
(door de auteur omgezet naar vlot leesbaar abn)
“Wil je wat water?” vraag ik zacht, maar hij reageert niet. Misschien een kort schudden van zijn hoofd? Ik hoor hoe de motor van zijn mooie Audi zacht bromt, een monotoon geluid dat ons allebei vasthoudt in stilte. Geen muziek. Geen woorden. Alleen een zucht van zijn kant.
In de auto is het warm, maar ik ril toch. Het zal wel niet van de kou zijn, maar van iets wat veel dieper zit. Een vlucht boeken naar Thailand was vroeger het begin van een vakantie, een leuk familieavontuur in de maak. Nu voelde het alsof ik een graf moest reserveren in de schaduw achter de tempel, maar dan voor ons samen. Alleen vliegt hij niet met me mee er naar toe.
Het ging niet meer. Ik hield van hem, maar ik kon mezelf hier niet meer vinden. Ook niet met hem naast mij. En hij had niet echt de kracht om me vast te houden. Of misschien wilde hij me helemaal niet vasthouden. Ik weet het gewoonweg niet meer.
Zijn hand beweegt naar mijn knie. Ik duw hem zacht terug naar het stuur. “Doe maar niet,” zeg ik zonder te spreken. Hij snapt het. Ik zie het in zijn ogen. Hij zucht weer.
We worden ingehaald door een stel Belgische auto’s, getoeter, gejaagdheid. Maar in onze auto lijkt de tijd stil te staan. Hij rijdt langzaam. Alsof hij terug wil. Alsof hij me niet verder wil brengen dan dit.
Gisteren namen we afscheid van zijn familie. Ze waren lief. Eerlijk. Sommigen zelfs oprecht verdrietig. Anderen misschien ook opgelucht dat denk ik. Ik heb hun taal nooit goed geleerd. Mijn fout, dat geef ik toe. Of misschien heb ik hun stiltes niet goed verstaan. Ze hielden van mij, zeiden ze maar bedoelden ze niet eerder dat ze hielden van het idee dat ík van hem hield?
Of van hoe ik met carnaval vrolijk meedeed, zelfs als ik het koud had in dat vreselijke weer? Feestjes lachend meevierde, terwijl ik van binnen stiekem huilde.
Mijn keel voelt droog, ik kuch nu ook zachtjes. Hij kijkt. Maar het betekent niks. Het is die eeuwige verkoudheid sinds ik hier woon. Mijn lichaam heeft zich nooit aangepast. Mijn geest ook niet, overigens. Zijn land werd nooit echt mijn land. Thailand bleef maar om me roepen.
Ik schuif wat dichter tegen het raam. Als ik kon uitstappen, hier op de snelweg, zou ik misschien gaan lopen. Nu al weg van hem. Weg van alles. Een einde aan zijn pijn en aan die van mij. Maar ik weet ook dat ik ooit van hem hield. Nog steeds van hem houdt. Niet continu maar in fragmenten. Man, het is zo verwarrend. Was het maar eenvoudiger allemaal. Maar dat is het helaas niet.
Mijn kleine autootje… Dat deed pijn. Meer dan ik had verwacht. Elke week netjes gepoetst. En altijd reed Boeddha mee. Aan de spiegel of op het dashboard, zoals thuis. Tot op het eind. Toen ik hem verkocht, bleef Boeddha bij mij en huilde ik. Hij ook. Ik weet dat, maar hij zei het niet. Hij huilt niet vaak. Vandaag misschien wel.

Onze hond… eigenlijk mijn hond. Klein, dom ding. Maar zo trouw. En neurotisch. Uit het asiel kwam hij. Net als ik een outcast in eigen land. Hij wist het al, nog voordat ik mijn koffers pakte. Hij huilde ook vanmorgen. Misschien harder dan wij ooit konden.
In mijn hoofd stuiteren herinneringen. Zoet, zuur, verward. Ik zie hem lachen in de zon, op ons balkon. Ik hoor zijn stem als hij “schatje” zei op z’n gekke manier. Maar ik voel ook zijn koude rug ’s nachts, als hij zich van mij afdraaide. We sliepen alleen, in hetzelfde bed. Misschien lag daar wel het begin van het einde.
Hij bijt op zijn lip. Ik zie een klein streepje bloed. Hij voelt het niet eens. Of doet alsof. Hij is sterk, maar ook niet. Soms denk ik dat zijn grootste angst niet was dat ik zou vertrekken, maar dat hij zou moeten toegeven dat hij verdriet heeft.
We naderen de luchthaven. De slagboom van de Kiss & Fly gaat omhoog. Alles in mij schreeuwt om het hardst dat ik hier nu niet wil uitstappen. Dat ik wil blijven. Alleen niet op deze manier.
Hij parkeert de auto ergens aan de kant, dicht bij het looppad. Stapt uit. Zegt niks. Tilt mijn koffers uit de achterbak – mijn leven, op wieltjes. Eén grote, één kleine. Mijn verleden in het groot, mijn toekomst in het klein. Of andersom.
Ik glimlach, een grimas, maar ik geef geen hoop. Dat durf ik niet. Hij zou het meteen vastgrijpen, denk ik. Maar het is niet eerlijk. We zijn voorbij het punt van hoop.
We omhelzen elkaar. Even. Kort. Warm, misschien. Maar zonder belofte. Hij kijkt me aan zoals hij al maanden niet meer naar me keek. Alsof hij me nu pas ziet. En dat doet pijn. Het verscheurt me.
Ik wil dat hij mee naar binnen loopt, maar ik weet dat hij het niet kan. Niet omdat hij me niet liefheeft, maar omdat het hem zou breken. Dus ik laat hem. Ik trek mijn koffers wel zelf. Ze rollen moeizaam over de stenen. Alles voelt zwaar.
Achter mij blijft hij staan. Of zit hij weer in de auto? Ik weet het niet. Ik kijk niet om. Niet omdat ik niet wil – maar omdat ik bang ben dat ik dan niet verder durf.
Straks ben ik thuis. In Thailand. Maar mijn thuis is in twee helften gebroken. Half achtergebleven in Nederland, het stomme Kerkrade, met een man die ik ooit alles had willen geven. Maar hij was te bang om met me te vliegen. En ik te moe om nog te wachten.
In de vertrekhal denk ik terug aan de hond. En aan zoiets stoms als de rijstkoker, die hij voor mij kocht op dag één. Aardappelen veranderden in rijst. Aan de koelkast die altijd vol zat, daar zorgde hij steeds voor, maar de echte smaak van Thailand ontbrak.

Ik hoop dat hij mijn brief leest, dat hij weet dat ik hem niet verliet uit haat. Of uit gemak. Ik schreef niet veel. Maar wel eerlijk.
Ik wilde dat mijn laatste woorden geen pijn zouden doen, al waren ze pijnvol om te schrijven.
Zal ik hem nog ooit terugzien?
Ik meng mij met mijn koffers tussen de andere reizigers en ga in hun op. Het verschil tussen ons verdwijnt met iedere stap, meer en meer. Al is mijn bagage als lood zo zwaar.
———————————————
Dit artikel is [jp_post_view]
———————————————
Over deze blogger

- Khun Rick dateert van 1959 (momenteel 66 jaar), opgegroeid en nog steeds woonachtig in Zuid-Limburg. Na 40 jaar ambtenarij nu al bijna 5 jaar met vervroegd pensioen. Komt sinds 2001 regelmatig als toerist in Thailand, maar leerde zijn vrouw in Nederland kennen en is met haar vaak te vinden bij schoonmoeder in Udon Thani. Samen reizen is zijn passie, eten (helaas) ook en sporten een noodzaak. En natuurlijk schrijven: vroeger serieus en nu luchtiger.





Zoals je vorige verhaal heel ingetogen geschreven… geen grote woorden.
En zoals je zelf schrijft/suggereert:
schuld is een woord dat in een relatie vergeten moet worden,
te allen prijze, te allen tijde.
Wederom erg mooi geschreven Rick. Een diepe buiging voor jouw talent.
Veel aan dit verhaal is er niet toe te voegen of nou net wel ??? Gevoelens zijn nooit te onderschatten maar als het echt niet meer lukt kan men best in de nog bestaande goede momenten besluiten nemen. Niets is oneindig afscheid dient dan wel genomen, soms is het toch nog niet definitief en de tijd brengt raad. Wat geweest is dient overwogen. Dit is beslist geen uniek geval maar er over schrijven is een openbaring die je toch kwijt wil, steun moet je er niet gaan in zoeken, gevoelens blijven wel ingeschakeld. In dit geval speelt de afstand een grote rol en is het resultaat onafwendbaar.
Mooi maar triest verhaal , mooi geschreven. Ik kon me helemaal inleven en heb het vermoeden dat er wel eens veel van de Thaise vrouwen die naar het buitenland zijn verhuisd zich in een soortgelijke situatie bevinden
Dit keer kreeg ik echt tranen in mijn ogen. Afscheid nemen — echt afscheid nemen — doet zoveel pijn. Vooral als je op zo’n manier vertrekt, omdat je op een bepaalde plek niet meer kunt leven.
Gek genoeg kan ik me daar veel beter iets bij voorstellen dan de meeste van je trouwe lezers. Ik kom zelf uit Kerkrade. Ik was ooit getrouwd met een Braziliaanse vrouw die zich daar nooit thuis heeft gevoeld. De grootste fout die ik in mijn leven heb gemaakt, was trouwen met haar en haar meenemen naar Kerkrade.
Er is niets mis met Kerkrade, maar voor een buitenlandse vrouw die een warm klimaat gewend is en die bovendien te maken kreeg met een zwaar dialect en mensen die vrijwel alleen Kerkraads spraken… Mijn ex deed er zeker acht jaar over om Nederlands te leren. En telkens als er mensen bij ons over de vloer kwamen, begonnen ze meteen in dialect te praten. Ze keken haar niet meer aan en zij stond erbij alsof ze er niet bij hoorde.
Ik heb dat de mensen daar indirect kwalijk genomen. Ik kon het ergens wel begrijpen, maar het zorgde ervoor dat ik me daar zelf ook niet meer thuis voelde.
Over de jaren begon zij zich juist meer thuis te voelen. Uiteindelijk sprak ze dan toch Nederlands. Ikzelf voelde me echter steeds meer vervreemd van die stad — mede door mijn werk. Meer dan je je kunt voorstellen. De laatste tien jaar woonden we in Landgraaf. Ook niet veel beter.
Zij wilde niet meer terug naar Brazilië. Ik wilde juist weg uit Nederland. Ik wilde in een warm land wonen. We waren in de loop der jaren zo ver uit elkaar gegroeid. Zij werd ‘Nederlandser’, ik raakte juist vervreemd.
Uiteindelijk — ook door vele andere redenen — hakte ik de knoop door en besloot haar te verlaten. Op mijn 55ste pakte ik mijn laatste koffer, liep naar het treinstation in Landgraaf en reisde naar Frankfurt. Niemand om afscheid van te nemen. Ik was opgelucht, en ik heb er geen dag spijt van gehad.
Soms heb ik wel spijt dat het huwelijk stuk is gelopen. Dat zij veranderde in een mens met wie ik niet meer kon samenleven.
Toen ik mijn huidige vrouw leerde kennen, heb ik vanaf het begin gezegd dat ik onder geen enkele omstandigheid met haar naar Nederland zou verhuizen. Ik zou bij haar in Thailand blijven. En als we niet samen in Thailand konden blijven, dan toch in een land waar we allebei ‘vreemden’ zouden zijn.
Het bevalt me prima. We zijn gelukkig met elkaar.
Volgens mij zien ze elkaar snel terug maar dan in de Isuzu in plaats van de Audi .
Heb dit meegemaakt in de beginperiode dat wij samen waren zij wou ook terug naar Thailand. Ticket gekocht en op de vlieger gezet, echter een maand later stond ze hier terug en zijn nu intussen al meer dan 25 jaar samen Ze kon me niet missen.
Niet durven vliegen maar wel autorijden, vliegen is veel veiliger dan autorijden, als mijn vrouw mij nu moest verlaten zou ik liever sterven in de vlieger dan van liefdesverdriet.
Man, man, man. Zo kun je alleen schrijven als je het zelf hebt meegemaakt. Ieder woord raak. Ben zelf sinds 15 jaar getrouwd met een Thaise die- schrik niet – 36 jaar jonger is. In het begin ook iedere 3 maanden weer afscheid nemen. Dus ik ken het gevoel.
Cruciaal is, dat ze werk hebben. Mijn vrouw verdient hier prima en wil onder geen beding in thailand wonen. Ieder jaar 3 maanden vindt ze voldoende, ondanks dat we daar een eigen huis, auto e.d hebben.
Bij ons net het omgekeerde.
Na mijn pensioen zijn we naar Thailand verhuisd. Hebben alles achter gelaten in België.
Hebben hier een huisje gebouwd maar na 7 jaren tot het besef gekomen dat we hier niet gelukkig zijn.
Ik spreek opzettelijk in de ‘we’ vorm … het is vooral mijn Thaise echtgenote die niet gelukkig is in eigen land. Ze zou het liefst terug keren naar haar, destijds vertrouwde, België. Ze had daar werk, een mooi inkomen, en vooral geen bemoeienissen van een inhalige familie.
De knop omdraaien lukt financieel niet meer. Herbeginnen in mijn thuisland is niet meer betaalbaar. Het enige wat ons rest is het hier (in Thailand) het zo goed als mogelijk naar onze zin te maken. Soms lukt dat wel, maar veelal ook niet.
Het leven is niet altijd dat wat we zelf willen. Helaas …
Beste TB- mannen. Allemaal bedankt voor de complimenten en vooral ook voor de soms erg persoonlijke, ware en gevoelige aanvullingen. Ik denk dat we allemaal wel iets dergelijks hebben meegemaakt; persoonlijk of van dichtbij.
Warme groeten uit het (voorlopig) zonnigere Nederland. 😉