()

Frans had een vaste ochtendroutine en hij week er zelden van af. Eerst koffie op zijn kamer in het Dynasty Inn Hotel, op de eerste verdieping aan de voorzijde van het gebouw, want dat was zijn favoriete kamer en hij boekte altijd vroeg genoeg om zeker te zijn dat hij die kreeg. Daarna, één keer per week, het ontbijtbuffet van het Lek Hotel op Soi 13, schuin tegenover het Dynasty Inn. Ik wist dit omdat hij er in de bar af en toe over praatte met de toon van iemand die een goed bewaard geheim deelt.

Op een ochtend vroeg hij of ik meeging. Ik had de avond ervoor gezegd dat ik nog nooit een echt Westers ontbijt had gegeten, alleen de Thaise versie ervan bij het 7-Eleven, en hij had zijn wenkbrauwen opgetrokken alsof ik had gezegd dat ik nog nooit de zee had gezien. “Dat moet worden rechtgezet,” had hij gezegd, en ik had gedacht dat het een grapje was, maar de volgende ochtend stond hij om halfnegen bij de achterdeur van de bar.

Fon was er ook bij en keek ons na met een grijns. “Tuk-Tuk neemt je mee uit ontbijten,” zei ze. “Dat is een eer.” Ik wist niet of ze het meende of plagend bedoelde. Waarschijnlijk allebei.

Het Lek Hotel lag op loopafstand. Frans liep langzaam, zoals hij altijd liep, zonder haast maar ook zonder te treuzelen. Hij wees onderweg dingen aan, een oud gebouw, een soi die hij kende van vroeger, een stalletje waar hij ooit iets had gegeten wat hem drie dagen ziek had gemaakt maar wat hij desondanks nog steeds lekker vond. Ik luisterde en knikte en genoot van de vroege ochtend voordat de hitte toesloeg.

Het buffet was groot en vol. Thais en Westers door elkaar: eieren op alle mogelijke manieren, rijst, soep, fruit, toast, worst, iets wat op kaas leek maar anders rook. Ik pakte een bord khao tom want dat kende ik. Frans pakte twee borden vol met van alles en benoemde elk gerecht terwijl hij het opschepte, als een gids in een museum. Ik knikte alsof ik alles bijhield maar ik onthield er niet veel van.

We zaten bij het raam. Buiten begon Soi 13 langzaam wakker te worden. Frans at geconcentreerd, zonder haast, met de aandacht van iemand die echt proeft wat hij eet. Mijn vader at altijd te snel, staand soms, alsof eten iets was wat je zo snel mogelijk achter de rug moest hebben. Mijn moeder at altijd als laatste, nadat ze had gecontroleerd of iedereen genoeg had. Frans at gewoon, voor zichzelf, met plezier, en dat was op een manier die ik moeilijk kan uitleggen rustgevend om naar te kijken.

Halverwege keek hij op. “Je zit te staren.”

“Ik kijk,” zei ik.

“Naar wat?”

“Naar hoe jij eet.”

Hij lachte. “Dat is geen spectaculair gezicht.”

“Toch wel,” zei ik, en ik meende het.

Hij schoof me daarna een schaaltje toe met scrambled eggs. Ik proefde voorzichtig. Het was zacht en een beetje zoutig en helemaal niet wat ik had verwacht. Ik at het op. Hij keek tevreden, zoals iemand kijkt die een goed argument heeft gewonnen zonder ruzie te hoeven maken.

Op de terugweg kocht hij bij een stalletje een klein zakje gefrituurde knoflook dat hij al lopend opat. Ik zei dat hij net uitgebreid had ontbeten. Hij zei dat dat inderdaad zo was. Ik zei dat hij dan toch geen honger kon hebben. Hij zei dat honger er niets mee te maken had.

Ik kon hem geen ongelijk geven.

Delen die al eerder verschenen zijn:

Ingezonden door Hans

Hoe leuk of nuttig was deze posting?

Klik op een ster om deze te beoordelen!

Gemiddelde waardering / 5. Stemtelling:

Tot nu toe geen stemmen! Wees de eerste die dit bericht waardeert.

Omdat je dit bericht nuttig vond...

Volg ons op sociale media!

Het spijt ons dat dit bericht niet nuttig voor je was!

Laten we dit bericht verbeteren!

Vertel ons hoe we dit bericht kunnen verbeteren?

Over deze blogger

Ingezonden Bericht

Laat een reactie achter