De Buitenstaander komt aan

Door De buitenstaander
Geplaatst in Leven in Thailand
Tags:
11 juli 2026

De laatste kilometers worden de wegen almaar smaller. Eerst was er nog de brede vierbaansweg vanuit Udon Thani, vol vrachtwagens, pick-ups en bromfietsen die zich overal tussendoor wringen. Daarna kwam een tweebaansweg langs benzinestations, rijsthandels en betonnen woonsten. Vervolgens een provinciale baan met gaten, honden en koeien. Nu rijden ze over een smalle strook asfalt tussen de rijstvelden, onder een bleke hemel waarin de zon laag boven de horizon hangt.

De Buitenstaander zit naast Mali in de oude pick-up van haar broer. Zijn twee koffers liggen achterin, vastgebonden met een blauw touw dat er niet bepaald betrouwbaar uitziet. In de grootste zitten zijn kleren, toiletgerief, medicijnen en een koffiezetapparaat, waarvan Mali al drie keer heeft gevraagd waarom dat mee moest. Mijn lief begrijpt veel, maar niet waarom een mens een volledig apparaat nodig heeft voor iets wat ook met een lepel oploskoffie kan. In de andere koffer liggen gereedschap, twee flessen whisky, chocolade, kaas en geschenken voor mensen die hij nog nooit heeft ontmoet. Zijn hele nieuwe leven past in twee koffers. Althans, dat heeft hij zichzelf de voorbije maanden voorgehouden.

Het licht boven de velden is warm en zacht, doch de lucht zelf is dat niet. Wanneer hij zijn hand uit het raam steekt, voelt hij de hitte langs zijn huid strijken. Geen verkoelend briesje. Eerder de adem van een grote hond.

Mali wijst naar een verzameling daken in de verte.

‘Daar.’

De Buitenstaander buigt voorover. Veel ziet hij niet. Wat bomen, golfplaten daken en een watertoren die boven alles uitsteekt. Achter het dorp hangt een dunne rookpluim. Iemand verbrandt afval of houtskool. Mogelijk allebei.

‘Hoeveel mensen wonen er?’

Mijn lief denkt na.

‘Niet veel.’

Dat kan vijftig betekenen. Of vijfhonderd. Bij Mali hangt het antwoord vaak af van wat zij met veel bedoelt. De Buitenstaander heeft geleerd dat doorvragen niet altijd meer duidelijkheid oplevert. Soms levert het alleen een tweede, nog vager antwoord op.

De pick-up slaat van het asfalt af. De rode aardeweg ligt vol diepe kuilen die Mali’s broer behendig ontwijkt. Niet allemaal. Bij iedere hobbel kijkt De Buitenstaander in de buitenspiegel naar zijn koffers. Ze springen vrolijk op en neer, maar het blauwe touw houdt stand. Voorlopig toch.

Aan beide kanten staan houten huizen op palen. Sommige zijn oud en donker, met verweerde planken en roestige daken. Andere hebben een betonnen benedenverdieping in lichtgroen, roze of hemelsblauw. Overal staan plastic stoelen, waterkruiken, bromfietsen en houten stellages waarop rijst of pepers liggen te drogen. Her en der ligt rommel die hier geen rommel lijkt te zijn, maar gerief dat ooit nog van pas kan komen.

Een magere hond stapt midden op de weg. Mali’s broer toetert, maar het dier verroert zich niet. Pas wanneer de bumper bijna zijn staart raakt, wandelt hij op zijn gemak naar de berm. Zonder haast. De hond woont hier. Zij zijn slechts op bezoek.

Bij het eerste huis stopt een vrouw met vegen. Haar bezem blijft midden in de beweging hangen. Verderop kijkt een oude man op van een bromfietsband die hij aan het herstellen is. Twee kinderen rennen een erf af en wijzen naar de pick-up.

‘Farang!’

De Buitenstaander heeft het woord vaak genoeg gehoord, in Bangkok, Pattaya en op markten. Daar betekende het weinig. Hier klinkt het als een dorpsalarm. Vooraleer ze het huis van Mali bereiken, weet men blijkbaar al dat hij eraan komt. Ginds aan de overkant staat zelfs een vrouw met haar handen in haar zij te wachten, alsof ze de aankomst persoonlijk heeft georganiseerd.

Het huis staat vlak bij een kleine kruising. Een laag betonnen gebouw met een blauw dak, een overdekt terras en een winkelruimte aan de voorkant. Naast de deur hangt een rood bord van een frisdrankmerk. Daaronder staan kratten bier, flessen vissaus, zakjes chips, wasmiddel en kleine plastic zakken met felgekleurde snoepjes. Voor het huis groeit een mangoboom, groot, breed en oud genoeg om bijna het hele erf in de schaduw te zetten.

De Buitenstaander vindt het onmiddellijk mooi. Niet het huis op zich. Dat is eenvoudiger dan op de foto’s die Mali hem stuurde. De verf bladdert op enkele plaatsen af en een regenpijp eindigt een halve meter boven de grond. Bij een ferme bui zal het water vermoedelijk gewoon over het erf stromen en zelf zijn plan moeten trekken. Doch de boom, het open uitzicht en de rust bevallen hem.

Dan ziet hij de overkant.

Onder het afdak van een buurhuis zitten minstens twaalf mensen op plastic stoelen. Mannen, vrouwen, kinderen en een oude oma met kort grijs haar. Voor hen staat een tafel met flessen, glazen en een schaal met iets wat op geroosterde insecten lijkt. Niemand praat. Iedereen kijkt.

De Buitenstaander kijkt terug. Een kind begint te lachen. De volwassenen volgen, niet luid, eerder ingehouden, alsof er iets vermakelijks aan hem is dat hij zelf nog niet heeft ontdekt.

‘Waarom zitten die daar?’

‘Gewoon.’

‘Zaten ze daar al?’

Mali kijkt naar de groep.

‘Misschien.’

Dat betekent neen. Mijn lief kan met één woord een volledig gesprek afsluiten.

De broer zet de motor af. Meteen valt de stilte van het dorp over het erf. Geen verkeer, geen sirenes, geen brommende airco’s van de buren. Alleen kippen, krekels en in de verte een luidspreker waaruit een vrouw met scherpe stem iets meedeelt.

De Buitenstaander opent zijn portier. De hitte slaat toe. Binnen enkele seconden voelt hij het zweet onder zijn hemd. Niet alleen op zijn rug en voorhoofd, maar zowat overal. Zijn broek plakt aan zijn benen. Zijn bril beslaat.

Een veelbelovend begin.

Mali stapt uit en roept iets naar de overkant. Meteen komt de groep in beweging. Stoelen worden verlaten, slippers schuiven over het stof en kinderen rennen vooruit. Vooraleer De Buitenstaander goed en wel rechtop staat, staat het halve erf erbij.

Een kleine vrouw grijpt zijn arm. De moeder van Mali. Hij herkent haar van videogesprekken, alhoewel zij in werkelijkheid veel kleiner is. Haar hoofd komt nauwelijks tot zijn schouder. Ze voelt aan zijn onderarm, lacht breed en zegt een stroom woorden waarvan hij alleen Mali’s naam begrijpt.

Hij maakt een wai.

Te diep, zo blijkt.

De kinderen schateren. Een van de mannen doet hem na en buigt zo ver dat zijn neus bijna de grond raakt.

Mooi. Nog geen minuut in het dorp en hij zorgt al voor amusement. Plezant voor de anderen, iets minder voor hem.

Daarna komen de overige familieleden. Een oudere zus, twee broers, drie tantes, een oom en een onduidelijk aantal neven en nichten. Mali noemt namen, doch tegen de tijd dat zij bij de vierde persoon aankomt, is hij de eerste alweer vergeten. Hij glimlacht, maakt wai’s en schudt handen wanneer iemand een hand uitsteekt. Knikken. Nog meer glimlachen. Daar staat hij dan, met zijn beste bedoelingen en geen flauw idee wie bij wie hoort.

Iedereen bekijkt hem zorgvuldig. Zijn lengte, schoenen, horloge en bleke armen worden zonder enige terughoudendheid bestudeerd. Een tante trekt zelfs even aan de stof van zijn hemd. De oude oma wijst naar zijn buik en zegt iets waardoor de hele groep opnieuw begint te lachen.

‘Wat zegt ze?’

‘Dat je goed gegeten hebt.’

De Buitenstaander kijkt naar zijn buik. Die is niet zo groot. Een beetje misschien.

‘Ze zegt ook dat je sterke man bent.’

Dat tweede deel verzint mijn lief. Dat ziet hij aan haar gezicht.

De koffers worden uit de laadbak gehaald. Vier mannen bemoeien zich met het blauwe touw. Niemand krijgt de knoop los. Na enig overleg haalt Mali’s broer een kapmes.

‘Wacht.’

De Buitenstaander pakt zijn multitool uit zijn broekzak en snijdt het touw door. Een eenvoudige handeling, maar de mannen kijken alsof hij zojuist een ingewikkelde operatie heeft uitgevoerd. Een van hen wil de multitool vasthouden. Daarna een tweede. Binnen enkele minuten gaat het ding de hele groep rond.

De Buitenstaander kijkt het gerief na.

‘Niet kwijtraken,’ zegt hij tegen Mali.

‘Dan moet je het niet geven.’

Daar had hij niet van terug.

De grootste koffer wordt op het terras gezet. De kinderen vormen er een halve cirkel omheen. Ze kijken naar het zwarte gevaarte alsof er ieder moment een levend dier uit kan springen.

‘Niet nu,’ zegt Mali.

De Buitenstaander begrijpt dat zij denkt dat hij de geschenken wil uitdelen. Dat wilde hij inderdaad. Doch blijkbaar bestaat er een geschikt moment voor. En dit is het niet.

‘Waarom niet?’

‘Later.’

Later. Veel soelaas brengt dat woord doorgaans niet.

Ze brengt hem naar binnen. De woonkamer is klein en donker. Tegen een muur staat een houten kast met glazen deuren, gevuld met kommen, Boeddhabeeldjes en oude foto’s. Aan de andere kant staat een televisie die bijna even breed is als het meubel eronder. Boven de televisie hangt een klok in de vorm van een gouden zwaan. De klok loopt zeven minuten voor.

‘Hier zitten wij.’

Dat had hij begrepen.

Achter de woonkamer ligt de slaapkamer. Er staat een breed bed met een hard matras, een kast en een ventilator op een metalen voet. Aan het raam hangen roze gordijnen met grote witte bloemen. Op de kast staan ingelijste foto’s van Mali’s dochter, haar ouders en enkele mensen die hij niet kent. Alles staat netjes op zijn plaats. Proper is het zeker, ook al heeft de kamer meer weg van een opslagplaats met een bed dan van de slaapkamer die hij zich had voorgesteld.

De Buitenstaander zoekt de airconditioning. Niet aanwezig. Hij wist dat. Mijn lief had het verteld. Toch had hij ergens gehoopt dat er ondertussen eentje was verschenen.

‘Later kopen wij airco,’ zegt ze.

Later. Een gevaarlijk woord in Thailand, zeker wanneer er geld mee gemoeid is.

De badkamer bevindt zich achter de keuken. Een betegelde ruimte met een toilet, een kraan laag aan de muur en een grote blauwe ton vol water. Er is ook een douchekop, maar het snoer van de elektrische boiler hangt los.

De Buitenstaander wijst ernaar.

‘Werkt die?’

‘Soms.’

‘Soms?’

‘Ja.’

Naast het toilet staat een plastic bakje.

‘Om door te spoelen,’ legt Mali uit.

Hij knikt alsof dit allemaal precies is wat hij verwachtte. Schone schijn moet ge soms ophouden, zelfs tegenover uw eigen vrouw.

Boven de deur zit een grote gekko tegen de muur. Het dier kijkt hem aan met bolle ogen.

‘Die zit in de badkamer.’

‘Ja.’

‘Blijft die daar?’

‘Hopelijk. Hij eet muggen.’

De Buitenstaander kijkt opnieuw naar de gekko. Die lijkt inmiddels meer recht op de badkamer te hebben dan hij.

Buiten wordt geroepen. De koffers moeten open. Het geschikte moment is blijkbaar aangebroken.

Op het terras zitten nu nog meer mensen. Niemand heeft De Buitenstaander zien aankomen, maar het nieuws heeft zich sneller verspreid dan hij voor mogelijk hield. Zelfs de monniken in de tempel weten vermoedelijk al hoeveel koffers hij bij zich heeft.

Mali gaat naast de grootste zitten en opent hem. De kinderen schuiven dichterbij. De geur van zijn oude leven komt eruit: wasmiddel, leer, koffie en de vage geur van het appartement dat hij heeft achtergelaten.

De chocolade gaat naar de kinderen. Binnen enkele seconden zijn de repen verdwenen. De twee flessen whisky worden met instemming ontvangen door de mannen. Voor de moeder van Mali heeft hij parfum meegenomen. Zij houdt het doosje voorzichtig vast en bekijkt iedere zijde voordat zij het opent.

De kaas veroorzaakt verwarring.

‘Wat is dat?’ vraagt Mali’s broer.

‘Kaas.’

Mijn lief vertaalt het. De broer ruikt eraan en trekt een gezicht alsof het bedorven is.

‘Dat moet zo ruiken,’ zegt De Buitenstaander.

Dat maakt het niet aantrekkelijker. Aan zijn gezicht te zien vindt de broer dat de kaas op niets trekt.

Het koffiezetapparaat blijft als laatste over. De Buitenstaander haalt het trots uit de doos. Een degelijk toestel, niet te groot, met een glazen kan en een timer.

Iedereen kijkt.

‘Voor koffie,’ legt hij uit.

Mali’s moeder wijst naar de pot oploskoffie in de winkel. Veel eenvoudiger.

De Buitenstaander wil uitleggen dat dit echte koffie maakt, dat de smaak voller is en dat hij graag rustig wakker wordt met een deftige kop. Hij ziet echter aan Mali’s gezicht dat hij daar beter niet aan begint.

Het apparaat wordt opnieuw ingepakt.

Tegen de avond staan er verschillende gerechten op tafel: gegrilde kip, kleefrijst, papajasalade, soep met stukken varkensvlees en een bord rauwe groenten. De Buitenstaander krijgt een lepel en vork. De anderen eten grotendeels met hun handen. De mannen schenken whisky in, veel whisky en weinig water. Iedereen praat door elkaar. Af en toe valt zijn naam, gevolgd door gelach. Mali vertaalt slechts de helft. Waarschijnlijk maar goed ook.

Hij probeert de papajasalade. Eerst proeft hij limoen en vissaus. Daarna komt de peper. De hitte begint op zijn tong, trekt naar zijn keel en bereikt vervolgens zijn voorhoofd. Binnen enkele seconden loopt het zweet langs zijn gezicht. Hij drinkt water. Dat helpt niet. Dan bier. Evenmin.

De oude oma kijkt tevreden toe.

‘Lekker?’ vraagt ze in het Thais.

De Buitenstaander steekt zijn duim op.

‘Aroi.’

Grote fout.

Meteen schept Mali’s moeder nog een flinke portie op zijn bord. De mensen lachen opnieuw. Mijn lief eveneens. Doch nu lacht hij mee. Veel anders zit er niet op.

Langzaam wordt het donker. De kinderen verdwijnen, één voor één opgehaald door hun ouders. De oudere vrouwen gaan naar huis. De mannen blijven zitten tot de whisky op is, wat sneller gebeurt dan De Buitenstaander had verwacht. Aan de overkant staan de plastic stoelen inmiddels leeg.

Rond tien uur ligt het dorp in duisternis. Slechts hier en daar brandt een tl-buis onder een afdak. In de velden flitsen vuurvliegjes tussen het gras. Kikkers maken een oorverdovend lawaai en uit het huis van een buur klinkt Thaise muziek.

De Buitenstaander staat onder de douche. Koud water, want de boiler werkt vandaag niet. De eerste plens beneemt hem de adem, doch na de warmte van de dag voelt het verrassend goed. De gekko zit nog steeds boven de deur en waakt over zijn nieuwe onderkomen.

Wanneer hij de slaapkamer binnenkomt, ligt Mali al op bed. De ventilator draait en kraakt bij iedere zijwaartse beweging. Op het nachtkastje staat een fles water. Zijn koffers staan ongeopend tegen de muur, op wat geschenken na.

‘Iedereen vindt je aardig,’ zegt mijn lief.

‘Ze kennen me nog niet.’

‘Daarom.’

Hij kijkt haar aan. Zij glimlacht.

Buiten blaft een hond. Een bromfiets rijdt voorbij. Daarna klinkt ergens in de verte gelach. De Buitenstaander weet vrijwel zeker dat er nog over hem wordt gesproken. De farang met zijn twee koffers, zijn diepe wai en zijn vreemde kaas. Het zal wel zijn.

Hij gaat naast Mali liggen. Het matras is inderdaad hard. De kamer warm. Uit een kier bij het raam komt een mug naar binnen, onmiddellijk gevolgd door een tweede. Vanuit zijn koffer ruikt hij de kaas.

Morgen moet hij een airco regelen. De boiler repareren. Een plek zoeken voor het koffiezetapparaat. Zijn koffers uitpakken. Misschien ook leren wie al die mensen zijn die vanavond tegenover hem zaten. Hij zal alweer zijn plan moeten trekken.

Genoeg te doen.

Mali valt snel in slaap. De Buitenstaander blijft nog een tijdje wakker en luistert naar het dorp. Kikkers, honden, muziek en af en toe een menselijke stem. Geen enkele klank is vertrouwd.

Toch is dit voortaan thuis.

Twee koffers, een hard bed en een dorp dat alles van hem wil weten. De verwachtingen waren groot. De werkelijkheid blijkt kleiner, warmer en een stuk nieuwsgieriger.

Mijn lief draait zich in haar slaap naar hem toe en legt zonder wakker te worden een hand op zijn arm.

De Buitenstaander kijkt naar het plafond.

Neen, eenvoudig zou het niet worden.

Wordt vervolgd.

Over deze blogger

De buitenstaander
De Buitenstaander, geboren in 1961 in Kortrijk (BE), schrijft over zijn observaties en het leven in een dorpje op het Thaise platteland, waar hij woont met zijn lief Mali.

4 reacties op “De Buitenstaander komt aan”

  1. BertP zegt op

    Mooi verhaal, herken veel van die dingen zo’n dertig jaar geleden.
    Ik at een keer kip met knoflook en plakrijst en mijn schoonmoeder vroeg lekker, hetgeen ik beaamde.
    Gevolg, iedere dag bracht ze op de markt kip met knoflook voor me mee zo rond 3 uur middag.
    Uit beleefdheid at ik het op, wou haar niet beledigen.
    Koffieapparaat, eind jaren 90 was de Senseo in zwang en vrouwlief vond dat wel iets voor in het familierestaurant, verse koffie kwam net een beetje opzetten.
    2x gebruikt, daarna onder een tafel verdwenen want was veel werk 🙂

    0
  2. Harry Romijn zegt op

    Ach, doet me denken aan mijn van origine Indonesische vriendin, die ik begin 70-er jaren in het dorpje ’t Goy ( 600 inwoners, bij Houten) meebracht: Veel bekijks, en overal welkom.
    En die koffieautomaat, die ik samen met heel veel koffie in 1993 meenam naar Naglua, werd al snel een reden van bezoek voor 3 Thaise dames. Hadden heel erg snel geleerd, hoe dat ding werkte, en genoten van Nederlandse koffie.

    0
  3. william-Korat zegt op

    Fantastische intro van De Buitenstaander, het belooft een hoop leesplezier. Ik heb het aan de rand van de stad ergens in 2003 wat minder scherp meegekregen, hoewel de diverse buitenlanders toen vooral door kinderen met angst en beven werden bekeken. Inmiddels heb ik ook twee koffieapparaten in de hoek staan en een pak 3 in 1 op de magnetron liggen.

    0
  4. Welkom op ons blog, Buitenstaander. Je schrijft onderhoudend en het is ook fijn dat een Vlaming ons blij maakt met mooie verhalen.

    0

Laat een reactie achter