()

In de Wonderfull 2 hadden alle meisjes een telefoon. Dit was geen luxe, maar gereedschap, net zo noodzakelijk als de glimlach en de barkruk. Via Line kwamen de berichtjes van klanten die vroegen: “u free tonight?”, via Facebook hielden we bij wie er weer in Thailand was geland en via PromptPay ging het geld naar huis. De mama-san keek er niet van op. Maar als je je telefoon niet had was er wel wat aan de hand. Dan was je niet bereikbaar en niet bereikbaar betekende omzet mislopen, en omzet mislopen was in de Wonderfull 2 het enige echte misdrijf.

Ik had in die tijd drie telefoons. Eén voor klanten, één voor mijn familie in Roi Et, en één voor mijn vriend Arthit in Udon Thani waarvan niemand wist dat hij bestond. Telefoon drie was altijd op stil. Telefoon drie lag nooit op de bar. Telefoon drie bewaarde ik in mijn zak of in mijn tasje achter de bar, weggestopt onder een doekje naast de flesopener en een half opgegeten zak krupuk.

Arthit en ik kenden elkaar al sinds de middelbare school. Hij werkte als monteur bij een garagebedrijf in Udon Thani en stuurde me elke dag minstens drie berichten. Goede ochtend. Hoe is je dag. Mis je. Hij was geen ingewikkelde man en dat was precies waarom ik van hem hield. Hij geloofde dat ik in Pattaya werkte als serveerster in een toeristenrestaurant. Dat had ik hem verteld in het eerste telefoongesprek nadat ik was aangekomen, omdat de waarheid ingewikkelder was dan ik op dat moment kon uitleggen. Daarna werd het steeds moeilijker om het alsnog te corrigeren. Zo werkt dat met leugens. Ze worden niet groter omdat je wil liegen maar omdat de uitgang steeds smaller wordt hoe langer je wacht.

Op een drukke vrijdagavond lagen alle drie mijn telefoons naast elkaar op de bar. Ik had ze even neergelegd toen ik een bestelling moest wegbrengen. Toen ik terugkwam pakte ik er één op zonder te kijken. Ik zag meteen dat het de verkeerde was. Op het scherm een bericht van Arthit: “Mis je. Wanneer kom je thuis?” Een Duitser naast me had meegekeken voor ik het scherm weg kon draaien. “Who is that?” vroeg hij. “Mijn broer,” zei ik, zonder een spier te vertrekken. De Duitser knikte. Hij had inmiddels genoeg avonden in Pattaya doorgebracht om te weten dat hij dat antwoord gewoon moest accepteren.

Frans zat die avond ook in zijn hoek. Laptop open, sigaret in de asbak, zweetband om zijn hoofd. Hij had het hele tafereel gezien, dat merkte ik aan de manier waarop hij even opkeek en weer naar zijn scherm keek, te snel om toevallig te zijn. Later, toen de Duitser naar het toilet was, keek Frans me aan met een kleine grijns. Geen grote uitdrukking, gewoon een klein optrekken van zijn mondhoek. “Broer?” zei hij alleen maar.

“Broer,” zei ik.

Hij lachte zachtjes en stak een nieuwe sigaret op. Frans was de laatste die zou oordelen. Dat wist ik al. Hij had zelf genoeg verhalen waarover anderen hun wenkbrauwen optrokken en hij trok zich er niets van aan. Dat maakte het makkelijk om eerlijk tegen hem te zijn, of in ieder geval eerlijker dan tegen de meeste anderen.

Maar hij zei nog iets, zachter, terwijl hij de rook uitblies. “Pas op dat je het niet door elkaar haalt. Niet de telefoons en niet de mensen.” Hij zei het zonder preek, zonder grote blik erbij, zonder dat hij er een heel gesprek van wilde maken. Gewoon als iemand die iets heeft gezien en iets terugzegt omdat hij vindt dat het gezegd moet worden.

Ik dacht er die nacht lang over na, op het matras in het personeelsverblijf terwijl Fon naast me lag, nog met haar telefoon in haar hand. Buiten reed af en toe een motor voorbij. Arthit had inmiddels nog twee berichten gestuurd. Goede nacht. Slaap lekker. Hij wist niet hoe laat ik werkte. Hij wist eigenlijk heel veel niet.

Het probleem was niet dat ik niet van Arthit hield. Het probleem was dat ik twee levens aan het leven was en dat ze allebei echt waren. Het leven in de Wonderfull 2, met Fon en de mama-san en Frans en de klanten en het geld dat naar huis ging. En het leven in mijn hoofd waarin Arthit op me wachtte in Udon Thani en dacht dat alles was zoals hij het zich voorstelde.

Twee maanden later belde ik hem op een rustige dinsdagmiddag. Ik zat buiten op de stoep achter de bar met een glas ijsthee. Ik vertelde hem de waarheid. Niet alles in één keer, maar genoeg. Hij was een lange tijd stil. Zo stil dat ik even dacht dat de verbinding weg was. Daarna zei hij dat hij erover moest nadenken. Ik zei dat ik dat begreep. Na een paar dagen belde hij terug en zei dat hij bleef. Niet met grote woorden, gewoon: ik blijf. Niet iedereen zou dat doen. Dat weet ik zeker.

Ik heb Frans dat nooit verteld. Hij vroeg er ook nooit naar. Maar ik heb die avond niet vergeten, die kleine grijns, die drie zinnen, de sigaret. Soms zegt iemand precies genoeg op precies het juiste moment. Meer heeft hij niet nodig gehad.

Delen die al eerder verschenen zijn:
Nok’s World – De eerste avond (deel 1)
Nok’s World – Tuk Tuk (deel 2)

Ingezonden door Hans

Hoe leuk of nuttig was deze posting?

Klik op een ster om deze te beoordelen!

Gemiddelde waardering / 5. Stemtelling:

Tot nu toe geen stemmen! Wees de eerste die dit bericht waardeert.

Omdat je dit bericht nuttig vond...

Volg ons op sociale media!

Het spijt ons dat dit bericht niet nuttig voor je was!

Laten we dit bericht verbeteren!

Vertel ons hoe we dit bericht kunnen verbeteren?

Over deze blogger

Ingezonden Bericht

Laat een reactie achter