‘Gulliver met spit: Waarom ik me in het dorp voel als een bezwete olifant in een porseleinkast’

In Nederland is het proces van ouder worden enigszins democratisch. Je vrienden worden ook kaal, je buurman kreunt ook als hij uit zijn luie stoel opstaat en iedereen klaagt gezamenlijk over de tocht. Hier in de tropen is mijn veroudering echter een solovoorstelling onder een vergrootglas. Elke ochtend, als ik mijn stramme ledematen uit bed vouw en in de spiegel kijk, staart een bleke, licht zompige reus me aan.
Ik ben een ‘farang’, wat hier synoniem staat voor ‘groot’, ‘wit’ en ‘rijk’. Dat laatste is een hardnekkig misverstand, maar die eerste twee kan ik moeilijk ontkennen. Zeker nu de jaren beginnen te tellen, voel ik me steeds vaker een personage uit Gulliver’s Reizen dat is aangespoeld in een dorp vol tenger gebouwde, elastieken mensen die nooit zweten en schijnbaar nooit echt oud worden.
De confrontatie begint meestal bij het ontbijt bij de noedelkraam. De Thaise samenleving is ingericht op mensen van een efficiënt formaat. Dit uit zich in deuropeningen waar ik mijn hoofd tegen stoot en, erger nog, het alomtegenwoordige rode plastic krukje.
Voor de gemiddelde Thai is dit krukje een volwaardig zitmeubel. Voor mij is het een martelwerktuig en een evenwichtsoefening. Als ik mijn honderd kilo Hollandse welvaart op dat stukje spuitgietplastic laat zakken, hoor je het materiaal zachtjes huilen. Ik zit met mijn knieën naast mijn oren, als een sprinkhaan die klaar is voor de sprong, terwijl mijn tafelgenoten comfortabel hun khao soi naar binnen slurpen. Ik ben de olifant die probeert te picknicken op meubilair voor kabouters. De angst dat het krukje het begeeft en ik met mijn stuitje in de curry beland, is reëel.
En dan is er de ‘Asian Squat’. De hurkzit. In mijn dorp zie ik dagelijks Yai Daeng, een buurvrouw van geschat achtentachtig, urenlang op haar hurken in de tuin werken. Haar hielen plat op de grond, haar rug recht, soepel als een jonge kat.
Ik heb het weleens geprobeerd, in de privacy van mijn eigen badkamer. Het resultaat was een geluid dat klonk als een zak grind in een betonmolen (mijn knieën), gevolgd door een bijna-doodervaring toen ik achterover kukelde. Mijn westerse gewrichten, gevormd door jarenlang zitten op bureaustoelen en zachte banken, zijn gewoonweg niet ontworpen voor deze nederige houding.
Het is een pijnlijke ironie: ik kom uit het rijke Westen met zijn fysiotherapeuten en ergonomische bureaustoelen, ik beweeg als een robot met roestige scharnieren. Zij hebben hun leven lang hard gewerkt op het land en bewegen als ballerina’s.
Ouder worden in de tropen betekent ook dat je thermostaat kapotgaat. Ik zweet niet, ik lek. Continu. Als ik gewoon stilsta en naar een palmboom kijk, parelen de druppels al van mijn voorhoofd. De dorpelingen om mij heen zien er zelfs bij 38 graden uit alsof ze net uit een airconditioned ruimte komen gestapt: fris, droog en onberispelijk.
Als grote, witte man ben je hierdoor altijd het stralende, vochtige middelpunt. Ik loop rond met een handdoekje, deppend als een nerveuze bruidegom. Het draagt niet bij aan de waardigheid die je hoopt uit te stralen op latere leeftijd. Ik ben geen wijze dorpsoudste; ik ben een smeltende sneeuwpop.
Toch is er ook een zekere troost. De Thaise blik op mijn onbeholpen reuzengestalte is er een van milde acceptatie, soms doorspekt met humor. Ze vinden het aandoenlijk hoe ik worstel met de zwaartekracht en de hitte. “Grote farang, veel warm,” zeggen ze dan met een glimlach, terwijl ze me een extra glas ijswater aanbieden.
Ik heb geleerd mijn rol te omarmen. Ik ben de vriendelijke, ietwat onhandige reus die voorzichtig door hun wereld beweegt, bang om het porselein te breken. Ik zal nooit soepel op mijn hurken de rijst planten, en ik zal altijd blijven zweten. Maar ach, zolang de plastic krukjes het houden, mag ik niet klagen. Ik hef mijn glas – voorzichtig, om niets om te stoten – op de kunst van het stramme ouder worden…
Over deze blogger

-
Mijn leeftijd valt officieel onder de categorie ‘bejaard’. Ik woon al 28 jaar in Thailand, probeer dat maar eens na te doen. Nederland was ooit het paradijs, maar het raakte in verval. Dus ging ik op zoek naar een nieuw paradijs en vond Siam. Of was het andersom en vond Siam mij? Hoe dan ook, we waren elkaar goed gezind.
De ICT zorgde voor een regelmatig inkomen, iets wat jullie ‘werk’ noemen, maar voor mij was het vooral een tijdverdrijf. Schrijven, dat is de echte hobby. Voor Thailandblog pak ik die oude liefde weer op, want na 15 jaar zwoegen verdienen jullie wel wat leesvoer.
Ik begon op Phuket, verhuisde naar Ubon Ratchathani, en na een tussenstop in Pattaya woon ik nu ergens in het noorden, midden in de natuur. Rust roest niet, zeg ik altijd, en dat blijkt te kloppen. Hier, omgeven door het groen, lijkt de tijd stil te staan, maar dat doet het leven gelukkig niet.
Eten, vooral lekker, dat is mijn passie. En wat maakt een avond compleet? Een goed glas whisky en een sigaar. Dan heb je het wel zo’n beetje, vind ik. Proost!
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur24 februari 2026‘Gulliver met spit: Waarom ik me in het dorp voel als een bezwete olifant in een porseleinkast’
Cultuur16 februari 2026‘Waarom de haan van de buren mijn bioritme gijzelt met zijn nachtelijke solo’
Cultuur9 februari 2026‘Kansberekening verliest het hier altijd van een boomstam met een gekke vorm’
Cultuur2 februari 2026‘Democratie wordt hier gemeten in decibellen en gratis blikjes makreel’
