Fanny dans ma chambre

Fanny komt uit de badkamer onze ruime triplekamer vol bedden binnengestapt. Helemaal vochtig, met hoog in een wrong een handdoek om de haren. Haar tulband van marineblauw badlinnen dobbert in een borduursel van zeilscheepjes die aanstonds een Thaise haven binnenvaren.

Met opgestoken haardot is ze nog groter, nog rijziger, morbleu, een hemelse delicatesse! Het zijden lijfje kleeft aan haar vochtige jonge huid.
Dit is het Lai-Thai Guest House aan de Tapae Gate, Chiang Mai – Roos van het Noorden. Begane grond, kamer nummer 514, ver achteraan in de tuin. Een doolhof om er bij te geraken.
De kamer is groot als een ballroom. Drie tweepersoonsbedden, maar het kan niet anders. Dat komt, het is de enige kamer die er nog in Chiang Mai op een vrijdagavond om tien uur ‘s nachts overblijft, de laatste in heel de oude stad. Op het treinstation heeft een jonge blonde buitenlandse zich bij me aangesloten, vraagt of ze mee naar het centrum kan rijden.
Ik arriveerde in Chiang Mai met de Special Express slaaptrein vanuit Bangkok. Rijstvelden, rijstvelden; iets voorbij halfweg trekt de locomotief kuchend en krochend de bergen van het noorden in. Op een helling achter een forse begroeiing van teakbomen bevecht de zon zijn ondergang. Tappelings gutst purperen bloed uit de onderbuik van de hemel.
In het Railway Station is het benauwend druk, stromen reizigers door ouderwetse neonlampen verblind. In twee richtingen loopt men elkaar voor de voeten.
Na vijftien uur onderweg voel ik me futloos, zoek een tuktuk. Het blonde meisje wijkt niet van mijn zijde. Als een ontoombare meute vallen de drivers voor het station over me heen, dringen, roepen, flemen, imponeren, lopen me voor de voeten, seconderen me, proberen mijn koffer af te snoepen.
De onuitputtelijk vriendelijke driver van de songtaew, die samen met zijn vrouw een vervoersbusiness runt, met aangestrande reizigers rondrijdt, met koffers sleurt, in- en uitstapt, heen en weer rent, bagage versleept van de ene kant van zijn zitbak naar de andere, de hele dag lang in deze hitte – die driver is al naar verscheidene hotels met ons geweest, keer om keer volgeboekt, hij zal van zijn tweehonderd baht weinig overhouden. Zigzagswijze kronkelt hij met ons door de stad. De tijd dringt.
Zijn vrouw, een mollige Thaise van het noorden, heeft een aanstekelijke lach. Die deelt ze met mensen.
Het is een ontroerend koppel, zeker als ik aan al de gescheiden vrouwen van Thailand denk. Ik ben er vast van overtuigd dat ze elkaar nooit in de steek zullen laten. De eik en de linde, Philemon en Baucis op zijn Thais. Voorkomend tegenover elkaar als in een oude Engelse upper classfilm.
Bij het Lai-Thai is er nog één zespersoonskamer over. Als een stel Spaanse backpackers me bij de balie op de hielen trapt, gaat het niet meer om nadenken. Dus besluit ik voor deze kamer in dit hotel te kiezen en Fanny gaat met alles akkoord. Zo verbindt ze haar lot aan het mijne. Waar zou ze nog een kamer vinden?
Vanaf nu sta ik tot haar dispositie.
Het is al over elven en gedempt donker. Ik wandel in de tuinen van het guesthouse. Laat Fanny even alleen met de douche. De lucht is lauw als een verstrooid handgebaar. Krekels wetten hun vleugels. Spinnen maken zich wiebelend op voor de jacht. Overal zijn er over de hele uitgestrektheid van de lusttuin paradijselijke hoeken ingericht, met lattenwerk en groene lommerrijke tropenplanten in reusachtige potten en ik loop omheen de priëlen tussen de ronde hoog opgemetselde vijvers met piepkleine wemelende guppy’s in lsd-kleuren. Diafane chimères. Draken met de afmetingen van een pinknagel.
Er zweemt een onbenoembare sfeer in dit duistere licht. Witmarmeren tuinornamenten glimmen op als imaginaire fantomen, als boze ziekten, als vergiftigde kwalen.
Ik loop meer dan eens in dit labyrint verloren, geraak haast niet bij mijn dure suite, ben het kamernummer verdorie kwijt. Voorzichtig plaats ik me even op een stenen bank met cupido’s. De nacht trilt in onvatbare frequenties. Het is een veelvuldigheid van resistente stemmen als van bloemen. Een betoverend Marialied uit de middeleeuwen. De golven van kleur die ze rondstralen. Ik heb zin om over talmende nachten met een geliefde te dromen. Ik doe mijn best om aan niets te denken. Je hoeft niets met je gedachten te doen, als je niet wilt. Nu zal Fanny wel met de douche klaar zijn.
Fanny is al haast een jaar een elementaire backpacker. Ze staat erop mijn breakfast en mijn koffie morgenvroeg te betalen. Aandoenlijk. Wedden dat ze uit een middenklasgezin komt. Zij is nu gewoon in hoeken, op banken, op stoelen, op de harde grond, op een halve meter, op niets te slapen. Zij heeft zich getraind in de grote holklinkende, schelverlichte, blikkerende, tochtige ruimten van luchthavens, treinstations, busstations, bushokjes, wachtruimten. Ze heeft zich bekwaamd in de open lucht te slapen. Ze is gehard in onzekerheden, vertelt me erover en het is best heftig.
Fanny is een rijzige, stevige, aantrekkelijke blonde Zwitserse van eenentwintig die Frans spreekt. Ze complimenteert me met mijn uitspraak van het Frans. Ik complimenteer haar om wie ze is. Ze is speels en jong.
Ja, zo gaat het als jonge meisjes de wereld in willen. Fanny heeft een belofte gedaan die ze niet wil verloochenen: een jaar lang niet thuiskomen van over de wereld te zwerven. Het is een bestemming. Wil ze haar papa iets bewijzen?
Ik zeg: ‘Tu es courageuse.’ Ze lacht zo eens.
Kortstondig trek ik me met een schriftje achter de oude massieve Amerikaanse koelkast midden tegen de muur terug, ze maakt geluiden als een oude B-17 Flying Fortress.
Nu komt Fanny om de hoek van de deur piepen met een vraag om haar mond en heerlijke ogen. Ze steekt haar hoofd naar voren en zoekt me met haar blik. Waar zit je, zo even, wil ze zeker zeggen. Maar ze kijkt me olijk en schelms in de ogen: ‘Tu vas bien?’
De fridge bromt, gromt en snorkt of ze ons gesprek wil dwarsbomen.
Fanny is groot, haast zo groot als ik, ze heeft kleine zweetdruppels op haar bovenlip. Bekoorlijk. Als het gras van een alpenweide heeft ze alles in het groen, d.w.z. een korte zijden directoire en een hesje van hetzelfde. Ik ruik de pittige kruiden van rotsige bergflanken. Of wellicht is het louter inbeelding. Haar lichaam heeft alle lijnen in haar nachtgoed geprint.
‘Ça va?’ vraagt ze nog eens. ‘Non,’ zeg ik, ‘Pas d’inspiration!’ Als ik haar zie, begint er zich zowaar een onbekend verhaal af te tekenen. Ik kan het niet wegstoppen.
Ik zit achter de ronkende koelkast weggedoken, heb de gonzende ventilator van de aircon in mijn nek, maar daar is Fanny al bij me. Ze springt in salto’s over de matrassen, het is of ze gewichtloos over de bedden door de lucht suist, belandt op het eerste bed. Een rondedans.
Ik probeer zo onschuldig mogelijk te kijken en vooral niet naar haar borsten.
Dan gaat ze zich op haar knieën voor mij volledig vrouw tonen, de gleuf van haar borsten, ze streelt mijn scrotum als bij toeval, doet heel opgewonden haar verhaal. Er ontbreekt een slipje. Zwitserse opwinding, niet met het pruilerige toontje dat Franse vrouwen etaleren als ze zich verongelijkt voelen.
Ze heeft zware, volle, gezwollen borsten die helemaal naar buiten staan, haar tepels tekenen zich krachtig in de stof af. Ze hangen heel mooi. Ik ben het niet meer gewoon. Hier in Thailand vind je geen volle of dikke borsten; en ze hangen ook niet, ze wegen ten hoogste wat. Haar heupen geven me volle handen.
De heupen van Fanny. Ik heb ze voor mij, pak ze stevig vast, plant mijn vingertoppen en nagels in haar lenden. Ze draait haar witte ronde billen naar me toe, haar vagina is mals vol vlees, beschaduwd door haartjes. Mijn speeksel maakt haar nat.
Ik beleef haar woorden en haar onschuldige erotische uitdaging en krijg lachkringels om mijn mond. Soms voel ik dat er kleine knetters bij haar en bij mij leven. En ik voel wel een minuscule behoefte om haar te knuffelen, te troosten, in mijn armen te nemen, want ik ben er nu achter gekomen, dat haar hele onderneming om één jaar lang de wereld af te schuimen, in het slop zit.
Buiten vult de straat zich met rumoer van zwervende hondenbenden, hun vacht is vaal en askleurig. De horden bakenen hun territorium af, ze blaffen, rochelen, janken doordringend om hun plaats in de roedel te bestendigen.


Fanny verlangt dat ik heel dicht bij haar kom liggen, schuift tegen mijn lichaam aan, klemt haar knie om mijn benen en steekt haar hoofd onder mijn oksel. Dan brengt ze haar warme witte hand in mijn slip. Mijn stem bibbert eensklaps en mijn benen lossen hun spanning. Ik streel haar tepels. Het lijkt of ik mijn vingertoppen in een bruine Chinese lak dompel en haar tepelhoven schilder.
Behoedzaam verschaf ik me toegang tot haar, mijn harde vlees in haar natte vlees, schuif op tot ik niet dieper kan. Ze vindt het fijn, iets van geluidjes die niets met woorden te maken hebben. De vorm van haar vulva, strak, rond en gezwollen met de roodblauwe schijn van halve tafelpruimen en sprietjes rossig haar vol zachtheid als pluimgras. De kramp van mijn vingers staat in haar vlees getekend.
Even geleden was ze ten einde raad. Buiten op het terras had ze twee keer een vlucht Bangkok-Parijs geboekt, door een stomme klik op de knop, maar vooral het internet viel even weg. Nu maakt ze zich zorgen. Tweemaal betalen. Ik geef haar mijn telefoon, zo kan ze Visa bellen, de hare is leeg van batterijen.
Zo zie je maar waarom twee mensen elkaar te ontmoeten hebben. Ik weet dat ik voor een ogenblik iets meer voor haar beteken. Ze is kranig, ze is meisje. Ze is even Azië, Thailand beu. Ze wil even niet alleen zijn, niet op reis. En vooral: dat het haar zwaar valt om één jaar van huis te blijven, op zichzelf te staan – wil ze niet toegeven. Ze wil niet toegeven dat ze verlangt naar de mensen die van haar houden. Niet aan zichzelf toegeven.
Dus ga ik even van haar houden.
Minder beletsel om al die onzekerheden, al die twijfels aan een vreemde man te bekennen…
Daarom gaat ze naar Parijs, zegt ze, en niet naar Zürich. Ze wil nog niet thuis zijn. Geeft zichzelf nog enig respijt. Ze wil voor haar papa niet afgaan. Ze is zijn sterke meid. Ze wil een korte stand-by, zegt ze, even op adem komen. Misschien vertrekt ze volgende maand vanuit Parijs toch naar Hongkong, blijft ze in Azië, haar vriendin komt over twee weken in Singapore aan. Die kan ze vervoegen.
Dan heeft ze weer een compagnon de route.
Ze is de sterke meid – Fanny. Ze is stoer. Ze geeft niet op. Papa zal verheugd zijn. Hij is trots op haar. Je krijgt al mijn energie, meisje Fanny! De ventilator zoemt in mijn nek. Ik klap mijn dagboek dicht.
Ze ligt naast mij, in slaap, mijn zaad lekt traag uit haar schoot, ze ligt in een geruisloze slaap van de wereld te zijn.
Ze toont hoe ze dat doet. Hoe ze buiten slaapt. Haar gestrekte eindeloze benen, het wit van twee boventandjes, haar borsten opzij gezakt, haar onschuld blozend. De overgave aan het perikel. Ze is onaantastbaar. Ze is heilig.
Onschuld is onaantastbaar.
Midden in de nacht draait ze het laken in een worst om zich heen. Ik word wakker, lig naakt. Haar hoofd is volledig in de plooien weggedoken. Haar haren krullen op haar wang. Op een vreemde, onvoelbare manier houd ik van haar.
Het is of ze energie in de ruimte is.
Ze beweegt niet, ze ademt niet, ze droomt niet, ze roert zich niet. Ze ligt naar me toe. Ik zie haar in feite niet. Ze is gewichtloos als de nacht. Ma petite Fanny délicieuse, slaap maar zacht. Ik waak over jou.
Daarvoor ben ik naar Chiang Mai gekomen.

Chiang Mai, februari 2013 – Hasselt, mei 2020 (derde herwerkte versie)

Rating: 5.00/5. From 12 votes.

4 gedachten over “Fanny dans ma chambre

Reacties zijn gesloten.