()

Een tweede verhalenserie van Hans

Introductie: Zeven Dagen Paradijs is een rauwe maar sfeervolle vertelling die de lezer meesleurt naar het broeierige Thailand van de late jaren zestig. Tegen de achtergrond van de Vietnamoorlog, waar de lucht boven de Udorn Royal Thai Air Force Base voortdurend verscheurd wordt door de bulderende naverbranders van F-4C Phantoms, zoeken Amerikaanse militairen hun toevlucht in de neonverlichte straten van ‘The Strip’. Het is een wereld van scherpe contrasten: de verstikkende tropische hitte en de ijzige kalmte van een veteraan, de onschuld van een negentienjarige rekruut tegenover de mysterieuze glimlach van de lokale barmeisjes, en de dunne lijn tussen een broodnodige adempauze en de onvermijdelijke terugkeer naar het front. In deze serie vervagen de grenzen tussen redding en verleiding, terwijl de personages proberen te ontdekken wat het betekent om zeven dagen lang niet te hoeven sterven.


De landing was hard genoeg om Corporal Tex Briggs uit zijn slaap te schudden en zijn hoofd tegen het frame van de C-130 te knallen.

“Godverdomme,” zei Tex.

“Welkom in Thailand,” zei Dale.

Sergeant First Class Dale Kowalski uit Milwaukee, Wisconsin, drieëndertig jaar oud, drie tours Vietnam, was niet het type dat ergens enthousiast van werd. Hij was het type dat keek, afwachtte, en daarna een oordeel velde wat hij zelden hardop uitsprak. Maar terwijl de laadklep openging en de hitte naar binnen rolde als een vochtige vuist, dezelfde hitte als Da Nang, maar zonder de stank van kerosine en verrotting, voelde hij iets wat hij even niet kon benoemen.

Later zou hij het identificeren als opluchting. Niet de vreugdevolle soort. Gewoon de stille, anonieme opluchting van iemand die een week lang niet hoeft te sterven.

Zeven dagen. Dat hadden ze hem gegeven. Zeven dagen R&R, Rest and Recuperation, officieel. De mannen hadden er andere namen voor: I&I (Intercourse and Intoxication), Sin and Sun, of gewoon de zeven geboden, waarbij de vraag was welke je zou overtreden en welke je zou vergeten te overtreden.

Tex stond naast hem op de tarmac, zijn duffeltas over zijn schouder, zijn ogen groot als borden. Negentien jaar. Opgegroeid in Amarillo, Texas, waar de grootste attracties een rotonde en een Dairy Queen waren. Hij had nog nooit een vliegtuig genomen voordat de legerbus hem ophaalde. Hij had nog nooit buiten de VS geslapen voor Vietnam hem wakker schopte. En nu stond hij op een Thaise luchtmachtbasis terwijl F-4 Phantoms opstegen met een geluid alsof God zelf een donderend vuurwerk afstak.

“Is dit echt?” vroeg Tex.

“Nee,” zei Dale. “We zijn allebei dood en dit is de hemel. Trek je schoenen uit.”

Udorn Royal Thai Air Force Base was technisch gezien een Thaise basis, dat was de afspraak met Bangkok, een zogenaamd gentleman’s agreement waarbij de Thaise vlag aan de mast hing en de Amerikanen deden wat Amerikanen doen, namelijk alles behalve de vlag vasthouden. De 432nd Tactical Reconnaissance Wing opereerde hier, RF-4C’s die Noord-Vietnam fotografeerden van dichtbij genoeg om de gezichten van de vijand te zien, ware het niet dat niemand ze zou zien want ze vlogen te snel en de vijand schoot altijd iets te laat.

Maar dat was overdag. ’s Nachts was Udorn iets anders.

De jeep die hen ophaalde werd gereden door Airman Bobby Tate uit Baton Rouge, Louisiana, een man wiens zuidelijke tongval zo dik was dat het leek alsof hij zijn woorden door stroop trok voor hij ze uitsprak.

“Gentlemen,” slobberde Tate traag, terwijl hij hun bagage in de laadruimte gooide met de zorgvuldigheid van iemand die eieren weggooit, “welkom in het koninkrijk Thailand, land van de glimlach, het goede bier en dingen die uw moeder nooit mag weten.”

“Hoe ver is de stad?” vroeg Tex.

“Vijf minuten rijden. Een kwartiertje als u loopt. Maar u gaat niet lopen, want het is negenendertig graden en u bent al rood als een kreeft op de 4e juli.”

Tex keek naar zijn armen. Ze waren inderdaad al een kleur die in Texas alleen voorkwam bij mensen die zonder hoed aan het ploegen gingen.

Het Transit House was een betonnen gebouw met airconditioning die het deed op de manier van een oudere hond die een bal apporteert: met moeite en zonder garantie. Dale kreeg een kamer met een bed dat te zacht was na negen maanden veldbedden, een ventilator die meer lawaai maakte dan lucht verplaatste, en een raam dat uitkeek op een parkeerplaats waar drie MPs rondreden in een jeep met de uitstraling van mensen die wisten dat ze dit weekend werk zouden hebben.

Hij douchte. Waste drie weken Da Nang van zich af. Stond vijf minuten langer dan nodig onder het warme water, water dat niet op rantsoen was en niet rook naar chloor en angst.

Daarna trok hij zijn burgerkleding aan, een kakibroek en een blauw shirt dat zijn vrouw Linda drie Kerstmissen geleden had gekocht en dat hij sindsdien nooit had gedragen omdat er altijd een oorlog in de weg zat, en klopte op de deur van Tex.

Tex deed open in zijn onderbroek, een Singha-biertje in de hand, met de uitdrukking van iemand die de sleutel tot het universum heeft gevonden.

“Waar heb je dat vandaan?” vroeg Dale.

“Tate.” Tex hief het flesje. “Hij zegt dat ze overal Singha hebben. In elke bar, elke winkel, elke kiosk. Hij zegt dat als je in Thailand dorst hebt, je het zelf hebt gezocht.”

“Tate is een wijs man.”

Ze liepen de avond in.

Soi Suksawat, The Strip, zoals de Amerikanen het noemden, begon waar de basis ophield en eindigde waar je gevoel voor eigenwaarde dat deed. Het was een straat van lantaarns en houten gevels, van muziek die uit elke deur sijpelde als water door slechte voegen. Creedence Clearwater. Rolling Stones. Hier en daar iets Thais dat klonk als een ballade maar voor hetzelfde geld een aanklacht was. De bars hadden namen die iemand had bedacht in de overtuiging dat Amerikanen van directheid hielden: Lucky Star, Happy House, Golden Lady, Paradise Inn. Een etablissement heette simpelweg Bar, wat Dale respecteerde om zijn eerlijkheid.

Ze gingen de Lucky Star in.

Het rook er naar Mekong-whisky, jasmijn en sigaretten in een verhouding die je de eerste minuut overweldigde en daarna aangenaam vond. Achter de bar stond een vrouw van een jaar of twintig die hen aankeek met de professionele kalmte van iemand die alles al had gezien en besloten had er niet meer van op te kijken.

“Singha?” vroeg ze.

“Twee,” zei Dale.

Ze heette Mae. Dat leerde hij pas later. Op dat moment wist hij alleen dat ze zijn glas bijschonk voor hij het leeg had en dat ze zweeg op een manier die niet ongemakkelijk was maar gewoon eerlijk, het zwijgen van iemand die weet dat woorden niet altijd de kortste weg zijn.

Tex was al op ontdekkingsreis. Hij stond bij de jukebox, een vijf-baht-muntje in zijn hand, de catalogus bestuderend met de concentratie van een student voor een eindexamen.

“Ze hebben Fortunate Son,” riep hij.

“Niet doen,” zei Dale.

“Waarom niet?”

“Omdat we die de hele week al in onze oren hebben gekregen in Da Nang en ik op vakantie ben.”

Tex koos What a Wonderful World van Louis Armstrong, wat hij waarschijnlijk ironisch bedoelde maar in de context van die avond, in die bar, in die stad in de provincie Udon Thani met zeven dagen afstand van de oorlog, precies de juiste keuze bleek.

Dale dronk zijn Singha. Mae veegde de bar af. Buiten reed de MP-jeep langzaam voorbij, Sergeant Pratt achter het stuur, een man die zijn werk deed met de vermoeidheid van iemand die weet dat hij de oceaan met een emmer leegschept maar ermee doorgaat omdat hij niet veel anders te doen heeft.

Zeven dagen, dacht Dale. Hij nam een slok bier.

Laten we zien wat we ermee doen.

Hoe leuk of nuttig was deze posting?

Klik op een ster om deze te beoordelen!

Gemiddelde waardering / 5. Stemtelling:

Tot nu toe geen stemmen! Wees de eerste die dit bericht waardeert.

Omdat je dit bericht nuttig vond...

Volg ons op sociale media!

Het spijt ons dat dit bericht niet nuttig voor je was!

Laten we dit bericht verbeteren!

Vertel ons hoe we dit bericht kunnen verbeteren?

Over deze blogger

Hans
Hans
Zijn naam is Hans uit Amsterdam (pun intended), geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.

1 reactie op “Zeven Dagen Paradijs – Wheels Down in Udorn (deel 1)”

  1. Peer zegt op

    Wordt ‘n interressante serie, dankje wel Hans.
    Leuk en soepel geschreven.

    2

Laat een reactie achter