Dit verhaal gaat over een vrouw uit Centraal-Thailand en een monnik van Yong komaf. (*) Ze verstonden elkaars taal niet. De monnik leefde in de tempel in het dorp waar een gemeenschap van twintig gezinnen woonde. De vrouw vestigde zich daar. Zij was een vrome vrouw die graag goede daden deed; iedere morgen maakte ze eten voor de monniken.






