant. Laat hem nooit weten wanneer ik naar NL vlieg om dat gezeur te voorkomen.
Ook zie ik wel eens adv om een hond mee te nemen, maar dat doe ik ook niet.
Je weet nooit wat ze die hond gevoerd hebben.
Als je spullen naar NL of TH wil verzenden zijn daar officiele kanalen voor en is dat te duur of wil je dat niet, dan klopt er m.i.iets niet.
Dat is ook de reden waarom ik nooit samen met mijn Thaise echtgenote wil reizen.
Stel maar eens dat men bij een eventuele controle me ervan beschuldigt dat ik haar bolletjes cocaïne heb laten slikken. Dan sta je daar als buitenlander.
Je mag geen enkele Thai vertrouwen, zelfs je eigen vrouw niet.
Als je er zo in staat zou ik je relatie nog eens overwegen.
Serieus??
Dit is wel de meest bizarre opmerking die ik ooit op dit blog gelezen heb. Ongelooflijk, dat je je eigen vrouw niet vertrouwt. Dit zegt toch wel erg veel over jullie relatie, en dat is niet positief bedoeld. Echt ongelooflijk.
Wat heeft vertrouwen nu te maken met de nationaliteit van iemand ? Alsof je een Amerikaan meer zou moeten vertrouwen dan een Thai. Met Trump in gedachten heb ik daar eerder mijn twijfels over.
Wat een triest verhaal! Dit gebeurt vaak, ook bij Thaise mensen.
Wat ik ook heel vervelend vind is de druk die altijd op verdachten wordt uitgeoefend om schuld te bekennen, ook al weten ze zeker onschuldig te zijn, om zo een halvering van de straf te krijgen. Er zitten veel onschuldigen in Thaise gevangenissen.
Hier het verhaal van een Thai die ten onrechte de doodstraf kreeg wegens vermeende drugshandel. Ondertussen is hij, na een aantal pardonneringen, vrijgelaten. Een indrukwekkend boek.
https://www.thailandblog.nl/achtergrond/laatste-biecht-executiekamer-autobiografie-drugshandelaar/