Wat ik in mijn vorige dagboekverhaal al liet weten, is dat het soms lastig is om met nieuwe, interessante vertellingen te komen. Misschien had ik ook last van een soort ‘writersblock’. Afijn, het lukte me nauwelijks om nog wat op te schrijven. Ik speelde ook even met de gedachte om er helemaal mee te stoppen.

Na overleg met de redactie van Thailandblog ben ik gelukkig wel tot een ander inzicht gekomen. De redactie stelde voor om in mijn dagboekverhalen meer de dialogen tussen mensen terug te laten komen, zoals met mijn Vlaamse vriend en anderen die een rol spelen in mijn leven hier in Thailand.

Aanvankelijk vond ik dat lastig, want het uitschrijven van een gesprek is best wel tijdrovend en ik moet dan steeds in mijn geheugen graven. Maar ik heb het toch geprobeerd en deze aflevering is daar het eerste voorbeeld van. Ik hoop dat het in de smaak valt bij de lezers en als dat zo is, ga ik daarmee door.

Sinds mijn vorige verhaal ben ik vijf keer gaan eten in hetzelfde restaurant. Vijf keer in nog geen twee weken. Het eten is er goed, daar niet van. Maar zelfs de kok zou waarschijnlijk niet geloven dat ik zo vaak terugkwam voor zijn gebakken rijst met kip.

Het ging natuurlijk om haar. De vrouw met die bijzondere oogopslag.

Bij mijn derde bezoek herkende ze me meteen. Ik had nog maar een voet op het terras gezet of ze keek op van de tafel die ze aan het afruimen was. Heel even verscheen er iets in haar ogen. Verrassing misschien. Of blijdschap. Dat laatste maakte ik mezelf graag wijs. Je moet toch wat.

‘Hello, Nico.’

Ze kende mijn naam nog. Nu is dat in een restaurant waar men op vaste klanten hoopt, misschien minder bijzonder dan een verliefde man denkt. Al was ik niet verliefd. Dat wil ik er meteen bij zeggen. Nog niet, in ieder geval.

‘You remember me,’ zei ik.

Ze glimlachte. ‘Of course. You drink soda water. No ice.’

Daar stond ik dan. Een volwassen man die zich gevleid voelde omdat een vrouw zijn mineraalwater zonder ijs had onthouden. Op mijn leeftijd kun je beter bescheiden zijn met wonderen.

Ze wees naar dezelfde tafel als de vorige keer. Aan de zijkant van het terras, met uitzicht op de straat. Scooters reden af en aan, een bezorger van Grab wachtte bij de keuken.

‘Your table,’ zei ze.

Mijn tafel. Dat waren twee woorden waar ik meer betekenis aan gaf dan verstandig was.

Haar naam was Ploy. Dat kwam ik die avond toevallig te weten toen een collega haar vanuit de keuken riep. Ze droeg een zwart shirt van het restaurant, een donkere broek en haar haren los. Dat viel op, omdat ze dat normaal niet deed. Niet opvallend gekleed, niet uitbundig en ook niet nadrukkelijk. Juist haar rustige manier van doen trok me aan. Aan aandachttrekkende dames is er geen gebrek in Pattaya, maar op een gegeven moment gaat dat juist vervelen. Haar leeftijd kon ik niet goed inschatten; dat is bij Aziatische mensen toch vaak lastig, vind ik. Maar als ik een gok moest doen, dan schat ik haar midden 40. Een leeftijd waarop veel vrouwen op hun mooist zijn. Althans dat is mijn mening.

En dan die ogen.

Wanneer Ploy naar me keek, had ik steeds het gevoel dat ze iets wilde vragen, maar daar op het laatste moment vanaf zag. Misschien zag ik alleen wat ik graag wilde zien. Dat is het vervelende van verlangen: het vult stiltes in zonder toestemming te vragen.

‘What you like today?’ vroeg ze.

Ik keek naar de kaart, hoewel ik thuis al had besloten wat ik zou bestellen. ‘What do you recommend?’

Ze trok haar wenkbrauwen een beetje op. ‘You ask me, but maybe you not listen.’

‘Why not?’

‘Men never listen.’

Daarna liep ze weg. Ik keek haar na en moest glimlachen. Niet alleen om wat ze zei, maar vooral omdat ik me aangesproken voelde. Ze kende mij nauwelijks en toch had ze binnen een paar minuten een gevoelige plek gevonden.

Die avond praatten we niet veel. Het restaurant liep vol en Ploy bewoog voortdurend tussen de tafels en de keuken. Af en toe keek ze mijn kant op. Soms dacht ik dat het bewust was, soms wist ik zeker dat ik mezelf iets wijsmaakte.

Toen ik wilde afrekenen, kwam ze naast mijn tafel staan. ‘You live here?’

‘Yes, in Naklua.’

‘Alone?’

Daar was hij. De vraag waarop ik had gehoopt.

‘Yes, alone.’

Ze knikte langzaam. Geen vervolg, geen verbaasde reactie. Alleen die blik, waarna ze de rekening voor me neerlegde. Ik had kunnen vragen of zij ook alleen woonde. Dat zou logisch zijn geweest. Een gewone vraag in een gewoon gesprek.

Ik deed het niet.

‘See you again,’ zei ze.

‘Maybe.’

Alsof daar enige twijfel over bestond. Wilde ik nu zelf wat mysterieus overkomen?

Drie dagen later zat ik opnieuw aan mijn tafel. Ploy zette het mineraalwater voor me neer voordat ik iets had besteld.

‘No ice,’ zei ze.

‘You know me very well already.’

‘Only your water.’

Dat antwoord beviel me minder dan ik wilde toegeven. Waarschijnlijk omdat het precies klopte. Ik wist vrijwel niets van haar en zij wist nog minder van mij. Toch liep er in mijn hoofd al een heel verhaal vooruit op de feiten. Nico de romanticus, zou mijn Vlaamse vriend zeggen.

Ze kon alleenstaand zijn, misschien gescheiden. Wellicht had ze een kind dat bij haar ouders in Isaan woonde. Of ze woonde samen met een man die haar iedere avond na haar werk kwam ophalen. Vooral die laatste mogelijkheid schoof ik snel opzij. Niet omdat die onwaarschijnlijk was, maar omdat hij me niet uitkwam. Het idee om tijd te investeren in een vrouw die al bezet was, stond me tegen.

Tijdens het eten vroeg Ploy hoelang ik al in Thailand woonde. Ze luisterde terwijl ik vertelde over Nederland, mijn dochter en mijn leven hier. Niet het hele verhaal natuurlijk. Alleen de korte versie die je aan iemand vertelt wanneer je graag interessant wilt klinken zonder te laten merken dat je daarvoor je best doet.

‘You miss Netherlands?’ vroeg ze.

‘Sometimes. Mostly my daughter.’

‘She come Thailand?’

‘Maybe later this year.’

Ploy knikte en keek even naar de straat. ‘Family important.’

Er veranderde iets in haar gezicht. Het duurde maar een paar seconden, maar de glimlach verdween.

‘Your family live here?’ vroeg ik.

‘Far away.’

‘Isaan?’

Ze keek weer naar me. ‘You know Thailand.’

Dat was meer krediet dan ik verdiende. Een oudere Nederlandse man die weet dat veel mensen in Pattaya uit Isaan komen, mag zich nog geen Thailandkenner noemen. Ik wilde doorvragen, maar op dat moment riep iemand vanuit de keuken. Ploy draaide zich om en verdween naar binnen.

Later die week wandelde ik met mijn Vlaamse vriend langs de boulevard. Het was drukkend warm en zelfs hij, die normaal in stevig tempo doorloopt, stelde voor om eerder aan het bier te gaan. We vonden een tafel bij een kleine zaak aan de overkant van het strand. Ik had mezelf voorgenomen niets over Ploy te vertellen, maar binnen vijf minuten begon ik erover. Hij luisterde zwijgend. Dat doet hij altijd wanneer hij vermoedt dat ik mezelf langzaam weer een avontuur aanpraat.

‘En ge weet dus niet of ze al een vent heeft?’ vroeg hij uiteindelijk.

‘Nee.’

‘Hebt ge dat gevraagd?’

‘Nog niet.’

‘Waarom niet?’

‘Dat moet een beetje natuurlijk ontstaan.’

Hij nam een slok van zijn bier en keek naar zee. ‘Nico, ge zijt ondertussen vijf keer gaan eten om één vraag niet te stellen.’

Haha, ja, hij had gelijk, zoals altijd.

‘Ik ga daar ook heen, omdat het eten goed is.’

‘Natuurlijk,’ zei hij spottend. ‘Er zijn ook niet zoveel restaurants in Pattaya waar het eten goed is’. We keken elkaar aan en ik kon mijn lach niet inhouden.

Maar de manier waarop hij dat zei, maakte ieder verder verweer zinloos. Volgens hem maakte ik het ingewikkelder dan nodig was. Gewoon vragen, was zijn advies. Niet meteen een huwelijksaanzoek doen, geen toekomstplannen maken en zeker nog geen buffel voor haar familie kopen. Alleen vragen of ze een relatie had.

‘Dan weet ge tenminste waarop ge verliefd aan het worden zijt.’

‘Ik ben niet verliefd.’

‘Nog erger. Dan doet ge al zo moeilijk zonder verliefd te zijn.’

Daar had hij ook weer een punt. Waarom doe ik zo ingewikkeld?

Toch ging ik twee avonden later opnieuw naar het restaurant zonder zijn advies op te volgen. Ploy was er niet. Een andere vrouw kwam mijn bestelling opnemen. Ze kende mijn mineraalwater niet, wees me niet naar mijn vaste tafel en vroeg ook niet naar mijn dochter. Het eten smaakte precies hetzelfde, maar de avond voelde anders. Dat stelde me niet gerust.

‘Ploy not working today?’ vroeg ik zo achteloos mogelijk.

De vrouw keek richting de keuken. ‘She come later.’

Mijn opluchting was groter dan passend was. Een halfuur later arriveerde Ploy op een witte scooter. Ze droeg een lichte blouse en een spijkerbroek. Haar werkkleding zat waarschijnlijk in de tas over haar schouder. Voordat ze naar binnen liep, zag ze mij zitten. Ze bleef even staan en kwam daarna naar mijn tafel.

‘You wait for me?’

Het was plagerig bedoeld, maar ik voelde mezelf betrapt. ‘No, I was hungry.’

‘Every time hungry here.’

‘Good restaurant.’

‘Yes. Very good restaurant.’

Ze lachte en liep naar binnen om zich om te kleden. Ik keek naar mijn halflege bord. Zelfs de rijst leek me verwijtend aan te kijken.

Later kwam Ploy tegenover me zitten. Het restaurant was rustig geworden. De laatste toeristen waren vertrokken en een collega ruimde tafels af. Ik besefte dat ik er te lang zat om alleen te gaan eten. Voor het eerst had ze geen notitieblok in haar hand en hoefde ze niet meteen verder.

‘You look tired,’ zei ik.

‘I am tired.’

‘Long day?’

Ze knikte. ‘Many things.’

Ik wachtte. Misschien zou ze iets vertellen over haar familie, geldzorgen of de reden waarom ze te laat was. Ze zei niets. Haar vingers speelden met het papieren hoesje rond een rietje. Dit was het moment. Ik hoefde alleen maar te vragen: heb je een vriend? Een paar woorden. Zelfs in mijn eenvoudige steenkolenengels kon er weinig misgaan.

‘Ploy…’

Ze keek op. Die oogopslag weer. Rustig, direct en tegelijk moeilijk te lezen.

‘Yes?’

‘Would you like something to drink?’

Het was eruit voordat ik mezelf kon tegenhouden.

‘No, thank you.’

Nico, dacht ik. Dit begint zielig te worden.

Er viel een korte stilte. Vanuit de keuken klonk het gerammel van borden. Buiten was het lawaai van een oude vrachtwagen.

‘Why you come here so much?’ vroeg ze toen.

Ik glimlachte. ‘Maybe I like the food.’

‘Maybe.’

Ze bleef me aankijken. Ze hielp me niet. Misschien wilde ze dat ik eerlijk was. Misschien vond ze het alleen grappig dat die oudere Nederlander opnieuw in een cirkel om zijn eigen woorden heen liep.

‘And the people are friendly,’ voegde ik eraan toe.

‘All people?’

‘Not all.’

Daar moest ze om lachen. Een kleine overwinning, vond ik zelf. Toen kwam er een zwarte pick-up voor het restaurant tot stilstand. Ploy keek onmiddellijk naar de straat. Een Thaise man achter het stuur hief zijn hand. Ik voelde iets in mijn buik zakken.

‘You go home?’ vroeg ik.

‘Yes.’

‘Your boyfriend?’

De vraag kwam er alsnog uit, maar op het verkeerde moment en met een stem die minder rustig klonk dan ik had gehoopt.

Ploy keek naar de auto en daarna weer naar mij. ‘My brother.’

Opluchting, schaamte en blijdschap. Alle drie tegelijk.

‘Ah, your brother.’

‘Why?’ vroeg ze.

‘No reason.’

Ze kantelde haar hoofd een beetje. ‘You think boyfriend?’

‘Maybe.’

‘You want to know?’

Nu had ze de deur voor me opengezet. Ik hoefde alleen nog maar naar binnen te lopen.

‘It is your private life,’ zei ik.

Ze keek me een paar seconden aan en stond toen op. ‘Good night, Nico.’

‘Good night, Ploy.’

Buiten stapte ze in de pick-up. Voordat de auto wegreed, keek ze nog een keer door het raam naar me. Geen glimlach deze keer. Alleen die ogen.

Thuis op mijn balkon vroeg ik me af waar ik nu precies bang voor was. Voor haar antwoord? Of voor wat ik daarna zou moeten doen? Zolang ik niets vroeg, kon alles nog waar zijn. Ze kon vrijgezel zijn en belangstelling voor me hebben. Ze kon alleen vriendelijk zijn omdat ik een vaste klant was. Ze kon thuis een man hebben die nietsvermoedend op haar wachtte. Alle mogelijkheden pasten nog naast elkaar, zolang ik de werkelijkheid niet binnenliet.

Misschien was dat mijn echte probleem. Niet dat ik te verlegen was om een vraag te stellen, maar dat ik de onzekerheid veiliger vond dan een duidelijk antwoord. Of als ze zou zeggen dat ze een vriend had, het spel direct afgelopen was. In Nederland zou ik zoiets kinderachtig hebben genoemd. Hier noemde ik het voorzichtigheid. Een mens is handig in het kiezen van woorden die hem op dat moment goed uitkomen.

De volgende ochtend stuurde mijn Vlaamse vriend een bericht.

‘En?’

Ik antwoordde dat ze opgehaald werd door een man in een pick-up, maar dat hij haar broer was. Vrijwel meteen kwamen de drie puntjes in beeld.

‘Dat was mijn vraag niet.’

Dat klopt, hij was weer lekker direct.

Vanavond ga ik weer naar het restaurant. Ik heb mezelf beloofd dat ik nu eindelijk zal vragen of Ploy een relatie heeft. Een eenvoudige vraag. Maar eerst moet ik natuurlijk iets eten.

Wordt vervolgd.

Ingezonden door Nico


Laat een reactie achter