De zware reis naar een onzekere toekomst

Ergens diep in de Isaan zakt de zon traag weg achter de heuvels, alsof ook zij geen haast heeft om deze dag af te sluiten. Een dagelijks en onafwendbaar ritueel. De wind roert loom door de droge struiken rond het erf. Op de veranda van zijn kromgetrokken houten huisje zit Chom in zijn al even armzalige rolstoeltje. Zijn schouders zijn ondanks dagelijkse rolstoelritjes wat aan de smalle kant, zijn huid leerachtig van de jaren onder de zon, zijn blik verloren in een punt ergens tussen het erf en de einder. Naast zijn stoel staat een fles goedkope whiskey op een gammel tafeltje. Ongeopend, als een belofte. Of een dreiging. Zijn aftandse telefoontje ligt er besluiteloos naast en wacht. Op wat?
Een grote zwarte vogel landt op het dak van roestige golfplaat boven hem en roept wat met schorre stem, vliegt dan weer verder. Het dier laat hem niet schrikken. Hij schrikt van niets meer, behalve misschien van zijn eigen gedachten.
Het is vandaag precies drie jaar geleden dat zijn geliefde Suda deze wereld verliet.
Een wat onbesuisd ritje op hun brommer, dat zo romantisch begon. Een moment van onoplettendheid wellicht of misschien gewoon dom toeval. Niemand weet het precies. Alleen de stilte, de leegte en de ondraaglijke pijn, die zijn achterbleven. En de rolstoel. Zijn rolstoel, een gift van de tempel, omdat de vorige gebruiker hem niet meer nodig had.
Hij had haar hand nog vast toen ze voorgoed haar ogen sloot. In het stof lag ze daar, bleek weggetrokken tussen het schreeuwen van de mensen. Zelf zei ze niets, dat ging niet meer, maar haar ogen zeiden alles.
Hij is zelf ook nooit meer opgestaan. Niet fysiek, niet geestelijk. Zijn wereld bleef liggen, daar op die vervloekte weg. Alleen de kinderen trokken hem er nog uit. Half, meer niet.

Vijf prachtige kinderen had Suda hem geschonken. De jongste amper zeven, de oudste — Mali — pas achttien nu. Te jong om moeder te spelen, te oud om nog kind te zijn. En toch had ze beide rollen op zich genomen zonder morren. Tot een maand geleden.
“Ik ga naar de stad”, had ze opeens gezegd, haar tas al gepakt.
“Naar de stad? Alleen? Mali, je weet niets van die wereld daarbuiten!”
“Ik leer het wel, papa. We kunnen zo niet doorgaan. Jij hebt hulp nodig. Wij hebben hulp nodig. De kinderen moeten eten. Ik kan geld voor ons allemaal gaan verdienen. Ik kan koken, poetsen, serveren, wat er ook maar nodig is.”
Ze had haar moeder’s blik. Zacht maar standvastig. En dus had hij haar laten gaan. Hij had zijn mond gehouden, zijn trots doorgeslikt en gezwegen, van binnen geprotesteerd, zoals mannen, vaders dat soms geacht worden te doen.
Maar nu vreet haar vertrek aan hem. Elke dag een beetje meer.
De stad, Bangkok, zei ze. Of Pattaya? Phuket? Wat maakt het uit? Al die steden zijn hetzelfde: groot, gulzig en vol gevaar.
Zijn meisje. Even mooi als haar moeder, zeggen de mensen. Maar hetzelfde hartje van goud. Dat maakt hem nog banger.
Wat als ze haar tot iets dwingen? Kan ze voor zichzelf opkomen? Wat als ze haar iets aanbieden dat te mooi blijkt om waar te zijn? Wat als er geen restaurant is? Wat als het een dekmantel is? Wat als…?
Zijn handen trillen. Hij kent verhalen. Meisjes die verdwijnen. Opgeslokt. Mannen met gladde stemmen. Vrouwen met lege ogen. En dan het geld, als het al komt, met de geur van angst eraan.
Hij ademt zwaar. Zijn borst voelt als steen. In zijn hoofd maalt het, eindeloos. Had hij haar niet moeten tegenhouden? Had hij haar op moeten sluiten als het moest?
Wat voor vader laat zijn dochter naar een stad vol gevaren vertrekken, terwijl hij zelf te zwak is om haar te beschermen?
De andere kinderen lagen binnen te slapen. De kleine Chai, de bedachtzame Panya, Darika, de kleine zus van Mali en de stoere Pichai, die denkt dat hij al een hele vent is. Maar hij is eigenlijk nog gewoon een jongetje. De kleintjes dromen nog van moeder, vertrouwen ze hun sombere vader wel eens toe. Soms fluisteren ze haar naam inderdaad in hun slaap. Dat snijdt hem diep in de ziel.
Hij staart naar de fles.
“Kom maar,” lijkt ze te zeggen. “Even niets voelen, geen gedachten, geen pijn. Even rust.”
Hij pakt haar op, kwaad op zichzelf, maar toch.
Zijn hand klemt zich om het harde glas heen, krachtig, bijna verkrampt, alsof hij zich verlangend aan de inhoud ervan vastklampt, of alsof hij haar wil vermorzelen.
Dan hoort hij de stem van zijn vrouw in de wind. Het zijn niet eens woorden. Alleen haar adem. Een geluid van troost.
Hij heft zijn arm op en smijt de fles met een rauwe kreet vol innerlijke pijn tegen de muur. Het glas spat onder luid protest uiteen. De whiskey stroomt als bloed over de planken.
Binnen huilt zijn jongste even in zijn slaap, maar zakt dan weer weg in zijn dromen.
Chom hijgt, zijn hand trilt. Hij grijpt zijn telefoon van het tafeltje. Oud en gebarsten, maar net als hijzelf functioneert het gehavende ding nog. Nog maar net. Op zijn laatste adem. Zijn vingers gaan langzaam over de knoppen. Hij belt.

Eén keer gaat de telefoon over. Twee keer. Drie.
“Toe,” fluistert hij. “Toe, meisje. Neem op. Laat me weten dat je leeft.”
Vier keer. Vijf.
Dan: klik.
“Hallo?” Haar stem. Zo dichtbij dat het hem bijna laat schrikken.
“Mali…”
“Papa?”
Haar stem beeft. Of is dat zijn verbeelding?
“Ik ben het,” zegt hij. Zijn eigen stem klinkt ook vreemd. Alsof het iemand anders is die spreekt. “Gaat het… met jou?”
Een korte stilte. Dan: “Ja. Ja, papa. Het gaat. Waarom bel je zo laat? Is er iets mis thuis?”
Hij knijpt zijn ogen dicht en antwoordt, vraagt:
“Ben je… echt veilig? Vertel me de waarheid. Is er daar iemand bij je? Doet iemand je iets aan?”
Ze ademt diep in.
“Nee, papa. Ik ben in orde. Ik werk hard, ja. Het is vermoeiend. En ik mis jullie. Maar ik ben veilig. De baas is netjes. Echt waar.”
Hij wil haar geloven. God, wat wil hij haar geloven. Hij drinkt de woorden zijn ziel binnen alsof ze rechtstreeks van de hemel komen.
“Ik denk elke nacht aan je. Ik droom… dat ik je roep, maar je hoort me niet. Dat je in een donkere steeg ligt. Of in een kamer zonder ramen. En ik kan niets doen. Helemaal niets.”
“Papa…” Haar stem is nu zachter. “Ik weet dat je bang bent. Maar ik ben sterk. Jij en mama hebben me sterk gemaakt.”
Hij slikt. “Ik had je nooit moeten laten gaan.”
“Je had geen keus,” zegt ze. “En ik ook niet. Maar ik doe dit voor ons. En ik red me. Echt.”
Hij wil vragen of ze genoeg eet. Of ze slaapt. Of ze haar loon krijgt. Of ze iemand vertrouwt. Maar hij weet: als hij te veel vraagt, trekt hij haar terug. En zij moet nu vooruit.
“Ik heb het geld gekregen,” zegt hij dan uiteindelijk. “Dank je.”
“Koop iets lekkers voor de kleintjes,” zegt ze. “En voor jezelf.”
“Ik… ik wil alleen jou horen. Dat is genoeg.”
Ze lacht zacht. Een beetje van Suda leeft nog
in dat geluid. “Jij moet ook goed voor jezelf zorgen, voor de kleintjes, voor mij”.
“Bel me vaker,” zegt hij.
“Jij ook.”
Ze praten nog even. Over de kinderen. Over Suda. Over de regen die maar niet komt.
Dan hangen ze op. Een kort gesprek, maar met het gewicht, het belang van alles wat telt in het leven. Voor hem. En ook voor haar.
Hij blijft nog een tijdje zitten, in het donker. De fles is kapot, de geur van de alcohol vervaagt langzaam, maar het licht in hem brandt weer zachtjes. Een flakkerend kaarsje in de nacht, maar toch.
Morgen is er weer wat werk. De paar kippen voeren, wat schoffelen in het moestuintje achter het huis, een vogelkooitje knutselen van bamboe. Hij moet verder leven, hoe moeilijk het ook is. Hij moet verder, voor zichzelf. Voor zijn prachtige kinderen, waarin Suda voortleeft. Het is een zware weg om over te reizen. Maar vannacht reist hij niet alleen.
———————————————
Dit artikel is [jp_post_view]
———————————————
Over deze blogger

- Khun Rick dateert van 1959 (momenteel 66 jaar), opgegroeid en nog steeds woonachtig in Zuid-Limburg. Na 40 jaar ambtenarij nu al bijna 5 jaar met vervroegd pensioen. Komt sinds 2001 regelmatig als toerist in Thailand, maar leerde zijn vrouw in Nederland kennen en is met haar vaak te vinden bij schoonmoeder in Udon Thani. Samen reizen is zijn passie, eten (helaas) ook en sporten een noodzaak. En natuurlijk schrijven: vroeger serieus en nu luchtiger.





Schitterend, ontroerend, reëel en o zo herkenbaar daar……. uit het dagelijks leven gegrepen …
Wat een prachtig verhaal weer…
En het maakt me blij dat ik ooit die beslissing heb genomen om de studie te betalen voor een jong meisje.. Inmiddels afgestudeerd en geadopteerd.
Moooi ontroerend geschreven verhaal Rick. Eerlijk gezegd dacht ik dat dit een verhaal van Farang Kee Nok was, en was dus wat verrast dat jij de auteur was.(Stond natuurlijk ook aan het begin vermeld, maar dat had ik even gemist.)
Beetje verrast, maar met een diepe buiging voor jouw talent.
Prachtig beeld : triest en herkenbaar
Mooi verhaal Rick. Ontroerend.
schitterend
Heel mooi Rick.
Ben niet snel jaloers op medeschrijvers, maar aan jou de eer. Prachtig geschreven.
Iedereen bedankt voor de waardering. Ik heb het stukje ook geschreven met soms een brok in de keel.