()

In Thailand zijn grotten vaak mythische plaatsen waar in het verleden zwerfmonniken overnachten, veel Boeddhabeelden staan en geesten huizen. Plaatselijke bewoners vereerden die plaatsen, zorgden ervoor en lieten de soms heel kostbare beelden met rust uit eerbied, maar ook uit angst voor wraak van de geesten. Westerlingen koesterden daar minder angst voor. Dit is een waargebeurd verhaal, verteld door een Duitse dierkundige.

Dit is het verhaal over een Nederlander, verteld door een Duitser

Een Nederlander, alleen bekend met zijn achternaam Klaasen, die 35 jaar in Thailand woonde,  bezocht Noord-Siam in het eerste decennium van de twintigste eeuw. Hij was geen dief op jacht naar antieke kunstvoorwerpen. Hij kende de wet die het meenemen van religieus beeldhouwwerk verbood, maar kon toch de verleiding niet weerstaan om een jade Boeddhabeeldje mee te nemen uit een grot in het oerwoud ten noorden van Chiang Mai.

Heel veel jaren later, in 1950, ontmoette hij Ludwig Koch-Isenburg, een Duitse dierkundige, in een hotel in Noord-Thailand. De Nederlander stelde voor om samen een tocht te ondernemen naar die grot. Klaasen kende zijn mensen en hij wist een ambtenaar te overtuigen hen toestemming te geven te verblijven in een eenzame boswachterspost hoog in de bergen. Koch-Isenburg beschreef deze tocht: “We betrokken een klein stenen gebouwtje op zo’n 2.000 meter hoogte. Dichte muren van oerwoud stonden dichtbij onze ramen. Toen de zon opkwam, vulden duizenden vogels de lucht met hun gezang, en het welluidende ‘hoe-hoe-hoe’ van de gibbons klonk uit de bossen”. 

De volgende morgen begonnen de twee mannen aan hun tocht over een smal pad door het oerwoud, dat steeds wilder en verwarder werd. De majestueuze schoonheid van dit bos overweldigde ons, zo schreef de dierkundige, “dat we geen zin hadden om te praten. Lianen zo dik als mijn arm hingen van de bomen”. De luchtwortels van de banyanbomen verstikten de stammen van andere bomen en de bleke Thaise vanille ontvouwde zich tot albasten bloesems in de eeuwige schemering. Alles droop van het vocht en we kropen heel voorzichtig over de wortels die ruwe bruggen vormden over de kloven van snelstromende bergbeekjes. In de kronen van de bomen boven onze hoofden gilden ontelbare stemmen, maar op de grond was het schaduwrijk en stil.” 

Klaasen zocht zijn weg terug naar de groene Boeddhagrot waar hij dertig jaar geleden over was gestruikeld. Toen ze de grot dichter benaderden, schreef Koch-Isenburg “In de verte, oprijzend uit wat oneindige diepten leek, kon ik het ruisen van vallend water onderscheiden. We verlieten het pad en liepen in de richting van het geluid. Voor ons stortten steile afgronden neer in angstaanjagende kloven. Op het voorstel van Klaasen trok ik mijn schoenen uit, zodat mijn blote voeten grip konden krijgen op de gladde, platte stenen. Ons vastklampend aan de ranken van klimplanten lieten we ons afzakken, kropen we over gevallen gesteenten en gleden we door gaten uitgesleten door waterstromen. Het geluid van de waterval kwam steeds dichterbij. Plotseling stroomde ongefilterd zonlicht op ons neer en verlichtte een prachtig, wild tafereel. Overal om ons heen waren planten en bomen in een onvoorstelbare weelderigheid omhooggeschoten.

Zwaluwen krijsten schril, lijsters gilden en met luid ‘hoe-hoe’ vluchtte een groep langarmige gibbons weg uit onze nabijheid. De apen kwamen naar beneden om te drinken. We kwamen,” vervolgde Koch-Isenburg, “bij de bodem van een brede kloof waarvan de bodem volledig bedekt was door een ondiepe, kristalheldere beek. Met de schoenen in onze handen sprongen we van rots naar rots op de bodem van de rivier. Rechts naast ons rezen rotswanden omhoog naar de blauwe hemel, links was er een muur van ondoordringbaar gebladerte.”

Koch-Isenburg stond voor een verrassing. “De kloof vernauwde,” vertelde hij, “en plotseling schreeuwde ik van verbazing en bleef ik staan. Een gigantische liggende Boeddha was uit de rots gehouwen. Eén arm lag langs het lichaam, de andere ondersteunde het hoofd. De ogen staarden mysterieus en ondoorgrondelijk in de tijdloze, groene en gouden, ongerepte jungle. De overhang van de klif, als de koepel van een imposante kathedraal, beschermde het kunstwerk tegen vocht en verval. Pas toen besefte ik dat we een machtige grot in de rots waren binnengegaan. Voor het gezicht van de Boeddha stond een vaas met wierookstokjes en tot mijn verbazing zag ik dat mijn Nederlandse vriend ze aanstak. Met eerbiedige uitdrukking voerde hij het voorgeschreven reinigingsritueel uit. Ik wachtte discreet op de achtergrond tot zijn persoonlijke gebeden voorbij waren en hij zich weer tot mij wendde.

Klaasen leidde Koch-Isenburg naar een kleine nis in de rots aan de voeten van de Boeddha. Voorzichtig pakte hij een snijwerk op dat daar stond en gaf het aan mij. Ik staarde gebiologeerd naar het eeuwenoude beeld. Nooit eerder had ik iets mooiers of meer kunstzinnigs gezien.

Het kleine Boeddhabeeldje was uit groene jade gesneden en de aanblik ervan betoverde de Duitse wetenschapper. “Het stenen gezicht in mijn handen lijkt tot leven te komen. De stevig gesloten mond glimlachte, maar met een veelbetekenende, begripvolle en vriendelijke glimlach zoals ik die nog nooit op een mensen gezicht had gezien. De ogen staarden ondoorgrondelijk een andere wereld in. Of het nu kwam door de magie die uitging van deze paradijselijke plek of door dit meesterwerk uit een vervlogen tijdperk, ik weet het niet, maar een overweldigend gevoel van geluk overspoelde me. Ik voelde een diepe dankbaarheid, maar ik wist niet voor wat.” Klaasen bekende vervolgens dat hij er ooit zo door “overweldigd” was geweest dat hij “een dief was geworden”.

Klaasen vertelde zijn jonge vriend dat er in 1920 “nog geen pad was in het oerwoud. Ik was met twee inheemse mannen aan het wandelen in dit gebied. We hadden orchideeën geplukt en de jongens droegen zware rugzakken. Op de plek waar jij en ik het pad verlieten, zag ik grote witwanggibbons onder de bomen achter elkaar aanrennen. Zodra we tevoorschijn kwamen, verdwenen ze, maar hun uitbundige kreten klonken plotseling zo ver beneden ons dat ik meteen besefte dat we dicht bij een kloof waren waar de dieren in waren gevallen. Ik gaf mijn dragers opdracht te wachten en zette de achtervolging in.”

Nadat Klaasen de grot had bereikt, ontdekte hij de groene Boeddha in de nis en “voelde hij onmiddellijk de ondoorgrondelijke betovering ervan”. Hij vertelde Koch-Isenburg dat “dit beeld voor hem ademde en leefde”. Eeuwenlang had het beeld het gebrul van het water in zich opgenomen en zich tegoed gedaan aan de sublieme rust van het bos. En dat alles leek vanuit zijn jadekleurige gezicht in mij over te vloeien. Ik moet wel meer dan twee uur in die kloof hebben vertoefd, terwijl ik een plan bedacht om de groene Boeddha te stelen. De inheemse mannen wachtten boven op me; ik had het beeld nauwelijks voor hen kunnen verbergen, want ik droeg niets anders dan een korte broek en een kaki shirt.”

Voor zonsopgang de volgende ochtend keerde Klaasen terug naar het heiligdom. “Ik heb een vreselijke strijd met mezelf moeten voeren,” vertelde hij zijn metgezel, “voordat ik mijn handen uitstak en het beeld van de plek rukte waar het waarschijnlijk eeuwen had gestaan. Ik ontheiligde een tempel, ik beledigde het heiligste voorwerp van een vreemde religie. Er moet toch wel een vloek rusten op zulke godslastering. En inderdaad, op het moment dat ik het beeld in mijn rugzak stopte, meende ik een uitbarsting van waanzinnig gelach te horen. Ik huiverde tot in mijn botten en wierp angstige blikken omhoog naar de rotswand, waar zoveel spleten en grotten waren waar een toeschouwer zich zou kunnen verschuilen.” Nadat hij zijn kalmte had hervonden, schreef Klaasen het geluid van het gelach toe aan een spotvogel.

Met zijn jadeschat keerde Klaasen terug naar het hoofdkwartier, zeshonderd mijl ten zuiden van Chiang Mai. Zelfs nadat hij had bedacht dat hij spoedig naar Nederland zou terugkeren, waar wraakzuchtige geesten hem niet zouden volgen, vond hij geen rust. Hij kocht een klein boeddhabeeldje van massief goud. “De geldwaarde ervan,” zei Klaasen, “moet ongeveer gelijk zijn aan de waarde van de gestolen jade Boeddha… Wij materialistische westerlingen denken dat we alles met behulp van wiskunde kunnen afwegen en alles op aarde kunnen betalen. Ik heb die enorme afstand terug afgelegd en de gouden Boeddha op de lege plek op het altaar gezet. Maar deze daad van genoegdoening bracht me geen innerlijke rust. Niettemin was ik een paar maanden later klaar om naar Nederland te vertrekken, en tegen die tijd had ik tenminste genoeg gemoedsrust teruggevonden om ’s nachts te kunnen slapen.”

Klaasen slaagde erin het beeld het land uit te smokkelen, maar “in het mistige Holland, telkens als ik naar mijn Boeddha keek,” zei hij, “voelde ik een stekende pijn in mijn borst. Wat een aards paradijs had ik opgegeven! Ik zat urenlang in gedachten verzonken, en al de magische schoonheid van die kloof stroomde door mijn hart.”

Nadat hij een nieuw contract met zijn bedrijf had afgesloten, keerde Klaasen terug naar Siam. Zodra hij vrij kon nemen van zijn werk, reisde hij terug naar het noorden. Hij had besloten de groene Boeddha terug naar huis te brengen. “Het was me nu volkomen duidelijk geworden dat ik mijn gestolen Boeddha naar het heiligdom moest terugbrengen als ik ooit nog een vrij man wilde zijn.”

Hoe dichter hij bij de grottempel kwam, hoe beter de Nederlander zich begon te voelen. Maar toen hij de grot binnenging, zei hij: “sprong hij geschrokken achteruit. Voor het altaar knielde een oude monnik in een geel gewaad. Het voetstuk van de jade Boeddha, waarop ik het gouden beeld had geplaatst, was leeg. De monnik stond op alsof hij mijn aanwezigheid had aangevoeld en kwam naar me toe. Zijn ogen straalden een oneindige koninklijke blik uit toen hij zijn hoofd boog en zijn gevouwen handen ter begroeting naar zijn voorhoofd bracht. Als een zondaar betrapt op heterdaad, stond ik voor de man. De gestolen Boeddha brandde als vuur in mijn handen en, gedreven door een mysterieuze drang, reikte ik het beeldje naar hem. Een onderdrukte glimlach speelde om zijn lippen – althans, zo leek het mij – en stil, alsof het de normaalste zaak van de wereld was, draaide hij zich om en zette het beeld terug op het voetstuk. De monnik zei zachtjes: ‘Ik heb op je gewacht, broeder.”

Klaasen vernam dat de monnik, een kluizenaar, de diefstal vanuit zijn grot in de rotsen daarboven had gadegeslagen. Hij had Klaasen kunnen tegenhouden. “Maar trouw aan de regels van zijn religie, met het respect voor anderen,” vertelde de Nederlander aan de Duitser, “had hij me de roof laten plegen. Hij had me kunnen roepen, maar als hij dat had gedaan, dan zou de farang (westerling) gezichtsverlies hebben geleden, en zou hij zich hebben geschaamd.”

Klaasen haalde diep adem en vertelde zijn Duitse metgezel dat hij daarna boeddhist was geworden en lange tijd “de gele pij droeg en met de bedelkom door het land zwierf,” en zo nu en dan terugkeerde naar de kloof. “Al onze Europese haast en ongeduld zijn van me afgevallen. Ik ben tot het besef gekomen dat stille gelijkmoedigheid het hoogste goed is dat we in dit leven kunnen bereiken,” besloot de Nederlander.

Bronnen:

Kamala Tiyavanich, The Buddha in the Jungle, Silkworm Books, 2003

Ludwig Koch-Isenburg, Through the Jungle Very Softly:  A Quest for Wild Animals in the Far East (1963) (blz.167-178)

Grotten zijn verleidelijke, gevaarlijke en mythische plaatsen | Thailand blog

Hoe leuk of nuttig was deze posting?

Klik op een ster om deze te beoordelen!

Gemiddelde waardering / 5. Stemtelling:

Tot nu toe geen stemmen! Wees de eerste die dit bericht waardeert.

Omdat je dit bericht nuttig vond...

Volg ons op sociale media!

Het spijt ons dat dit bericht niet nuttig voor je was!

Laten we dit bericht verbeteren!

Vertel ons hoe we dit bericht kunnen verbeteren?

Over deze blogger

Tino Kuis
Tino Kuis
Geboren in 1944 in Delfzijl als zoon van een eenvoudige winkelier. Gestudeerd in Groningen en Curaçao. Drie jaar als arts gewerkt in Tanzania, daarna als huisarts in Vlaardingen. Een paar jaar vóór mijn pensioen getrouwd met een Thaise dame, we kregen een zoon die drie talen goed spreekt.
Bijna 20 jaar in Thailand gewoond, eerst in Chiang Kham (provincie Phayao) daarna in Chiang Mai waar ik graag allerhande Thai lastigviel met allerlei vragen. Volgde het Thaise buitenschoolse onderwijs waarna een diploma lagere school en drie jaar middelbare school. Deed veel vrijwilligerswerk. Geïnteresseerd in de Thaise taal, geschiedenis en cultuur. Woon nu alweer 5 jaar in Nederland samen met mijn zoon en vaak met zijn Thaise vriendin.

1 reactie op “Een Nederlander steelt een groen Boeddhabeeld uit een grot in Noord-Siam en keert later terug”

  1. Tino Kuis zegt op

    Ik was heel emotioneel en vooral verdrietig toen ik dit verhaal las en vertaalde. Ik woonde 12 jaar in Chiang Kham, in het noordoosten van de provincie Phayao en ik ging vaak, soms alleen, laten ook met mijn zoon en vrienden, wandelen in de bossen waar we watervallen en grotten bezochten. Twee grotten waren erg aangrijpend, een 50 kilometer ten noorden van Chiang Kham (‘De Gouden Stad’). Een grot lag wat hoger en was gevuld met Boeddhabeelden en duizenden vleermuizen. Een grot er vlak naast lag dieper. Daar was een ondergronds meer waar ik met een Thaise man in heb gezwommen. Vanuit Chiang Mai bezocht ik ook regelmatig grotten. Vanuit Paai naar Mae Hong Soon was een grot hoog gelegen en met een touwladder te bereiken. Mijn zoon heeft wat hoogtevrees en bleef halverwege steken, hij werd geholpen door de gids. In die grot stonden doodskisten uit de prehistorie. Die gids bracht ons ook naar plekken waar nog stiekem opium werd verbouwd.

    1

Laat een reactie achter